dinsdag 17 oktober 2017

Ingeblazen

Er was Marché Royal in de Haagse binnenstad afgelopen zondag: een hoop kraampjes, Franse chansons uit de luidsprekers en ergens een plukje Franse oldtimers. Een van die auto’s was een Panhard et Levassor X72 uit 1933.

Dat stond te lezen in een informatiebriefje op een van de ruiten van de auto.
Mooie wagen, maar ik vond het briefje even interessant. Ik dacht bij het lezen van zoveel spontane meertaligheid meteen – ik ben immers de beroerdste niet –: soms is het misschien toch aan te raden een online vertaalmachine te gebruiken,

Om dat voor mezelf te bewijzen stopte ik de zin ‘Deze auto is in de tweede wereldoorlog ingemetseld om uit handen van de Duitsers te blijven’ in Google Translate, en dit was, na drie van zulke acties, het resultaat:

This car was embedded in the Second World War to stay from the hands of the Germans.

Dieses Auto war im Zweiten Weltkrieg eingebettet, um den Deutschen zu überlassen.

Cette voiture a été intégrée dans la Seconde Guerre mondiale pour rester entre les mains des Allemands.

Twee oplossingen willen dus het tegendeel van wat de voormalige eigenaar van de auto voor ogen had.

Maar ik ben nog steeds niet de beroerdste en denk: misschien ligt het aan dat ‘te blijven’ op het eind van de Nederlandse zin. Misschien komt het in orde als ik een iets correctere zin maak, met ‘te houden’ op het eind. Maar nee. Dit is het drievoudige resultaat met de nieuwe zin:

This car was embedded in the Second World War to be held by the Germans.

Dieses Auto wurde im Zweiten Weltkrieg von den Deutschen gehalten.

Cette voiture a été intégrée dans la Seconde Guerre mondiale pour être tenue par les Allemands.

Nu krijgen de Duitsers de auto dus in elke taal in handen, en ze hoeven er niet eens drietalig metselwerk voor af te breken.

Nog maar een Google-vertaaloefening dan. Wat gebeurt er als je de Franse zin van meneer of mevrouw Breed door google in het Nederlands laat vertalen? Dit:

Deze auto werd omwenteld tijdens de Tweede Wereldoorlog om het te redden van de Duitse troepen.

De Duitse zin van het informatiebriefje levert via de googlemachine in het Nederlands dit op:

Deze auto was in de Tweede Wereldoorlog ommuurd om niet te worden gevraagd.

Wat Google Translate met het Engels doet kan ik niet eens beredeneren:

Deze auto werd ingeblazen tijdens de tweede wereldoorlog om het uit de handen van de Duitsers te houden.

zondag 15 oktober 2017

Origineel omslag [2013]


Catawiki is de snel groeiende website voor verzamelaars van wat dan ook. Je kunt er informatie vinden, je kunt er met medeverzamelaars in contact komen, en je kunt er kopen en verkopen. Sinds een tijdje zijn er ook veilingen. Het begon met strips en postzegels, tegenwoordig lopen er elke werkdag een paar veilingen af, nog steeds van strips en postzegels, maar ook van kunst, wijn, curiosa, speelgoed, platen, munten en boeken. Het zijn niet per definitie beroepshandelaren die dat allemaal aanbieden, en de beschrijvingen van de boeken laten dan ook nog wel eens te wensen over. Een woord als ‘kaft’ bijvoorbeeld komt me nog een beetje te vaak voor waar een band of een omslag bedoeld is.

Soms zie je aan een beschrijving van een lot dat de handelaar maar wat doet. Deze week biedt een Vlaamse verkoper het ‘Corman handboek van merktekens en monogrammen’ aan, in 2 delen, ‘1953, Frankrijk’. Het is volgens de omschrijving een ‘Zeldzaam Franstalig handboek deel 1 en 2 voor het opzoeken van merktekens en monogram’s op porselein -keramiek en faiences. Geïllustreerd met 4000 merktekens per boek – orginele omslag.’ Dat ‘orginele’ omslag is het interessantst aan deze boeken. De handelaar geeft ook een foto van wat hij vermoedelijk met dat ‘orginele omslag’ bedoelt. Maar het zijn niet de originele omslagen van het boek die hij laat zien. Ik heb zo’n omslag namelijk ook. Dit is het:
Het zit bij mij niet om het ‘Corman handboek van merktekens en monogrammen’, maar om Die malle kat, een Elsevier-pocket uit 1964 met onbegrijpelijke kattenhumor. Ik kocht dat boekje onlangs tweedehands, niet om het boek (want ook als het begrijpelijke kattenhumor was geweest had ik het niet gekocht), maar om het omslag. Hoe zit dat? In Oostende, Het Zoute en Brussel had je, toen dit omslag werd verspreid, de vermaarde boekhandel Corman, die er overigens in Oostende en Het Zoute (nu Knokke-Heist) nog steeds is.
Oprichter Mathieu Corman (1901-1975) bedacht dat hij reclame voor zijn winkels kon maken op beschermende omslagen die hij om verkochte boeken deed. Het idee had hij vermoedelijk uit Frankrijk: daar maakte bijvoorbeeld A.M. Cassandre een ontwerp voor zo’n omslag. Voor het omslag van Corman maakte de Franse, veel in Oostende werkende schilder Félix Labisse een tekening, die het handelsmerk van Corman werd.
Het ‘Corman handboek van merktekens en monogrammen’ bestaat dus niet. Wat de Vlaamse handelaar incompleet aanbiedt is het driedelige werk Les poteries, les faïences en les porcelaines Européennes, in 1953 en 1954 in Parijs verschenen en her en der te koop op wereldwijde boekenverkoopsites. Een reprint uit 1997 is bij een Nederlandse handelaar te bestellen voor € 20. Met nog vier dagen te gaan op het moment dat ik dit schrijf staat de prijs op Catawiki op € 6, en dat is een leuke prijs voor die twee omslagjes.

