zaterdag 24 december 2016

Toon, Max en Eppo

Toon Hermans is veel te zien en te horen op het moment vanwege zijn honderdste verjaardag. Dat is mooi, want ik was ooit - eind jaren zestig, begin jaren zeventig – zo gelukkig om twee keer een voorstelling van hem te zien. Als middelbare scholier nog, of als student, in elk geval beide keren in de Stadsschouwburg in Heerlen. Ik weet zeker dat ik Hermans’ humor toen ook al goed kon pruimen, anders was ik natuurlijk niet gegaan, maar hoe zit dat met andere humor? Vond ik toen bijvoorbeeld Max Tailleur ook grappig?

Nu in elk geval niet meer. Dat constateerde ik toen ik de afgelopen weken door omstandigheden, maar geheel vrijwillig, een groot deel van het moppenoeuvre van Tailleur tot mij nam. Ik heb niet één keer gelachen. De ene humor is houdbaar, de andere niet, concludeer ik dan maar, met mijzelf als maatstaf. Waarom de humor van Max Tailleur voor mij niet houdbaar is schrijf ik misschien nog wel eens op.

Ooit hoorden de humoren van de leeftijdgenoten Hermans en Tailleur – die van 1909 was – meer bij elkaar dan ik me nu kan voorstellen. Ze kwamen elkaar in de naoorlogse cabaret-en variétéwereld vaak tegen, dat concludeer ik uit de krantenberichten die ik via delpher.nl vind. Een van die berichten is dit, uit het Nieuwsblad van het Noorden van 7 oktober 1970, uit de tijd dus dat ik Toon zag optreden:
Ik vond de foto met bijschrift via de zoektermen die geel gemarkeerd zijn: Max Tailleur, Toon Hermans en Eppo Doeve, en ik had een reden voor die zoektermen. Ik kocht namelijk een tijd geleden een partij boeken uit het bezit van Eppo Doeve (1907-1981), vooral bewijsexemplaren van zijn eigen werk. En daarbij zat ook een stapel door Doeve geïllustreerde moppenboeken van Tailleur. En daarbij weer een paar exemplaren van het eerste ‘playboek’ van Tailleur: langwerpige boeken met een gaatje en een touwtje die je op de wc kon hangen zodat je iets te doen had bij een wat langer oponthoud daar. Volgens een ander krantenbericht gebruikte Toon Hermans die term ‘playboek’ in zijn toespraak bij de presentatie.

In de partij Doeve-boeken zitten ook de twee onderstaande, door de betrokkenen gesigneerde exemplaren. Vraag me niet waarom Doeve er twee in zijn bezit had. Misschien kreeg mevrouw Doeve er ook een.

Alweer een brief van één uit het volk [1994]


Als hij er nog zou zijn, zou hij ze dezer dagen in grote hoeveelheden hebben gekregen: brieven met een aanhef als: ‘U zult wel denken, alweer een brief van één uit het volk.’ Joop den Uyl werd op 9 augustus 1919 geboren, morgen zou hij zijn vijfenzeventigste verjaardag hebben gevierd. In de inventaris van het archief-Den Uyl, dat zich op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam bevindt, staan de (met toestemming vooraf toegankelijke) nummers 260 tot 282 opgevoerd als ‘Ingekomen brieven van tegenstanders en aanhangers en uitnodigingen. Met doorslagen van fractiemedewerkers en fractieleden. 1978-1987’. Ze betreffen de periode van na de val van het kabinet-Den Uyl in december 1977 tot aan Den Uyls dood in december 1987, van die eindeloze aanloop dus naar het tweede kabinet-Den Uyl.

In augustus 1894 werd de Sociaal-Democratische Arbeiders-Partij (sdap) opgericht. Honderd jaar sociaaldemocratie betekent ook honderd jaar socialistenhaat en honderd jaar tegenstand tegen de sociaaldemocratie. Met die twee jubilea op de achtergrond hadden daarom vooral de brieven van tegenstanders in de archief nummers die ik kon doorbladeren mijn aandacht. In mijn achterhoofd zat daarbij voortdurend de stem van mijn vader, een met kvp en cda geïmpregneerde middenstander uit de oostelijke mijnstreek. Hij schold graag op Den Uyl, maar hij schreef geen brieven aan die bron van alle kwaad. Anderen deden dat wel.

Vooral in het begin van de oppositieperiode na 1977 treedt Den Uyl zoveel op de voorgrond dat hij het een en ander te verduren krijgt. Brieven hebben een aanhef als ‘Den Uyl, oppositie- en klerelijder’ en dan een inhoud als deze: ‘Naar ik heb vernomen staat u te trappelen om weer minister-president te worden. Het is niet te hopen voor land en volk want u hebt er een geweldige puinhoop van gemaakt.’ De afzender is vaak, na hoogst actueel en in vijftien jaar nauwelijks veranderd geargumenteer over buitenlanders, woningen en kinderbijslag, ‘Een Nederlander’. Als de kruisraketten in de actualiteit zijn valt het woord landverrader nogal eens, ook is Den Uyl een ‘rooie klootzak’, een ‘schijnheilige hond’, een ‘onfatsoenlijke brulaap’ of een ‘Nare vervelende smerige opschepperige communistenknecht’.

Echte dreigbrieven zijn er ook. De ‘Verzetgroep N.-Holland’ meldt als nieuwjaarsgroet voor 1980 dat ze oud-verzetsstrijders zijn en dat ze hun wapens uit het vet hebben gehaald. De ‘Nieuwe Partij voor Bescherming van Volksverlakkerij’ schrijft met veel spelfouten dat: ‘Wat aldo morro en zoveel anderen is overkomen dat zou U ook wel eens kunnen overkomen.’ Ook een hakenkruis duikt hier en daar op. Het spreekt vanzelf dat deze brieven meestal anoniem zijn, maar er is ook iemand die met naam, adres en telefoonnummer het volgende meldt aan de ondanks alles ‘Geachte heer Den Uyl’: ‘Indien u uw leven wilt leiden/lijden zoals u verkiest, geef ik u in overweging om vóór donderdag 24 januari a.s. al uw funkties in de politiek neer te leggen.’

