dinsdag 26 maart 2019


Over smaak [2010]

Over smaak valt heel goed te twisten. Dat denk ik wel vaker, maar zeker toen ik de foto zag die Vincent Mentzel in 2003 van Jan Siebelink maakte. In het weekeinde van 21 en 22 augustus 2010 wijdde NRC Handelsblad een ‘uitneembare fotospread’ van acht pagina’s aan de fotograaf, die ook commentaar leverde bij zijn foto’s. Mentzel portretteerde de schrijver met, volgens het bijschrift, ‘alles wat hem dierbaar was: zijn honden, zijn auto, de schoenen van Jan Jansen. Zijn vrouw was niet thuis.’ Een exemplaar van Siebelinks boek Margaretha uit 2002 staat op de motorkap van de auto, die, net als de honden en de schoenen, op besneeuwd plaveisel staat.

Siebelink vindt dus whippets mooi, want dat zijn de honden op de foto. Ik vind whippets niks, met die amechtige ribbenkasten, die kromme ruggen en die kleine koppen. Maar het gaat me eigenlijk om de auto. Het is een Mazda. Schrijvers moeten niet in Mazda’s rijden, en als ze dat wel doen, dan moet het zijn omdat schrijvers ook af en toe een betrouwbare auto nodig hebben, niet omdat ze hem mooi vinden.

Siebelink vindt dus deze Mazda mooi. Het Japanse merk Mazda maakt betrouwbare suffe auto’s. Een deel van de modellen, in het kleinere segment, valt na het dienstbare leven ten prooi aan jongens met petjes die een spoiler achterop zetten, luidruchtige uitlaten monteren, stickers met tribal motieven op de ramen plakken en bekeuringen verzamelen. De Mazda waarmee Siebelink op de foto staat is weer van een andere categorie: het is een MX-5 roadster uit 1996, een vriendelijk geprijsde cabriolet op de basis van een kleine middenklasser, en het is een auto die bij mijn automobiele geestverwanten van het BBC-autoprogramma Top Gear in de categorie hairdresser’s cars valt.

Ik moet aan dit verhaal nog een draai geven die iets met ons vakgebied te maken heeft. Die draai vind ik in de voorlaatste roman van Siebelink, Suezkade uit 2008. De leraar Marc Cordesius is de held uit dit boek. Hij is zeer belezen in de wereldliteratuur en in de filosofie, hij is zeer begaan met een al te magere allochtone leerlinge – en hij rijdt in een Mazda MX-5 roadster. Daar stapt hij af en toe in om door Den Haag te rijden: ‘Dat zou een aangenaam ritje worden.’ Ook gaat hij op het einde van het boek levensmoe scheuren op de Duitse Autobahn met de ‘maximumsnelheid van tweehonderdveertig’.

Mocht Siebelinks bestseller een klassieker worden en iemand zou die klassieker over honderd jaar mogen annoteren, dan zou zij of hij bij deze passage kunnen aantekenen dat een MX-5 de genoemde maximumsnelheid in het echte leven nimmer heeft gehaald. Siebelink verwart de topsnelheid met het hoogste cijfer op de snelheidsmeter. Hij wil dat we, net als hij, zijn held sympathiek vinden vanwege diens verfijnde smaak op het gebied van literatuur, filosofie en auto’s. Maar die auto verpest het allemaal. Siebelinks held is een Ivanhoe met een plastic zwaard, een Ben Hur in een zeepkist achter een quadriga van ezels.