Literatuur over Corman:

Roger Tavernier, ‘Mathieu Corman: boekhandelaar, globetrotter, reporter’. In: De Brakke Hond, 11 (1994), afl. 44, p. 48-76.
- Roger Tavernier, ‘Mathieu Corman: boekhandelaar, globetrotter, reporter’. In: Kruispunt, 40 (1999), afl. 181, p. 58-123.
- Frank Okker, ‘Brandbom tussen de boeken. Mathieu Corman, gedreven literator’. In: De Parelduiker, 7 (2002), afl. 1, p. 37-45

Eerder, op 24 juni 2013, verschenen op www.textualscholarship.nl en hier ongewijzigd gepubliceerd. De tekening van Labisse staat als logo op de gevels van de Corman-winkels. Opvallend is hoe snel Catawiki gegroeid is: vergelijk mijn tekst met de huidige omvang via de link. Het aantal amateurs en bijbehorende rammelende beschrijvingen is helaas ook toegenomen. De in 2013 aangeboden boekjes werden, volgens de vreemde logica van de veilingwereld, verkocht voor € 69, exclusief 9% opgeld.

maandag 2 oktober 2017

Veelvuldige katers [2010]


In zijn ‘Literaire kroniek’ in de ‘Republiek der letteren & schone kunsten’ op www.vn.nl besteedde Carel Peeters aandacht aan de eind november 2010 gelanceerde website www.mennoterbraak.nl, die ons op den duur de volledige Ter Braak moet gaan bieden. ‘Waarin Menno ter Braak zijn digitale opstanding beleeft’ heet de aflevering. Peeters doet op de website allerlei ontdekkingen (want er is veel tot nu toe onbekends te vinden) en hij citeert ook het een en ander. Zoals enkele zinnen uit een brief van Johan Huizinga aan Ter Braak: ‘Ik ben een buitengewoon probleemloos mensch altijd geweest en gebleven. Ik wandel eigenlijk maar door mijn geestelijk bestaan als door een tuin.’ De gemakkelijkste manier om uit digitaal gepresenteerde teksten te citeren is natuurlijk knippen en plakken, maar dat doet Peeters niet. Hij tikt de twee zinnen over en maakt er dit van: ‘Ik ben een buitengewoon probleemloos mensch. Altijd geweest en gebleven. Ik wandel eigenlijk maar door mijn geestelijk bestaan als door een tuin.’ Twee zinnen zijn er pardoes drie geworden.

Nog een citaat van Peeters, nu uit een brief van Ter Braak aan zijn vrouw Ant Faber (nadat Ter Braak een lezing heeft gehouden): ‘Het spreken is de prostitutie van de intellectueel, met geldelijke voordelen, het kortstondige genoegen (heel soms) en de veelvuldige katers van genoemd bedrijf. Ditmaal had er ik wel plezier in.’ Maar bij Ter Braak staat dit: ‘Het spreken is de prostitutie van den intellectueel, met de geldelijke voordeelen, het kortstondige genoegen (heel soms) en de veelvuldige katers van genoemd bedrijf. Ditmaal had ik er wel pleizier in.’ Hier, anders dan in het andere citaat, moderniseert Peeters (‘den intellectueel’ wordt ‘de intellectueel’ en ‘voordeelen’ wordt ‘voordelen’), en hij verandert ‘pleizier’ in ‘plezier’ en zal dat ook wel moderniseren noemen. Het heeft wat weg van de manier waarop Willem Frederik Hermans – leuk om hem nog even te noemen in een stukje over diens pet hate Ter Braak – citaten aanpaste aan zijn eigen regels.

Overtikken is, als je het transcriberen noemt, een van de belangrijkste activiteiten wanneer je teksten leesbaar wilt presenteren, of het nu in een papieren wetenschappelijke editie is of in een digitaal webarchief zoals dat van Menno ter Braak. Als we ons tot de brieven beperken, dan zijn er voor deze website vierduizend transcripties gemaakt, sommige al lang geleden voor bijvoorbeeld de briefwisseling met Ed. du Perron (bijna 1200 stuks), sommige door Léon Hanssen in het kader van zijn biografieproject, andere speciaal voor deze website. Ik schreef hierboven: ‘Bij Ter Braak staat dit’, en in de twee geciteerde Peeters-gevallen betekent dat: in de transcriptie én in het origineel (beter: het facsimile ervan) dat op www.mennoterbraak.nl bij de transcriptie is afgedrukt. En dat is natuurlijk de bedoeling: dat een transcriptie een getrouwe weergave is van de tekst van het origineel.