Joop den Uyl en zijn medewerkers antwoordden, zoals de bij de correspondentie gevoegde antwoordbrieven laten zien, op alle brieven waarop een antwoord mogelijk was. Bij brieven die instemming betuigden, bij felicitaties, bij verzoeken om spreekbeurten, foto’s met handtekeningen en bijdragen aan boeken, waar veel van de gemengde correspondentie over gaat, was dat antwoorden niet zo’n probleem. Dat was het ongetwijfeld wel bij verreweg het interessantste gedeelte van de correspondentie, namelijk de brieven van onbezoldigde filosofen, dwalenden, psychiatrische patiënten, verwarden van geest – ik zal ze ongenuanceerd en kortheidshalve maar gekken noemen. Zij geven hun vertrouwen aan de fractievoorzitter van de Partij van de Arbeid als ze waarschijnlijk al aan de koningin en de minister-president hebben geschreven en als alle familieleden, Riaggs en therapeuten allang niet meer kunnen en willen helpen. Ze leggen hun levensverhalen, problemen en ziektegeschiedenissen voor aan iemand die ook niet meer kan doen dan vriendelijk terugschrijven (‘Ik overzie de problematiek niet in die mate dat ik u van advies zou kunnen dienen’) en doorverwijzen naar bijvoorbeeld de Ombudsman.

Maar de al dan niet prettig gestoorde brieven zijn vaak mooier dan alle steunbetuigingen, dreig- en scheldbrieven bij elkaar, die zo vol zijn van inhoud, mening, bedoeling en berekening. Dat allemaal ontbreekt in deze brieven en daarmee ook meestal de grammatica en de logica. Wat overblijft is oprecht gemeende taal. ‘Ik laat van deze brief een fotocopie maken, die ik gelijktijdig naar de wereldpers stuur’, schrijft een filosoof aan het begin van een brief van vijfendertig kantjes, een andere weet aan het eind van zijn lange brief: ‘Het is blijkbaar daverende onzin.’ Aan het eind van een brief die heel gezellig en met een verwijzing naar een televisieprogramma begint (‘“Hallo meneer Den Uyl”. Mijn vriendin kwam dus helemaal niet voor de televisie en hoe dat verder zit weet ik ook niet’), ruikt de schrijfster onraad: ‘Als u mij echt niet kent en echt nergens vanaf weet, wilt u dan echt niet reageren? Ik zie u daar namelijk wel voor aan. Uit zorg. Maar dan is het echt beter dat u dat niet doet.’

Sommige brieven beginnen verraderlijk, zoals een brief uit 1980 aan ‘Geachte partijgenoten’: ‘De komende verkiezingen zal mijn stem niet uitgaan naar uw partij omdat ik de mening ben toegedaan dat uw leider de heer den Uyl niet serieus staat ten aanzien van de volgende onderwerpen: A. de vaderlandse economie, B. werkloosheid, C. veiligheid en criminaliteit, D. het abortusvraagstuk.’ Maar dan gaat de schrijver verder met zijn opsomming: ‘E. een kiezer, F. een nint […]). Bovendien wekt Uw leider bij mij de indruk dat hij de Negende Symphonie van Ludwig van Beethoven beoordeelt als kattepis.’ Ook bij briefschrijvers die je zo op het eerste gezicht tamelijk normaal moet noemen, heerst soms verwarring. ‘Aan de weled. hr. voorzitter der fractie partij van de arbeid’, schrijft een Rotterdammer die niet van hoofdletters houdt, om deze fractievoorzitter vervolgens aan te spreken met ‘zeer geachte heer bolkenstein’.

Eerder, op 8 augustus 1994, gepubliceerd in NRC Handelsblad (Achterpagina), en hier marginaal redactioneel gecorrigeerd. Bij het artikel stond indertijd een portretfoto van Den Uyl door Vincent Mentzel.

maandag 19 december 2016

Het is weer tijd voor de Kerstpuzzel!


Laten we de mensen eens wat vrolijk vertier bezorgen – iets dergelijks zullen ze in het najaar van 1940 bij de redactie van het veelgelezen geïllustreerde weekblad Het leven hebben gedacht. Het land is wel bezet, maar Het leven gaat gewoon door. Toch ademt de dubbele ‘Kerstpuzzle 1940’ die als bijlage bij het weekblad verscheen niets van bezetting en Kerstmis als Germaanse traditie, zoals je zou kunnen verwachten.

Ik zou zeggen: ga lekker aan de slag. Printen, knippen, wat denk- en zoekwerk, en klaar is Kees. De termijn voor inzendingen is verstreken, maar wat maakt het uit. Voor de prijswinnende puzzelaar van 1940/1941 wachtte overigens een vette beloning: 250 gulden, en die zijn koopkrachtmatig nu ruim € 1750 waard (bron: http://www.iisg.nl/hpw/calculate2-nl.php). De moeilijkheidsgraad van deze puzzel was dan ook blijkbaar zo dat de redactie van Het Leven dacht dat ruim twee maanden denktijd redelijk was: oplossingen konden tot 1 maart 1941 worden ingestuurd.

zondag 18 december 2016

De papieren cirkel [2009]


Het overkomt altijd anderen, en in dit geval is dat ook zo, maar toch weer niet helemaal. Op 26 november 2009 ging het gebouw van City Box in Amsterdam-Noord helemaal in vlammen op. Negenhonderd mensen verloren hun spullen, en onder hen was collega H., die in een box zijn verzameling populaire lectuur, pulp, realistische romans, de onderkant van de boekenmarkt kortom, had opgeslagen.