Eerder, op 17 september 2010, gepubliceerd op www.textualscholarship.nl. Daar staat ook de foto van Mentzel, die ik hier weglaat maar die te vinden is op https://vincentmentzel.nl/werk/jan_siebelink/. Ook heb ik een zin weggehaald die alleen nut heeft met de url die daarin werd vermeld, maar die link loopt nu dood.
Het stuk had nog een interessant gevolg, want ruim een jaar later, eind 2011, werd ik gebeld door Anton de Goede van het VPRO-programma De Avonden. Ik veronderstelde dat het over Willem Frederik Hermans zou gaan, want er was net weer een deel verschenen. Maar nee: de vraag was op ik in het programma wilde optreden om een discussie aan te gaan met een autojournalist een boek had gepubliceerd over de psychologie achter de keuze van mensen voor een bepaald merk of model auto. Titel: Wat je rijdt ben je zelf. De autojournalist, Erwin Wijman, was het niet eens met mijn opmerkingen over het door mij genoemde Mazda-model en had daar een passage in het boek aan gewijd. Hij veronderstelde dat ik, ‘Gielink’ (want hij beheerst alle trucs van het vak, die Wiemans), ‘stikjaloers’ op Siebelink was. Ik kon De Goede duidelijk maken dat die meneer mijn opmerkingen te serieus nam door aan te nemen dat ze over auto’s gaan en niet over een schrijver, en dat ik daarom niet zou meewerken aan het programma. Ik ben maar niet begonnen over Hermans, hoewel het toch wel vreemd was en blijft dat zo’n programma wel aandacht wilde besteden aan een flutboek over auto’s maar niet aan alweer een deel van de mooiste en beste Volledige Werken-editie van een Nederlandse auteur ooit.


vrijdag 22 maart 2019

Weer een boek uit


‘They spelled my name wrong again’ zingt mijn muzikale held Loudon Wainwright iii. Mijn naam, van voren en van achteren, is een stuk gemakkelijker te spellen dan de zijne, maar toch gaat het ook bij mij vaak fout. Een tijd geleden heb ik alle fout gespelde naamkaartjes weggegooid die ik ooit op binnen- en buitenlandse congressen kreeg – het was een aardig doosje vol. Als ik mezelf googel in allerlei varianten kom ik van alles tegen: Gilkens, Gielkens, Gieskes, Gielkes. Ik lig er niet echt wakker van.

Maar soms is het wel vreemd. Ik vond mezelf nu weer in een literatuurlijst in een zojuist verschenen biografie. Daar kom ik als ‘Gielkes’ voor. Gelukkig ontdekte ik, toen ik de literatuurlijst wat beter bestudeerde, waar die kwijtgeraakte ‘n’ gebleven was. Twee pagina’s eerder vond ik namelijk de naam ‘Bokhoven’. Ik weet toevallig wie dat is, want Niels Bokhove kom ik wel eens tegen, die woont hier een halfuurtje fietsen verderop. Niels heeft dan wel in dit boek een iets te lange naam gekregen, maar hij kan zich troosten met het feit dat zijn naam vijf literatuurverwijzingen hoger wél correct gespeld wordt. Hij zal het wel met mij eens zijn dat het vreemd is dat tussen zijn echte en zijn ten onrechte uitgebreide naam nog een paar auteurs worden genoemd met namen als Borgers, Boyens, Braches en De Boer, in die volgorde. Maar er zit systeem in: Bakx komt in deze literatuurlijst na Bartels, met een Baumgarth ertussen, en Braas komt na Brinkgreve, met een Brinkman, een Den Boef, een Bool, een Boot en een Bosch ertussen, weer in die volgorde. Tussen Huig en Huizinga staan Huussen en Huygen. Enz.

Nu we het toch over het nawerk van een wetenschappelijke publicatie hebben: hoe noemt u eigenlijk zo’n alfabetische lijst van personen die in een biografie voorkomen? Personenregister – dat is het. In de pakweg vijfentwintig Nederlandstalige boeken die ik uit mijn biografieënkast trok staat dat woord ook, soms ook alleen ‘register’. Namenregister komt ook voor, ook prima. In een van die boeken staat ‘Persoonsregister’, maar dat komt omdat de biograaf, toen dat register in de maak was, net even in een tuin stond over te geven vanwege het oorlogsverleden van zijn onderwerp. Ik heb de indruk dat dat wel vaker gebeurt, die afwezigheid van de auteur wanneer er een literatuurlijst of een register gemaakt moet worden. Dan komen opeens familieleden of stagiairs in beeld, liefst een dag voordat het boek naar de drukker moet.