Ik zou die citaatcontrole bij Carel Peeters niet hebben uitgevoerd als ik niet wantrouwig was geworden bij het bekijken van enkele brieven. Er is namelijk het een en ander mis met de getrouwheid van de weergave ervan. Ik begon mijn leestocht, uit persoonlijke belangstelling, bij een brief van Klaus Mann aan Ter Braak. Het is er een van 27 juni 1935, en de brief is getypt op briefpapier van het exiltijdschrift Die Sammlung. Wat is er mis met deze transcriptie? Op het eind ontbreken bijvoorbeeld twee zinnetjes, bovendien verbleef Klaus Mann in Sils-Baselgia en niet -Baselga, en ook het gedrukte briefhoofd wordt niet vermeld. En dan nog dit: bij de namen in de brief kun je doorklikken naar een ‘MennoterBraak-Web-Encyclopdie’. Behalve die ontbrekende e is er nog wel meer mis met dit nuttig bedoelde instrument. Wie op Braak doorklikt bijvoorbeeld komt in een leeg schermpje terecht. Wie wil weten wie Klaus Manns door zelfmoord overleden vriend René Crevel was en op Crevel doorklikt komt in een schermpje waar je kunt kiezen uit Hans van Crevel, Max van Crevel, René Crevel en Caroline Helen Ruth van Crevel-van Oss. En wie op Mann doorklikt heeft de keuze uit zes leden van de familie Mann, maar ook uit Karl Mannheim en Gerrit Mannoury. Maar het wordt nog gekker: Klaus Mann (of was het Gerrit Mannoury?) verbleef in Sils-Baselgia in Haus Salis, en op dat ‘Haus’ kan ook worden doorgeklikt: het blijkt de acteur Johan Haus (1870-1943).
Klaus Mann
Erika Mann
Gerrit Mannoury

Elders neemt het doorklikken soms nog genantere vormen aan: in de brieven van Willem Elsschot aan Ter Braak vindt wie doorklikt op de naam Elsschot de biografie van de echte bezitter van dat pseudoniem: Alfons De Ridder, en zo ondertekende Elsschot zijn brieven ook. Maar als je dan op dat De Ridder doorklikt raak je verzeild in de doopceel van Elsschots collega André de Ridder. Wat hier mis is, is duidelijk: gebrekkige digitale techniek gecombineerd met een gebrekkige eindredactie.

Terug naar de transcripties en naar de familie Mann. Klaus Mann gebruikte een schrijfmachine, maar zijn zus Erika schreef haar ansichtkaart van 15 juli 1935 aan Ter Braak met de hand. In de transcriptie van deze briefkaart is die datum tussen teksthaken gezet, want hij is geconcludeerd uit het frankeerstempel. En zo hoort het ook. Maar eigenlijk moet je dat dan ook doen met de plaats van verzending, want ook die is alleen te concluderen uit het stempel. Wat is er verder nog over deze 47 woorden tellende tekst te vertellen? Er is bij het overtikken ergens een komma verdwenen, ‘ihren’ moet ‘Ihren’ zijn en ‘Entsetzlichen’ ‘Europäischen’. Dat verkeerde ‘Entsetzlichen’ staat, net als het correcte woord ‘habe’ elders, tussen teksthaken, maar de functie van die haken is mij niet duidelijk. Ze staan niet in het origineel. Zouden ze betekenen dat de betreffende woorden moeilijk leesbaar waren? Dan zou een vraagteken op zijn plaats zijn geweest en ergens op de website ook een verklaring van het gebruik van zaken als teksthaken. Zo’n – absoluut noodzakelijke – uitleg heb ik nergens kunnen vinden. Er staat alleen in de algemene inleiding op de brieven: ‘Om een goed leesbare tekst te verkrijgen hebben de bezorgers van de brieven een aantal ingrepen gedaan.’ Maar: wie ingrijpt moet ook uitleggen hoe en waarom.

Handschriften ontcijferen: dat kan af en toe best moeilijk zijn, maar voor met de schrijfmachine geschreven brieven geldt dat excuus nauwelijks. De Duitse schrijver Rudolf Binding schreef op 15 december 1933 zo’n getypte brief aan Ter Braak. Binding protesteerde op drie getypte kantjes tegen een zeer onvriendelijke recensie van Ter Braak (die je overigens zelf moet gaan zoeken op de website, terwijl je toch een link zou verwachten). Ik heb voor deze brief van drie kantjes zesentwintig voorstellen voor wijzigingen: er ontbreken komma’s en er moeten komma’s weg, er ontbreekt een groot aantal Umlauten, hoofdletters moeten kleine letters worden en andersom, een stuk of wat woorden zijn incompleet. Een getypte brief als deze zou probleemloos over te tikken moeten zijn, en daarom is mijn diagnose opnieuw: hier heerst op zijn minst redactionele onverschilligheid. En ook bij deze brief gaat de encyclopdiefunctie weer mis: wie Maurice Roelants is komen we zonder problemen te weten, maar wanneer Binding de naam in zijn opwinding als Roelant spelt is er geen link meer. Daar staat tegenover dat, wanneer Binding ergens geen ‘Grund’ zegt te hebben om Ter Braak zijn boeken te sturen, we de informatieve ‘biografie’ gepresenteerd krijgen van ene K. Grund: ‘geboren: onbekend / overleden: onbekend / beroep: onbekend’. Wanneer Binding iemand een ‘anständige[r] Mann’ vindt, krijgen we opnieuw de hele familie Mann, Karl Mannheim en Gerrit Mannoury op bezoek.