Dat is een cultureel rampje, want de meeste van deze – duizenden – boeken, zijn zeldzaam, veel zeldzamer dan, wat zullen we eens noemen, een eerste druk van On the Origin of Species van Darwin. Deze boeken werden nooit via officiële kanalen verspreid, vaak werden ze onder de toonbank verkocht of, als het onderwerp wat onschuldiger was, als bijlage van geïllustreerde tijdschriften. Ze zijn nooit bewaard door bibliotheken en ze worden zelden serieus genomen in het tweedehandsboekencircuit. Wie ze wil vinden moet er oog voor hebben en veel rommelmarkten en kringloopwinkels bezoeken. En als je ze vindt moet je ze ook kopen, want de kans dat je zo’n boek nog een keer tegenkomt is klein. En omdat dat zo is, zocht ik jarenlang mee voor collega H. Veel van de boeken waren dus gevoelsmatig ook een beetje van mij.

Collega H. verzamelde deze boeken om het fenomeen populaire lectuur etc. gestructureerd in kaart te brengen en er uiteindelijk iets wetenschappelijks over te publiceren. De meeste boeken heeft hij wel geregistreerd, maar beschrijvingen alleen zijn niet genoeg. Het uiterlijk van deze boeken vertelt hele verhalen over herkomst, productie, enzovoort. Nu moet er weer een nieuwe collectie worden opgebouwd. En die collectie zal dus heel anders zijn dan de verbrande. Zal ik mijn eerste donatie dan maar doen? De kans dat ik te horen krijg: die heb ik al, is helaas nog veel kleiner geworden.

Eerder, op 30 november 2009, gepubliceerd op www.textualscholarship.nl en hier minimaal redactioneel veranderd.

Handgeschreven [2009]


In 1984 ruimde ik de bibliotheek op van de in dat jaar overleden Scandinaviste en vertaalster Saskia Ferwerda. Ze had een huis vol boeken, de helft ervan had betrekking op haar specialisme. Deze Scandinavische bibliotheek werd door de familie geschonken aan de universiteitsbibliotheek in Utrecht, maar die zat met de boeken in haar maag. De boeken belandden in de kelder van een pand aan het Lucas Bolwerk en bleven daar totdat dat pand een andere bestemming kreeg en leeg moest.

Niemand bleek zich voor de boeken verantwoordelijk te voelen en ze belandden in een container, waar ze in brand werden gestoken. De rest van de boeken had een beter lot: ze werden verkocht om er een Scandinavisch boekenreeksje van te financieren, en dat gebeurde tot het geld op was. Uit de niet-Scandinavische bibliotheek schonk ik later een aantal boeken met opdracht aan het Letterkundig Museum, zoals een bundel van Benno Barnard, die in Utrecht de buurjongen van Saskia Ferwerda was geweest. Gesigneerde bundels, brieven en Sinterklaasgedichten van de nu vergeten christelijke dichteres Tony de Ridder zaten er ook bij, net als een briefkaartje van Nobelprijswinnares Selma Lagerlöf, bij wie Saskia Ferwerda in Zweden op bezoek was geweest.

Een van de gesigneerde bundels was van de minor poet Freek van Leeuwen (1905-1968), die via de sociaaldemocratie bij het schrijverscollectief Links Richten was terechtgekomen en die later naar zijn christelijke roots zou terugkeren. Bij Van Leeuwens vijftigste verjaardag in februari 1955 verscheen bij De Beuk in Amsterdam de poëziebundel Rood en wit, een bloemlezing uit oud en nieuw werk onder redactie van Wim J. Simons. Op het schutblad van het exemplaar van Saskia Ferwerda stond een handgeschreven gedicht:
In 2002 vond ik bij De Slegte in Den Haag nog een exemplaar van Rood en wit, en op het schutblad stond een handgeschreven gedicht van de auteur. Het was hetzelfde gedicht als in de bundel van Saskia Ferwerda, zo herinnerde ik me, dus ik dacht: het LM heeft mijn cadeau verpatst. Ik dus een misschien wat al te boos briefje naar het LM gestuurd, waarop toenmalig directeur Anton Korteweg netjes en per omgaande antwoordde met de mededeling dat het boek dat ik indertijd had geschonken gewoon in de collectie van het museum zat. Een meegestuurde fotokopie bewees dat. Maar die kopie bewees ook dat mijn gedachte helemaal niet zo vreemd was:
En nu, nu ik over deze curieuze zaak wil schrijven, kijk ik eens wat rond op internet en vind er nog een: bij antiquariaat Fokas Holthuis in Den Haag:


Hoeveel van dit soort exemplaren zou Freek van Leeuwen hebben zitten pennen met zijn ballpoint?

Eerder, op 15 december 2009, gepubliceerd op www.textualscholarship.nl.

vrijdag 4 november 2016

De geheime relatie van Willem Frederik Hermans en Gerard van het Reve.

Over vertrouwelijkheid en het gebruik van historische bronnen [2014]


                           ‘Met het schoolmeesterlijk geduld, mij eigen …[1]

Ter inleiding

Er zijn professoren die beweren dat het schrijven van een biografie geen wetenschap is. Het is eigenlijk een literair genre, vinden ze. Hoewel ik het hier alleen maar over biografieën ga hebben, is een wat meer persoonlijke introductie op het onderwerp misschien eens het proberen waard. Ik was namelijk een paar dagen in Rome, en als je hotel dan een paar straten van het Largo di Torre Argentina verwijderd ligt, met zijn resten van vier Romeinse tempels, dan zijn de katten van Rome niet ver. Willem Frederik Hermans beschreef ze in 1955 in een columnachtig stuk in Het Vrije Volk. Er zijn nog steeds katten in de tempels, en ze worden nog steeds van voer en water voorzien door Romeinen en geaaid door toeristen. Maar hadden de katten toen al dat speciaal voor hen gebouwde platformpje waar ze in de zon op de catering en de aaiende handen kunnen liggen wachten? Wat Hermans in zijn stuk over Rome zegt vind ik overigens, nu ik er net (en voor het eerst) geweest ben, verrassend fris en overtuigend: het is volgens hem een stad van ‘eeuwenoude afbraak’.

    Het spreekt vanzelf dat ook de gedachten aan Gerard van het Reve nooit ver zijn in dit middelpunt van de katholieke wereld. Ik stel me, in de richting van het Vaticaan wandelend, voor dat hij een paar meter voor me uit over de Via della Conciliazione loopt en verlekkerd naar de jonge gejurkte heren kijkt die, vaak met zijn tweeën of in het gezelschap van een oudere gejurkte heer, naar het Sint-Pietersplein onderweg zijn. Die gejurkte heren, van welke leeftijd dan ook, hebben overigens bijna altijd een zwart leren aktentas bij zich, die er bijna altijd heel erg leeg uitziet. Zit er wel iets in?

    Maar goed: waarom was ik in Rome? Ik woonde er een workshop bij over de Amerikaanse schrijfster Willa Cather. De bedoeling was dat ik iets kwam vertellen over de vertaalgeschiedenis en de receptie van het werk van Cather in Nederland. Voordat je zo’n verhaal houdt, moet je je afvragen voor welk publiek je praat. Voor receptiespecialisten heb je een andere tekst dan voor Cather-adepten. Voor literatuurwetenschappers moet je anders spreken dan voor algemeen geïnteresseerden. Algemeen geïnteresseerden waren er niet, wel veel literatuurwetenschappers, vooral uit de Verenigde Staten, en bijna iedereen van het gezelschap was een Catherveteraan. Een van de gangmakers van de Cather-studie, over de tachtig intussen, noemde zijn dochter ooit Willa, en die is al over de veertig zo te zien: ze had ook een bijdrage tijdens de workshop.

    Ik moest dus van tevoren de keuze maken: maak ik de Cather-adepten blij en vertel hun met het Nederlandse materiaal dat ik over Cather heb gevonden dat er van haar twaalf romans sinds 1927 zeven zijn vertaald, dat coryfeeën als Jeanne van Schaik-Willing en Martinus Nijhoff zeer positief over haar spraken en dat nog maar een paar jaar geleden een nieuwe vertaling verscheen, in een nawoord aangeprezen door niemand minder dan A.S. Byatt? Of moest ik vertellen dat er, ondanks deze positieve feiten, ook iets wringt in de Nederlandse Cather-receptie, want ze heeft er niet toe geleid dat Cather in Nederland een naam heeft die iemand iets zegt. En dat zou de Cather-gemeenschap natuurlijk graag anders zien. Als ik dus nog eens naar het centrum van de Cather-studie in de Amerikaanse staat Nebraska wil, kan ik beter iets positiefs zeggen. Toch?

Karel van het Reve, bij leven broer van en Leids hoogleraar, heeft over dat naar de mond van lezers praten iets moois gezegd in zijn roman Twee minuten stilte uit 1959, waarin hij communistische, dus ideologisch bepaalde geschiedschrijving thematiseert bij monde van een van de personages:
‘[A]ltijd blijven die zogenaamde feiten als een blok aan ons been hangen. Neem een biograaf die een allemachtig aardige afsluiting van een hoofdstuk zou hebben als het hem maar mogelijk was er een paar dingen in te laten voorvallen waarvan hij zeker weet dat ze niet gebeurd zijn. De kwaliteit van zijn werk lijdt daar in zekere zin onder. De kameraden echter hebben van de feiten geen last. Dat geeft soms een bovenaardse schoonheid aan hun redeneringen.’
Die kameraden, de lezers dus, geloven die biograaf namelijk op zijn woord en bauwen hem na.

Hebben Willem Frederik Hermans en Gerard van het Reve iets met Willa Cather te maken? Voor zover ik weet niet. Maar misschien ook wel. Ik zou het u, beste lezer, kunnen wijsmaken, want u gaat het toch niet controleren. U gelooft ook dat Willa Cather echt heeft bestaan en dat ik in Rome was vanwege die workshop. Maar was ik dat wel? Was ik echt nooit eerder in Rome? Was Hermans daar wel ooit, en Van het Reve? Was Van het Reve wel katholiek? Schreef de andere Van het Reve wel een roman die Twee minuten stilte heet? Als u het precies wilt weten, moet u het zelf uitzoeken, want ik wil u niet vermoeien met pietluttige voetnoten met bronvermeldingen en andere ‘verweesde feiten zonder samenhang’, zoals een professor ooit zei. Wat ik bedoel is dit: met historische feiten kun je doen wat je wilt, ook suggereren dat ze bestaan. Het gaat er maar om dat u, de lezer, mij gelooft. Als u mijn al dan niet gebeurde bezoek wilt dateren, helpt het misschien als ik u vertel dat ik op 15 juni 2014 meende een bekende Nederlandse priester over het Piazza Farnese te zien lopen, in een heftige regenbui, ongeveer drie uur ’s middags, onder een grote paraplu samen met een jongere gejurkte heer; allebei hadden ze zo’n dunne leren aktetas bij zich. Hoe ver het ging en waartoe het leidde is niet bekend.