Bij Rudolf Binding blijkt nog een ander probleem: de kwaliteit van de informatie die in de biografietjes in de ‘MennoterBraak-Web-Encyclopdie’ wordt verstrekt. Dat gebeurt soms in eigen tekstjes van de redactie, maar veel vaker via links naar bestaande biografietjes, bijvoorbeeld naar Wikipedia. Bij Binding staat een link naar het Engelstalige Wikipedia-lemma over hem, en dat is een lemma van een paar regels. Daarin staat niet wat in de lange Duitse Wikipedia-levensschets staat, namelijk dat Binding geen probleem had met het Duitse nationaalsocialistische regime, en dat is voor het goede begrip van de briefwisseling tussen Ter Braak en Binding toch een cruciaal feit. Een soortgelijk geval, qua collaboratie en qua biografische informatie, is Henrik Scholte. Over hem wordt in een redactionele tekst verteld: ‘Na de oorlog trekt hij zich uit de film en de letteren terug en wordt hij bij de KLM secretaris van de persdienst.’ Maar dat hij zich overal uit moest terugtrekken omdat hij voor de bezetter had gewerkt wordt niet vermeld. In een brief van Ter Braak aan Scholte van 25 augustus 1930 worden we overigens ook weer op een andere manier het bos ingestuurd. Ter Braak vraagt aan Scholte: ‘Kan ik de uitgenoodigden [d.w.z. mogelijke medewerkers aan het jaarboek Balans; JG] opgave van honorarium verstrekken […]?’ Wie is toch die Kan, vroeg de digitale Mennoterbraakwebencyclopdiegenerator zich af? Inderdaad: het is Wim Kan.

Het is niet moeilijk om bij het raadplegen van www.mennoterbraak.nl permanent in een deuk te liggen vanwege dit soort gebreken, maar al snel gaat de ergernis overheersen. Want wat is de informatieve waarde van al deze documenten, wanneer je er niet van op aankunt dat je betrouwbare teksten en informatie krijgt voorgeschoteld? Het kan er allemaal wel gelikt uitzien, maar dat helpt niet als dat wat wordt gepresenteerd onder de maat is. Het zou toch zo moeten zijn dat elke gebruiker van een website als deze, of het nu wetenschappers zijn, ‘gewone’ lezers of toevallige bezoekers, recht heeft op correcte informatie. Wie als maker van zo’n website niet de intentie of het talent heeft om dergelijke informatie aan te bieden moet iets anders gaan doen en het foute overtikken overlaten aan journalisten.

Eerder, op 13 december 2010, gepubliceerd op www.textualscholarship.nl en hier minimaal redactioneel gewijzigd. Van de redactie van www.mennoterbraak.nl heb ik nooit iets gehoord, maar na mijn stuk is wel het een en ander aangepast. De doorlinkfunctie naar namen is al snel verdwenen.

woensdag 13 september 2017

Schijtlijsters

Ik begon ooit een column (nu ook te vinden op mijn blog, link volgt hieronder) met de volgende zin: Er zijn nog steeds Nederlanders die van Duitsers van nu de fiets van hun grootvader terug willen. In een ik-verhaaltje op de Achterpagina van NRC Handelsblad hoort een lezer of lezeres (ik heb het artikeltje even niet bij de hand) hoe de ene Duitser tegen de andere het woord “Mensch” zegt. En ja hoor: de gedachten gaan meteen terug naar de bezetting, toen hij of zij ook een keer de ene Duitser tegen de andere dat woord hoorde bezigen. De moraal van het verhaal, zo lijkt het: Duitsers kunnen maar beter hun mond houden.’ Het stuk ging verder, vooral met een educatief oogmerk, over het zotte van het gebruik van zogenaamd ‘Gotische’ schrift voor een aankondiging in de VPRO-gids van een tv-documentaire over Mein Kampf, maar wat mij betreft verschilde het niet veel van dat ‘Mensch’-verhaaltje. Allebei de gevallen documenteren wat mij betreft de vanzelfsprekendheid waarmee ‘Duitsland’ nog steeds wordt gereduceerd tot één aspect van de geschiedenis van dat land, ook op een moment dat mensen gewoon hun eigen taal praten.

Ik constateer dat soort dingen wel vaker, maar dan vindt mijn omgeving dat ik overdrijf en dat Nederlanders toch echt niets meer tegen Duitsers hebben. En dan onderdruk ik voor de zoveelste keer mijn neiging om er iets over op te schrijven. Maar soms moet het toch even, zoals nu. Op maandag 4 september j.l. werd het BNNVARA-programma De Nieuws BV (elke werkdag tussen 12.00 en 14.00) vanwege het begin van het nieuwe schooljaar gepresenteerd vanuit een basisschool. Onderdeel van deze uitzending was, bijna op het eind, een nieuwsquiz voor leerlingen en leerkrachten. Een vraag aan de leerlingen ging over de aanstaande Duitse verkiezingen en luidde ongeveer zo: ‘Wie gingen er gisteren met elkaar in discussie, waren dat Angela Merkel en Martin Schulz, of Mieke van der Weij en Peter de Bie.’ Humor. Niet om te lachen was, dat de namen van de twee laatste personen normaal werden uitgesproken, de namen van de Duitse politici daarentegen heel hard, blaffend, zoals in een B-film een slechte imitatie van een Duitse soldaat uit de Tweede Wereldoorlog ‘Ausweis’ of iets dergelijks brult. Dat is al niet grappig wanneer het grappig bedoeld is, laat staan met basisschoolkinderen als publiek.

Ik dacht dus meteen: ik vraag per email de redactie van De Nieuws BV om opheldering. Geen antwoord. De volgende dag herhaalde ik mijn vraag. Weer geen antwoord. Op woensdag ben ik maar eens gaan bellen met de omroep zelf. Eerst kreeg ik een uiterst verveelde telefoniste aan de telefoon, die na een minuutje zoeken verklaarde dat niemand bereikbaar was om mij te woord kon staan. Ik suggereerde dat de juridische afdeling misschien een goed idee was, want het ging toch om een potentiële klacht wegens belediging, of de persafdeling, en dat laatste vond ze wel een idee. De volgende die ik aan de lijn kreeg was een dame die, na mijn uitleg, het programma niet bleek te kennen waarover ik belde, ze was er nog maar net, zei ze, toen ik mijn verbazing daarover uitte. Ze ging overleggen met een collega, maar ze hield haar hand niet goed genoeg op haar microfoontje, zodat ik die collega de woorden ‘een beetje overdreven’ hoorde zeggen. De juffrouw meldde zich weer, noteerde mijn telefoonnummer en beloofde dat ik teruggebeld zou worden. Maar dat gebeurde natuurlijk niet.

Gisteren, een week na de uitzending, heb ik weer eens gemaild, maar ik kreeg opnieuw geen antwoord. Nu ga ik maar eens aan de omroepombudsman schrijven.

Een ander BNNVARA-programma, het consumentenprogramma Kassa, heeft de ‘Schijtlijster Trofee’ in het leven geroepen, voor instanties of organisaties die weigeren, tijdens de uitzending uitleg te komen geven over klachten. Ik ga, nadat ik de omroepombudsman heb geschreven, eens kijken of ik De Nieuws BV hiervoor kan nomineren. Wanneer een bedrijf of een instantie bij Kassa niet komt opdagen, betekent dat over het algemeen dat de klacht terecht was. Daar ga ik dus bij mijn klacht ook maar van uit.

Dit is de link naar mijn eerdere stuk: http://jangielkens.blogspot.nl/2016/06/slecht-geschreven-2011-erzijn-nog.html

[Ook op Facebook, 13 september 2017]

maandag 11 september 2017

Russische notities: niet aanwezig [2010]


Charles B. Timmer (1907-1991), vooral bekend als vertaler uit het Russisch en publicist over Russische literatuur, was veel meer dan dat: hij schreef zelf poëzie en romans, en hij was als zoon van een houthandelaar ook in die sector werkzaam. In 1948 haalde hij zijn vriend Willem Frederik Hermans over om houtcontroleur te worden in Canada en Newfoundland (dat toen nog net geen Canadese provincie was). Hermans hield het vijf maanden uit. Op latere leeftijd ging Timmer nog werken op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (iisg) in Amsterdam. Hij was daar verantwoordelijk voor de publicaties en ook nog tijdelijk adjunct-directeur.
Dat was hij toen ik begin 1978 op de Duitse afdeling van het iisg ging werken. Timmer was toen dus 70, en hij zou nog een paar jaar op het instituut blijven. Omdat ik al snel in de Instituutsraad van het iisg terechtkwam, kreeg ik met hem te maken, en de jeugd en de ouderdom botsten nogal eens. Ik wond me tijdens vergaderingen altijd op over zijn gezucht, dat ik als afwijzende reactie op mijn meningen interpreteerde. Pas toen ik na een verhuizing een paar kamers bij hem vandaan kwam te zitten, begreep ik dat hij altijd zo zuchtte, ook als hij niet vergaderde en alleen op zijn kamer zat, gewoon omdat hij als zeventiger wat minder lucht had.

Wanneer Timmer precies bij het iisg vertrok weet ik niet meer, maar het zal rond 1983 zijn geweest. Het was namelijk niet al te lang nadat ik samen met Ton Naaijkens in 1982 negen gedichten van de Duitse dichter Ernst Meister (1911-1979) had vertaald voor Tirade. Timmer sprak me daar op aan en hij vroeg de originele bundels van Meister te leen, uit belangstelling voor diens mooie gedichten over de dood wellicht, maar misschien ook wel om de vertaling te controleren.

Voor het eerste motief spreekt het feit dat Timmer later in De Tweede Ronde nog enkele indrukwekkende gedichten over het thema dood zou publiceren, voor het tweede zijn controlezucht en correctiedrift. Hij was tenslotte houtcontroleur, vertaler en redacteur. Uit Timmers laatste periode op het iisg herinner ik me het profiel dat hij voor zijn opvolger als hoofd publicaties schreef: het was vele pagina’s lang en vol functie-eisen als de actieve beheersing van een groot aantal talen, waaronder Russisch en Fins, en de passieve kennis van nog vele, vele andere. Aan het profiel, ik zou het graag nog eens lezen, was vermoedelijk alleen door Timmer te voldoen.
Toen Charles Timmer bij het iisg vertrok, liet hij een kast vol drukwerk achter, waaruit de collega’s van de Slavische afdeling de eerste keus hadden. Daarna waren anderen aan de beurt. Ik nam een stapeltje Tirades mee en wat ander drukwerk, allemaal met sporen van de voormalige eigenaar (en af en toe ook van de toenmalige directeur van het iisg, Rein van der Leeuw, die, veronderstel ik, nieuw verschenen Tirade-afleveringen te leen kreeg). Van Timmers redactionele jagersoog zijn in de Tirades allerlei sporen te vinden. In het zomernummer van 1977, waarvan weinig bijdragen een redacteur hebben gezien, streept hij bijna alles aan, in nummer 272/273 van januari/februari 1982 in een essay van H.A. Gomperts niets, behalve een behoorlijke stilistische uitglijder. In aflevering 224 van april 1977 onderstreept hij met rode balpen een verkeerde o in Majokovski en zet hij een vraagteken in de marge, in een Majakovski-vertaling in hetzelfde nummer corrigeert hij een drukfout en in het nawoord van de vertaler, Marko Fondse, verandert hij de sterfdatum van Vladimir Majakovski’s collega Sergej Jessenin van 27 in 28 december. Timmer was graag precies.