Ter zake
Willem Frederik Hermans (1921-1995) komt uit de halve biografie De mislukkingskunstenaar naar voren als een womanizer.[2] Tot aan zijn huwelijk met Emmy Meurs, die hij in 1949 leerde kennen, versleet hij een behoorlijk aantal dames. Maar er zit een aspect aan het liefdesleven van Hermans dat door zijn biograaf over het hoofd is gezien. Hermans had namelijk in 1949 nog een andere ‘kennis’ van enig belang, een inmiddels tamelijk beroemde zelfs, Gerard van het Reve (1923-2006). Tussen januari en juli 1949 zagen ze elkaar met grote regelmaat. De twee nog jonge schrijvers hadden in 1949 een intieme relatie: dat moet de conclusie zijn na het bestuderen van een aantal agenda’s in het archief van Hermans. Agenda’s hield Hermans een groot deel van zijn leven bij: de eerst bewaarde is uit 1934, toen hij dertien was, de laatste dateert van 1994, een jaar voor zijn dood. Het zijn overigens meer dan agenda’s, want ze bevatten in veel gevallen ook notities voor werk dat in voorbereiding is, observaties, aforismen et cetera. Het jaar 1949 is een speciaal jaar wat deze agenda’s/notitieboekjes betreft: er zijn er namelijk vier die het jaartal 1949 dragen: een ervan is een feitelijke agenda, die het hele jaar beslaat, de andere drie zijn aantekenboekjes, waaruit een deel van de inhoud is verwijderd; de resterende pagina’s per deel vormen samen, wat de data betreft, weer (bijna) een heel jaar. In deze drie boekjes staan notities van de bovengenoemde soort.
Gerard van het Reve, die met de voornaam Simon in 1947 furore had gemaakt met de roman De avonden, komt voor in de feitelijke agenda. Maar hoe komt hij er in voor? Op 28 januari1949 bij voorbeeld staat de notitie: ‘½3 Simon v h Reve’. Niet vermeld wordt of dat overdag of ’s nachts is. Nog geen week later, op 3 februari, gaat Hermans bij Van het Reve eten, op 17 februari lijkt Hermans de gastheer voor eenzelfde afspraak, en op 8, 14 en 20 april komt Hanny Michaelis, met wie Van het Reve zijns ondanks eind 1948 getrouwd is, ook mee voor een etentje. Op 1 juli is er weer een avondafspraak: ‘half zes v.h. Reve’, op de achttiende van dezelfde maand staat in de agenda de raadselachtige mededeling ‘half vier Parkhotel’; twee dagen later is de mededeling nog summierder: ‘4 uur’.[3]
Hermans en Van het Reve hadden elkaar overigens al in 1947 leren kennen. De eerste vermelding in de agenda van Hermans van dat jaar is van dinsdag 2 september: ‘v.h. Reve opbellen’.[4] Tijdens de rest van 1947 en de eerste helft van 1948 zijn er om onbekende redenen weinig contacten in de agenda terechtgekomen, maar nadat Hermans vijf maanden in Newfoundland en Canada heeft gewerkt als houtcontroleur, is Van het Reve eind december 1948 een van de eerste personen met wie hij na zijn terugkeer een afspraak maakt. Op 29 december ontmoeten ze elkaar om ‘1 uur’ (weer is het niet duidelijk of dat ’s middags of ’s nachts is), en Oudjaar vieren ze samen.[5]
Maar het zijn niet alleen de vermeldingen in de agenda’s, er gingen ook, tussen 1947 en eind jaren vijftig, tientallen brieven heen en weer, die niet alleen van intieme vriendschap getuigen maar ook van geregelde irritatie, die uiteindelijk uitmondt in het verbreken van het contact door Hermans, terwijl Van het Reve nog een tijd doorgaat met het zoeken van toenadering.[6] Er zijn nog meer – en niet eens subtiele – aanwijzingen voor de zeer intieme relatie tussen de twee schrijvers. Zo waren de twee in 1950 – Van het Reve was, zoals we zagen, eind 1948 met Hanny Michaelis getrouwd en Hermans zou in de loop van 1950 in het huwelijk treden met Emmy Meurs – van plan samen een roman te schrijven over een stel waarvan de man onvruchtbaar is door een geslachtsziekte en impotent, waarna de vrouw een relatie krijgt met een lesbienne, die haar opstookt om de man te vermoorden. Zo’n boek kwam er niet, maar het is veelzeggend dat juist de brief waarin over dit plan wordt geschreven niet in de nagelaten papieren van de twee auteurs is bewaard, maar er kennelijk door Van het Reve uit is verwijderd.[7] En dan is er natuurlijk nog die reeks foto’s van Cas Oorthuys, die, sluw als een Sloveen,[8] de twee auteurs betrapte bij een Amsterdams urinoir. Het is niet verwonderlijk dat vooral Hermans in later jaren probeerde de publicatie van deze foto’s te verhinderen.[9] Maar hoe ver deze relatie ging en waartoe ze leidde is niet bekend.