Maar niet alleen drukfouten streepte Timmer aan, ook denkfouten. Vier van de tien Tirade-afleveringen die ik indertijd meenam zijn uit 1982, en dat was nou juist het jaar dat Jacques Hamelink en Floris Cohen nieuw in de redactie kwamen naast Herman Verhaar. Uitgever Geert van Oorschot, de ‘tiran van Tirade’ (zo heet een artikel van Ad Fransen in het Van Oorschot-nummer van Zacht Lawijd uit 2005), had zich in 1981 teruggetrokken. In de eerste aflevering onder het nieuwe regime, het al genoemde nr. 272/273, krast Timmer heftig in het programmatische ‘Aan de lezer’-tekst van Verhaar.
‘Russische notities’ heette Timmers vaste rubriek in Tirade sinds 1963 (als ik het goed zie in de onoverzichtelijke Tirade-monografie van Ton Velthuysen uit 1986). Het leuke van de Tirades van Timmer die nu in mijn kast staan is dat die rubriek overal ontbreekt. Niet omdat ze toevallig niet in mijn afleveringen stond, maar omdat Timmer uit alle nummers zijn bijdragen heeft verwijderd. Voor zijn persoonlijke archief, of om uit te delen. En zo liet Timmer, behalve zijn vele vertalingen, niet alleen herinneringen bij een collega na, maar ook leessporen en soms omvangrijke leegtes.

Eerder, op 2 juli 2010, gepubliceerd op www.textualscholarship.nl en hier licht gewijzigd.

donderdag 7 september 2017

Dertien kippen [2009]


Handelaren in Aziatisch keramiek doen het met hun tanden, het kritisch zijn. Om vast te stellen of een Kangxi-vaas of een stuk Imari dat ze willen aankopen gerestaureerd is, gaan ze met hun tanden over de verdachte plek: een gerestaureerde plek smaakt anders dan een ongeschonden. Ze zijn kritisch, want hun winstmarge hangt af van de inkoopprijs, en hun klanten, de verzamelaars, willen eigenlijk alleen maar gaaf spul. Wij editeurs zijn ook per definitie kritisch over de handel van de collega’s, en wij zijn dat met onze ogen.
Vaak zijn zwakke plekken in een editie snel te zien. Wie in Een web van dromen. Keuze uit de dagboeken 1960-2003 van de germanist, dichter en vertaler C.O. Jellema (1936-2003) in het register een algemene indruk wil krijgen van de voorkomende personen vangt bot: er is wel iets dat ‘Personenregister’ heet, maar het is er geen. Het gaat – maar dat blijkt pas als je het dagboek hebt gelezen – om een lijst van voor Jellema belangrijke personen die regelmatig voorkomen. Merkwaardig genoeg is de lijst alfabetisch op voornamen geordend, en dat was ik in een boek nog niet eerder tegengekomen.

Wat helaas wel vaker voorkomt, ook in uitgaven met een wetenschappelijke pretentie, is gebrek aan informatie. In dit boek staat wel een uitvoerig overzicht van de achttien cahiers waarin Jellema zijn notities maakte, compleet met data en aantallen pagina’s, maar wat we niet te weten komen is hoeveel er waar in de gedrukte versie is weggelaten. En dat wil je eigenlijk weten wanneer er sprake is van een keuze. Staat er bijvoorbeeld iets voor of na de notitie die is afgedrukt? Het zou iets kunnen zeggen over het gewicht van het genoteerde: was het een van vele gedachten die dag, of was het de enige die de moeite waard was om te noteren?

De levensschets van de Groningse dichtende en vertalende germanist Jellema door bezorger Gerben Wynia is informatief en aangenaam geschreven, maar toch proefden mijn editeurstanden op p. 478 een zwakke plek. Wynia schrijft daar, als het gaat over Jellema’s korte (1969-1971) werkzaamheid aan de universiteit van Utrecht en over zijn nieuwe woonplaats Tull en ’t Waal: ‘Jellema en [diens partner Hans] Stolp delen huis en tuin met dertien kippen, twee hanen, drie kalkoenen, vijf ganzen, twee geiten, een poes, een koerduif en drie honden.’ Die mededeling kwam me bekend voor. Op de flaptekst – die u, als u in een literatuurwetenschappelijk gezelschap bent, ook paratekst mag noemen – van de bundel Tijdverblijf uit 1971 staat namelijk over de auteur: ‘Woont met 13 kippen, 2 hanen, 3 kalkoenen, 5 ganzen, 2 geiten, 1 poes, 1 koerduif, 3 honden (Sebastiaan, Robbeknol, Muis) en Hans in Tull en ’t Waal’. Een tekst die in 1971 bedoeld was, vermoed ik, om de lezer te vertellen dat Jellema een buitenmens was en bovendien homoseksueel, wordt zonder aanhalingstekens en zonder bronvermelding gebruikt als biografisch feit. Hier is sprake van romantisch, laten we het zo maar noemen, en niet van kritisch bronnengebruik. Een kritische blik zou die kippen, hanen en kalkoenen niet zomaar hebben laten voorbijscharrelen. Het is immers niet uit te sluiten dat een van die kalkoenen de Tull en ’t Waalse kerst van 1971 niet overleefde, en van die vijftien kippen en hanen zal er heus wel eens een het leven hebben gelaten door toedoen van een vos of een roofvogel.

Het lijkt misschien niet zo, maar ik kocht dit boek niet om erover te zeuren. Jellema is een interessante schrijver, en bovendien leerde ik hem juist in zijn Utrechtse periode persoonlijk kennen. Hij doceerde in het najaar van 1971 Nederlands aan de vers aangekomen germanisten daar. Blijkbaar was dat nodig. Na de kerst was hij vertrokken, terug naar Groningen, en voor ons studenten gebeurde dat nogal abrupt. Een web van dromen bevat veel mooie dagboekaantekeningen, maar weinig over de Utrechtse periode: in totaal zeven pagina’s. Uit 1969 zijn zelfs maar een paar regels afgedrukt: de notitie van één dag. Graag zou ik als lezer willen weten of dat de enige notitie van dat jaar 1969 is, hetgeen toch opmerkelijk zou zijn. Maar het staat er niet. Het gissen daarover duurt totdat er een volledige, wetenschappelijke editie van de dagboeken van Jellema verschijnt.

C.O. Jellema, Een web van dromen. Keuze uit de dagboeken 1960-2003. Bezorgd door Gerben Wynia. Amsterdam (Querido), 2009 | ISBN 978 90 214 3516 9 | € 24.95

Eerder, op 16 november 2009, gepubliceerd op www.textualscholarship.nl en hier licht redactioneel aangepast.

woensdag 6 september 2017

Doorslaggevend [2012]


1

Met veel moeite zijn een paar flarden van zinnen te ontcijferen: een mevrouw met een Russische achternaam probeert uitgeverij Meulenhoff over te halen een boek uit de Sovjet-Unie uit te geven. Het speelt zich af in Odessa en bevat ‘veel amusante voorbeelden en interessante verwijzingen naar de Russische geschiedenis, kunst en folklore’. Vooral het begin en het eind van de brief zijn vrij ongeschonden te lezen, en dat komt door de drager waarop deze informatie te lezen is: een velletje carbonpapier. Met de informatie die de resten tekst loslaten kan ik niet vaststellen of het boek ooit verschenen is. Ik vermoed van niet.
Het velletje carbonpapier zat met nog honderden andere, gebruikte en ongebruikte, in een paar doosjes van dit antiquarische kantoormiddel die in een kringloopwinkel te koop waren. Recycling puur: iets dat bedoeld was om telkens weer te gebruiken in de hergebruikwinkel. Maar de kans dat het nog eens gebruikt zal worden waarvoor het ooit bedoeld was is klein. Dat ‘ooit’ is intussen al zo lang geleden dat scholieren en studenten van nu verbaasd en geïntrigeerd toekijken wanneer je uitlegt en voordoet wat de bedoeling van dit kantoorartikel was: een kopie maken namelijk, in de vorm van een doorslag.
De doosjes zijn uit de jaren zestig, dat is aan de gedateerde gebruikte doorslagen te zien, maar ook aan de vormgeving van de doosjes en aan de wervende teksten erop en hun gedateerde kwinkslagen: ‘Wat er ook in de sterren verborgen is… Kartro Carbon zal doorslaggevend zijn voor uw administratie en correspondentie’. Ja, dat vonden ze leuk toen, in de jaren zestig. Ik kan me daar nog net van distantiëren, want ik begon pas in de jaren zeventig, als student, met een typemachine te werken en dus carbonpapier te gebruiken.

Ver vóór die tijd en nog tot ver in de jaren negentig, toen de kopieertoestellen en de printers beter werden, hadden scholieren, studenten, wetenschappers, vertalers, secretaresses, kortom iedereen die een kopie wilden bewaren van een brief, een werkstuk, een artikel of een boek, elke dag carbonpapier nodig. Het was een routinegebaar: je nam een blad blanco papier, legde daar een velletje carbonpapier op, daarbovenop een ander blanco blad en je draaide het in je mechanische of elektrische schrijfmachine. Maar het hoefde niet bij één kopie te blijven.
De carbonpapierdozen van de Amsterdamse firma Kartro maken reclame voor allerlei soorten carbonpapier: met Carborex Special kunnen 1 tot 4 doorslagen worden gemaakt, maar met Carborex Standard Tien 10 tot 20. En dat allemaal omdat alle carbonsoorten van de firma Kartro zijn veredeld met Siliconol-B. Het bedrijf had niet voor niets vestigingen van Wenen tot Santiago de Chili. Een tekeningetje van de fabrieksgebouwen in São Paulo siert het verpakkingsmateriaal, op de voorkant waarvan een charmante secretaresse ons toelacht.

Willem Frederik Hermans was een jaar of vijftig lang een grootverbruiker van carbonpapier. Alleen al voor de doorslagen van zijn vele duizenden brieven heeft hij er tientallen dozen van doorheen gejaagd. Uiteraard gebruikte hij carbonpapier ook bij het schrijven van zijn boeken. Heel soms is dat carbonpapier de enige bron voor een bepaald stadium van een tekst. Bijvoorbeeld bij het aforismenboekje Dinky Toys, waarvan Hermans in 1976 voor zijn eigen Mandarijnenpers ongeveer zestig exemplaren op een vloeistofduplicator (die ook met carbonpapier werkte) vermenigvuldigde. In het archief van de auteur zijn vijf bladen carbonpapier overgeleverd, met daarop in totaal achtendertig van de ruim tweehonderd aforismen. De originelen functioneerden waarschijnlijk als vellen voor het door Hermans zelf op maat gesneden en gebrocheerde boekje. Een handelseditie van Dinky Toys verscheen in 1988, nu staat het boekje in deel 11 van de Volledige Werken (2008). Daar en op de bijbehorende website meer over Dinky Toys en over deze velletjes carbonpapier.