Ter informatie

U denkt natuurlijk intussen: wat is hier aan de hand? Waarom wisten wij daar niet van? Waarom hebben de biografen van Hermans en Van het Reve [10] hierover gezwegen? Het antwoord is: omdat het niet waar is. Of, genuanceerder gezegd: er is waarschijnlijk geen reden om aan te nemen dat het waar is. Waarom dan dit verhaal? Omdat ik wil laten zien dat het mogelijk is een min of meer plausibel verhaal te vertellen zonder de feiten echt geweld aan te doen. Als het om twee onbekende auteurs zou gaan, zou u het allemaal voetstoots aannemen. De aanleiding is een passage in De mislukkingskunstenaar. Daar wordt gesuggereerd dat Willem Frederik Hermans in 1949 een kortstondige relatie had met de tekenares Fiep Westendorp (1916-2004). Het was een tijd dat de schrijver, volgens de biograaf, allerlei vriendinnen had, kort voordat hij zijn toekomstige vrouw Emmy Meurs ontmoette:
‘Maar voor dit het geval was, had hij nog een andere “kennis” van enig belang, een inmiddels tamelijk beroemde zelfs, Fiep Westendorp. / Fiep moet een frappante gelijkenis vertoond hebben met Juus Hartman: ook zij was ouder dan Hermans (van 1916), kunstenares en kwetsbaar. Tussen april en juni 1949 zagen ze elkaar met grote regelmaat. Fiep was bevriend met Roland Holst en Carmiggelt en maakte wekelijkse illustraties voor Vrij Nederland en Het Parool. In de agenda van 1949 (bij 10 mei, maar het hoeft niet die datum te zijn): “Tentoonstelling Fiep. Konijntje dat in giraffe klimt. Mannetje met koffer, kennelijk op reis. In z’n handen een ijzeren aquarium met twee vissen.” Hoe ver het ging en waartoe het leidde is niet bekend.[11]
Dat is alles. Meer over Fiep Westendorp staat er niet in De mislukkingskunstenaar, zelfs niet in voetnoten, want die ontbreken bij deze passage. U zult een paar zinnen uit het citaat herkennen, want ik gebruikte ze eerder in mijn fictie over de intieme relatie van de twee schrijvers hierboven. De vraag is nu: welke relatie heeft, letterlijk, de betere papieren? Wie is er nu beroemder, Gerard van het Reve of Fiep Westendorp? Welke regelmaat van ontmoetingen was nu groter, de drie of vier keer – want dat is de ‘grote regelmaat’ van de Hermans-biograaf – in negen weken[12] tegenover het dubbele aantal in dezelfde periode? En wat is meer: tientallen brieven in de loop van veertig jaar, of helemaal geen correspondentie?[13] En waar is het adres van Fiep in de agenda’s van Hermans, terwijl dat van Van het Reve er van 1948 tot 1956 wel in staat?[14]
Een biografie schrijven met literaire middelen is dus blijkbaar: fictie bedrijven met zogenaamde feiten die je ontleent aan slordig gebruikte bronnen, die je vervolgens naar je hand zet met suggestieve weglatingen en toevoegingen. De toelichting ‘een inmiddels tamelijk beroemde zelfs’ bijvoorbeeld betekent niets: Fiep Westendorp was niet ‘beroemd’ in 1949, dus de latere roem kan ook niets met de zogenaamde relatie te maken hebben. En wat staat er eigenlijk in de daaropvolgende zin? Leek Fiep nou op Juus (goed te controleren op foto’s – nee, zou ik zeggen)? Wie was er van 1916? Hoe weten we dat Fiep kwetsbaar was? Zijn kunstenaressen per definitie kwetsbaar? En waarom is het zo moeilijk om precieze mededelingen te doen, correct te citeren en goede bronnen te geven?[15]‘Hoe ver het ging en waartoe het leidde is niet bekend’ luidt de laatste zin van het citaat. Dat schrijf je alleen maar als je geen poot hebt om op te staan. En als je een biografie schrijft onder het motto ‘Alles mag, als het maar niet verveelt’.[16]

Ter overweging
En dan de moraal van dit verhaal, die helaas gepaard moet gaan met een paar open deuren. Het zou leuk zijn als ik nu kon zeggen: tijdens mijn studie, lang geleden, heb ik geleerd dat wetenschap een ernstige zaak is, dat je er niet met de pet naar moet gooien, dat je eerlijk moet zijn tegenover je onderwerpen, tegenover de bronnen van je onderzoek en over het werk van collega’s. Helaas kan ik me niet herinneren dat iets dergelijks ooit tijdens mijn studie aan de orde is gekomen. Pas heel laat begreep ik dat er integriteitscodes zijn waaraan je geacht wordt je te houden. Intussen had ik overigens van goede leermeesters wel begrepen hoe het moest.
Een van de wezenlijke aspecten van de wetenschap is de controleerbaarheid. In de recente publicaties en discussies over sloppy science aan Nederlandse universiteiten blijkt dat die mogelijkheid tot replicatie telkens weer een brug te ver is – en dat wil ook wel eens het geval zijn bij de een of andere biografie.[17] Precisie, nuance, eerlijke omgang met bronnen – ze zijn altijd nodig in de wetenschap en dus ook bij het schrijven van een wetenschappelijke biografie. Dat is ook het geval als je vindt dat het schrijven van een biografie geen wetenschap maar literatuur is. Daar komt in het hierboven geschetste geval nog bij dat het om een persoonlijke, intieme aangelegenheid gaat, een relatie namelijk, en dat de bronnen bij uitstek vertrouwelijke bronnen zijn: agenda’s, aantekenboekjes en brieven namelijk, die – daar kunnen we bij Hermans tamelijk zeker van zijn – nooit geschreven zijn met een later algemeen publiek voor ogen. Het gaat bovendien bij Hermans om een persoon die nog geen twintig jaar dood is; Fiep Westendorp overleed zelfs pas in 2004. Van de andere dames die in de biografie de revue passeren – zoals Puck, Nike, Olga, Genia, Albertien en de naamloze ‘vrouw van Schmitz[18] – leeft er zelfs op zijn minst één nog. En dan moeten we deze voor de hand liggende vraag nog stellen: zouden al die relaties standhouden als we de bronnen eens wat beter bekijken, als we dus aan replicatie gaan doen?
‘Romanschrijven is wetenschap bedrijven zonder bewijs’ noteerde Hermans in 1961 in zijn essay ‘Experimentele romans’.[19] Ter weerlegging van kritiek op zijn boek[20] schreef de Hermans-biograaf in 2014 dit: ‘Ik […] ben ervan overtuigd dat geschiedschrijving geen wetenschap is, maar literatuur met andere middelen. Het is literatuur mét bewijs, om op Hermans te variëren’.[21] Dat dit ‘bewijs’ voor de Leidse hoogleraar niet per se ook een echt bewijs hoeft te zijn, hebben we hierboven gezien. Hermans had intussen zijn toekomstige biograaf al in 1978 door. In een interview gaf hij nadere toelichting op zijn uitspraak uit 1961:
‘Wel kijk, echte wetenschap is wetenschap met bewijs. Maar ik heb gezegd: Romanschrijven is wetenschap bedrijven zonder bewijs’. Maar romanschrijven heeft deze analogie met de wetenschap dat het een gebeurtenis, een proces beschrijft. Bij romanschrijven is dat maar gedeeltelijk gebaseerd op waarneming. Het is ook een soort herscheppen van de wereld, want waarschijnlijk is het de diepste bedoeling van een romanschrijver God te zijn of God te vervangen, en een wereld te scheppen. Er zijn veel geleerden, die eigenlijk dezelfde mening zijn toegedaan. […] Maar het verschil tussen een romanschrijver en iemand die wetenschap bedrijft, is dat iemand die wetenschap bedrijft, tenminste als hij een goede wetenschapsbedrijver is, niet zijn best doet de resultaten te forceren.[22]
Zo is dat.[23]

Noten

Willem Frederik Hermans, Mandarijnen op zwavelzuur. Groningen [1964], p. 165.
2 Willem Otterspeer, De mislukkingskunstenaar. Willem Frederik Hermans. Biografie, deel I (1921-1952). Amsterdam 2013.
3 Agenda over 1949 (Letterkundig Museum Den Haag, archief-Hermans).
4 Agenda over 1947 (Letterkundig Museum Den Haag, archief-Hermans).
5 Agenda over 1948 (Letterkundig Museum Den Haag, archief-Hermans).
6 Zie Willem Frederik Hermans, Gerard Reve, Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel. Een briefwisseling. Nop Maas, Willem Otterspeer (eds.). Amsterdam 2008.
7 Zie Nick ter Wal, ‘Gegarandeerd motecht’. Op: https://artistiekbureau.com/2013/10/11/gegarandeerd-motecht/ (18 juni 2014).
8 Naar analogie van: ‘harteloos […] als een Italiaan’ (Otterspeer, De mislukkingskunstenaar, p. 709).
9 Zie Bertus G. Antonissen, Cas Oorthuys, Reve/Hermans. Een anekdote. Rotterdam 1988, en [anoniem,] ‘Hermans wil “melige” foto’s niet meer zien’. In: de Volkskrant, 26 februari 1988.
10 O.a. Nop Maas, Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven. 3 delen. Amsterdam 2009-2012.
11 Otterspeer, De mislukkingskunstenaar, p. 653.
12 Een bron ontbreekt opnieuw. Het is de eerder genoemde, ook echt als zodanig gebruikte agenda over 1949. Daarin komt Fiep vijf maal voor, waarvan één keer doorgestreept en één keer met vraagteken (en van die vijf maal één keer als ‘Fiepje’).
13 De Hermans-biograaf schermt (maar niet in zijn boek) met een brief (van Westendorp? Van Hermans?) en suggereert dat die iets over de relatie zou zeggen. Zie Willem Otterspeer, ‘Max Pams te vroeg verschoten zaad bestaat uit één deel rancune en twee delen roddel’. In: de Volkskrant, 20 mei 2014. Maar ik beweer: zo’n brief bestaat niet, want dan was hij als bron in de biografie onmisbaar geweest. In het Hermans-archief bevindt deze brief zich in elk geval niet.
14 Agenda’s over 1948-1956 (Letterkundig Museum Den Haag, archief-Hermans).
15 Het citaat is niet, zoals de Hermans-biograaf suggereert, afkomstig uit ‘de agenda’ van 1949, maar uit een van de genoemde drie aantekenboekjes van dat jaar. Op een pagina met de doorgestreepte datum 20 april staat: ‘10 Mei. Tentoonstelling Fiep. Konijntje dat in een giraffe klimt. Mannetje met koffer, kennelijk op reis. In z’n handen een ijzeren aquarium met twee vissen’. De tentoonstelling van werk van Fiep Westendorp vond overigens van 10 mei tot 7 juni 1949 plaats in de toonzaal van C.G.A. Corvey Papiergroothandel aan de Keizersgracht 289 in Amsterdam. De uitnodiging ervoor is afgebeeld in Gioia Smid, Aukje Holtrop (red.), Getekend: Fiep Westendorp. Amsterdam, Antwerpen 2003, p. 42. De tekening van de man met de koffer en het aquarium is afgedrukt in: Henriëtte van Eyk, Van huis tot huis. Amsterdam 1949, p. 18. Met dank aan Bram Oostveen.
16 Otterspeer, De mislukkingskunstenaar, p. 11.
17 Aardige, ook goed elders te gebruiken uitspraak van de Tilburgse econoom Harry Verbon over het omstreden proefschrift van Karima Kourtit (Vrije Universiteit, Amsterdam): ‘Vooral het ontbreken van de gegevens waarop de resultaten zijn gebaseerd is uiterst hinderlijk. Inderdaad, op deze manier kan de auteur ons van alles op de mouw spelden’. Geciteerd in: Frank van Kolfschooten, ‘VU zet omstreden promotie door’. In: NRC Handelsblad, 21/22 juni 2014, Wetenschapsbijlage, p. 8.
18 Sic. Otterspeer, De mislukkingskunstenaar, p. 431. De vrouw van de acteur Johan Schmitz was de actrice Reny Knufman.
19 Willem Frederik Hermans, ‘Experimentele romans’. In: Het Vaderland, 29 maart 1961, gebundeld in: id., Het sadistische universum. Amsterdam 1964, nu in: id., Volledige werken, deel 13. Amsterdam 2008, p. 123-128, citaat 126.
20 Bijvoorbeeld van Max Pam, ‘Hermans-biografie is bevreemdend en nauwelijks toegankelijk’. In: de Volkskrant, 20 november 2013; zie ook: Jan Gielkens, Peter Kegel, ‘Een “met zorg geschreven boek”? Over De mislukkingskunstenaar van Willem Otterspeer’. Op: http://www.wfhermansvolledigewerken.nl/?p=1576, gepubliceerd op 13 maart 2014, en Max Pam, ‘De Hermans-biografie moet over!’ In: De Groene Amsterdammer, 2 april 2014.
21 Willem Otterspeer, ‘Fout(jes) in vredestijd’. In: De Gids, 8 april 2014.
22 Willem M. Roggeman, ‘Gesprek met Willem Frederik Hermans’. In: De Vlaamse Gids, 62 (1978), afl. 5, p. 4-20. Herdrukt in: Frans A. Janssen (ed.), Scheppend nihilisme. Interviews met Willem Frederik Hermans. Amsterdam 19833, p. 315-334, citaat 315.
23 De meeste door wetenschappers geschreven biografieën van de laatste jaren geven overigens weinig reden tot klagen over precisie, nuance, goed bronnengebruik enzovoorts. Plaatsvervangend voor al deze goede levensbeschrijvingen wil ik één uitzonderlijke noemen: Henk Nellen, Hugo de Groot. Een leven in strijd om de vrede 1583-1645. Amsterdam 2007.