Doorslagen maken we niet meer, maar toch gebruiken we het woord nog dagelijks, wanneer we e-mails sturen namelijk. In het Engels is een doorslag een ‘carbon copy’ – de afkorting daarvan: cc.

            2

Maarten van Rossem zei het ooit in een interview: je kunt over alles een proefschrift schrijven, ook over doorzichtig plakband. Hij had ook carbonpapier kunnen zeggen. Of punaises. Ik kom op punaises omdat ik laatst een bureaustoeltje uit de jaren dertig kocht. Over de zitting was een grijze manchester stof gespannen die er oorspronkelijk niet op zat. Dat was goed te zien, want de lap was aan de onderkant vastgezet met een veertigtal punaises, punaises uit de tijd van het stoeltje, waaronder een paar hele mooie van hetzelfde merk als het stoeltje: Ahrend. Je gaat er spontaan van nadenken over de geschiedenis van de punaise, en het kan niet anders of Wikipedia levert zo’n geschiedenis: de punaise zoals we haar nu kennen, het hoedje met de pin, werd begin twintigste eeuw in Duitsland uitgevonden door de horlogemaker Johann Kirsten, die het patent verkocht aan de gebroeders Lindstedt, die bij hem in de buurt in Noord-Duitsland woonden en die er stinkend rijk mee werden. Een proefschrift over de punaise wordt niet vermeld.
Het carbonpapier heeft natuurlijk ook zijn Wiki-pagina’s, maar veel leuker is het artikel ‘The Exciting History of Carbon Paper!’ van Kevin Laurence. Ook hij noemt geen proefschrift in zijn literatuurlijst, maar wel boeken met prachtige titels als Pulp & paper dictionary van John R. Lavigne uit 1993 en The origin of stencil duplicating van W.B. Proudfoot uit 1972. Artikelen uit het periodiek The Type Writer: Journal of Writing Machine Technology and History hebben titels als ‘Carbon paper and the typewriter ribbon’ (David Sheridan, 1991) en ‘Wedgwood’s carbon paper of 1806’ (Michael Adler, 1990). Van deze Adler wordt ook het standaardwerk The writing machine genoemd, een boek dat Willem Frederik Hermans graag paraat had wanneer hij over schrijfmachines schreef.
De eerste keer dat de term carbonpapier werd gebruikt was in 1806. Toen patenteerde de Engelsman Ralph Wedgwood de ‘Stylographic Writer’, een methode die blinden moest helpen bij het schrijven. Hiervoor was carbonpapier nodig. Wedgwoods Italiaanse collega Pellegrino Turri bedacht rond dezelfde tijd een soortgelijke methode, en dat deed hij om een speciale reden: hij was verliefd geworden op een blinde dame, die de rest van haar leven op deze manier brieven zou schrijven. Niet veel later ontstond het kopijboek: de manifold writer noemde Wedgwood het. De eindresultaten uit zo’n kopijboek komen we in negentiende-eeuwse archieven vaak tegen als halfvergane en slecht leesbare velletjes, want wat in het kopijboek achterbleef (of er werd uitgescheurd en apart bewaard) was een flinterdun papiertje dat langzaam door de doorgedrukte inkt van het carbonpaper werd opgevreten.
Complete kopijboeken, zoals ze uit de vroeg-negentiende-eeuwse kantoorboekhandel kwamen, zijn schaars, zo laat een rondgang door de wereldwijde bibliotheekcatalogi zien. Het exemplaar dat ik hier voor me heb is van 1832 of eerder, de vroegste datering van een doorslag is in elk geval uit dat jaar. We zien een stevige halfleren map, quartoformaat, met gemarmerde platten. De voorkant leert ons dat we te maken hebben met de H. Dixon’s improved manifold writer for writing and copying letters, invoices, &c. with durable pen and ink, verschenen ‘Under the immediate patronage of His Royal Highness the Duke of Sussex’. Voorin de map zit een vakje met een metalen plaat (om onder de te schrijven brief, het carbonpapier en het doorslagpapier te leggen ter bescherming van het papier eronder) en een vloeiblad, en in een leren lusje zit de metalen stift (want met een ganzenveer kun je niet doordrukken). In een ‘Carbonic book, to preserve the carbonic leaves in’ zitten inderdaad nog een stuk of vijftien velletjes carbonpapier, de meeste ongebruikt. Het volgende onderdeel is het boekje met de doorslagvelletjes, met een prachtig gemarmerd omslag. Op het vakje met de metalen plaat en het vloeiblad zit de gebruiksaanwijzing geplakt, in het Frans en het Engels.
Het kopijboek was geen succes bij de familie die dit exemplaar in gebruik had: slechts weinige bladzijden zijn beschreven. Vier zijn er gevuld met een reisverslag, zes met twee brieven uit 1832 resp. 1834 en nog eens vier met schrijfoefeningen van kinderen. Daarna werd de map blijkbaar ergens opgeborgen, om bijna twee eeuwen later weer te voorschijn te komen. Zelfs het groene lint om de map dicht te binden is nog in een nette staat.

Het bovenstaande is samengesteld uit twee artikelen, eerder op 4 januari resp. 13 februari 2012 gepubliceerd op www.textualscholarship.nl en hier minimaal redactioneel aangepast.