*

Deze tekst verscheen eerder in november 2014 al bijdrage aan een feestbundel voor Henk Nellen: Jos Gabriëls e.a. (red.), In vriendschap en vertrouwen. Cultuurhistorische essays over confidentialiteit. Hilversum: Verloren, 2014, p. 64-71. De tekst bleef onveranderd, maar ik heb de redactie van de noten enigszins gewijzigd en een verlopen weblink aangepast. Bij de boekpublicatie was een van de genoemde foto’s van Cas Oorthuys afgedrukt; dat hier ook doen zou geld kosten, maar de foto’s zijn op het internet te vinden. Lees vooral ook mijn een jaar geleden verschenen Jan Gielkens, ‘“Het staat er echt.” Over biografieën, bronnen en boerenbedrog’. In: Max Pam, Hans Renders, Piet Schreuders (red.), Het motorzijspan van Willem Frederik Hermans. Amsterdam: Mokken Boeken, 2015, p. 162-185. T.z.t. in dit theater.


maandag 29 augustus 2016

When I’m Sixty-Four


Het zou mooi zijn, zeker op een dag als vandaag, om te kunnen beweren dat ‘When I’m Sixty-Four’ van de Beatles mijn eerste single was, maar dat is niet zo. Ten eerste is dat nummer nooit op single uitgebracht (het stond op de lp Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band uit 1967), en ten tweede had ik al veel eerder mijn eerste Beatles-singles. Op het moment dat ik met grote stelligheid wil opschrijven welke dat waren, ga ik twijfelen, ook over de vraag of ik nu naar de zolder moet klimmen om te kijken of daar het antwoord ligt. Toch maar niet, want ik wil het eigenlijk hebben over mijn echte allereerste grammofoonplaatje, en dat was geen Engelstalige popmuziek.

Mijn eerste single kwam, in 1962, uit Duitsland, en dat is niet zo vreemd als je in de Oostelijke Mijnstreek woont en Duitse familie hebt. Die Duitse familie kwam af en toe, op feest- en verjaardagen, over de grens, en het moet een van de Duitse tantes of oudtantes van mijn moeder geweest zijn die in bontjassen of met een dode vos om hun hals het huis kwamen binnenzeilen en cadeautjes bij zich hadden. Mijn moeder (96) doet de suggestie dat het wel eens tante Adelgunde (in de wandeling Jönne genaamd) geweest zou kunnen zijn. Ik heb geen herinnering aan haar, maar ik hoop wel dat ze het was, want Adelgunde is een prachtige naam voor een tante met een vossenstola in een verhaal als dit.

Er was al, maar nog niet zo lang, een grammofoon in huis, en ook wat platen, vooral singles. Maar die waren van het hele gezin, niet van mij alleen. ‘O sole mio’ van de Italiaanse kinderster Robertino bijvoorbeeld, met op de andere kant ‘Mamma’. Die single is uit 1961. Zeven jaar later maakte Heintje Simons (met wie ik de geboorteplaats en zelfs de geboortewijk deel) van dat laatstgenoemde lied met een m minder in de titel een wereldhit. Een hit was het plaatje dat ik cadeau kreeg niet. Ergens op het internet vind ik dat het in 1962 één week in de Duitse hitparade stond, de hoogste plek was de vijftigste. Het verbaast me niets.
Maar tante Adelgunde vond de door het duo ‘Karl und Emil’ gezongen liedjes ‘Wer mir sagt, beim Militär ist’s schön…’ en ‘Du Dussel, das heißt doch nicht Karussell’ wel iets voor mij. En ik denk dat de negen- of tienjarige ik ze eigenlijk ook wel leuk vond. Ik was tenslotte aan het opgroeien met vooral Duitse televisie met zijn Duitse films, Duitse muziek, Duitse humor en Duitse sport. Zo’n woordspeling als die met dat ‘Dussel’ en ‘Karussell’ was gesneden koek voor me, en misschien legde ze wel het fundament voor de nu nog aanwezig neiging om heel erg flauwe woordgrappen te maken. En het zou mooi zijn om te beweren dat het liedje op de andere kant van het plaatje de basis heeft gelegd voor een latere antimilitaristische levenshouding. Maar dat ligt, nu ik het liedje na ruim vijftig jaar weer eens heb beluisterd, niet voor de hand. Ik kan ook niet doen alsof, want wie wil kan de beide liedjes op het internet vinden. Er zijn namelijk, curieus genoeg, meer exemplaren van mijn plaatje overgeleverd, en er zijn verzamelaars die de moeite nemen om op Youtube tientallen, honderden, duizenden van dit soort plaatjes op een pick-up te leggen en af te spelen.
Hier staat het liedje over de sufferd en zijn draaimolen: https://www.youtube.com/watch?v=qLPE9lNcsHI


En hier dat over de vrolijke Duitse soldaten: https://www.youtube.com/watch?v=qLPE9lNcsHI