In dit boek is vermoedelijk een stagelopende student van een universiteit waar veel Engels wordt gesproken aan het werk gezet, want het personenregister heet hier ‘Index’. Aan deze ‘index’ gaat de volgende opmerking vooraf: ‘Levensdata voor zover beschikbaar’. Het is dan wel jammer dat de voornaam en de levensdata van Johann Peter Eckermann even niet beschikbaar waren op de dag dat dit register werd gemaakt, of die van Carl Gustav Jung en Joan Collette. Zij, en misschien nog wel meer personen, moeten het met alleen een achternaam doen. Maar gelukkig weet de auteur van de ‘index’ wel dingen die mij niet bekend waren, zoals het geboortejaar van Olivier B. Bommel. Dat was 1941, lees ik. De naam van diens geestelijke vader, Marten Toonder, ontbreekt vreemd genoeg. Maar niet die van zijn collega-tekenaar Felix Hess, en ook die is volgens de ‘index’ in 1941 geboren. Op de pagina waar deze naam naar verwijst blijkt dat deze Felix Hess veertien jaar vóór het genoemde geboortejaar al aan een speelfilm meewerkte. Respect! Jammer is dan weer, als we het toch over stripfiguren en aanverwante zaken hebben, dat er in de ‘index’ geen levensdata worden vermeld van de volgende personen: de airedaleterriër Cleo en de boxer Bobby. En ook die van Lucas Bols en Wynand Fockink mis ik, die samen in één drankkegel worden genoemd op p. 99. Er staat overigens Wynand met een lange IJ, en in de ‘index’ krijgt hij nog een extra C vóór de tweede K. Het zou dus kunnen dat iemand anders bedoeld is, want de verwijzing hier brengt ons op p. 255. Gelukkig staat er nog een Wijnand Fockink onder de W in de ‘index’, die ons weer bij Lucas Bols op p. 99 laat uitkomen.
Wat kost een fles jenever eigenlijk tegenwoordig? Het boek waar ik het hier over heb kostte me € 37. Ik koop al jaren meer biografieën dan flessen Bols, maar misschien moet ik daar maar eens iets aan doen.

Er staat wel, moet ik toegeven, een mooi citaat op het achterplat van dit boek, en het is van het onderwerp van deze biografie, de Utrechtse beeldend kunstenaar en politiek activist Erich Wichman: ‘Kunst mag zijn al wat gij wilt, maar het kunstwerk komt uit de werkplaats!’ Zou dat niet ook voor de wetenschap moeten gelden?

vrijdag 8 maart 2019


Malloot [2009]

Ik zeg altijd: ik verzamel niets, ik bewaar alleen het een en ander. Maar goed: er is een boek verschenen dat over mijn soort, dat van de bewaarder en verzamelaar, lijkt te gaan. Ik zeg ‘lijkt te gaan’, zodat u meteen weet welke tendens dit stukje heeft. Het boek heet Hebben en houden. Wat iedere verzamelaar en boekenliefhebber over zichzelf moet weten, het is geschreven door de socioloog Jaco Berveling en verschenen bij uitgeverij Aspekt in Soesterberg.
Zou ik dit boek hebben gekocht als ik het niet cadeau had gekregen? (Dankjewel, Joep!) Tijdens de Verzamelaarsjaarbeurs in Utrecht nog wel, waar de auteur zijn boeken zat te verkopen. Op het voor- en het achterplat van het boek staat dezelfde foto van een stapel boeken. En dat is natuurlijk niet zo gek bij een boek dat onder andere over het verzamelen van boeken gaat. Maar wat staan er voor boeken op Hebben en houden? Het zijn gloednieuwe boeken in elk geval, en ik kan een paar ruggen lezen: ‘Tyskland’ kan ik ontcijferen en een deel van een titel: ‘Jord och’. Het zijn dus Zweedse boeken. Heeft iemand dan bij de Ikea een Billy mét boeken gekocht? Nee: een korte zoektocht op Google-afbeeldingen met de zoekterm ‘pile of books’ heeft een verbijsterend resultaat: het allereerste plaatje dat verschijnt is de afbeelding op Hebben en houden. De vormgeefster van het boek heeft dus tien seconden geïnvesteerd in het zoeken naar een omslagillustratie voor een boek over, onder andere, bibliofilie. Als dat geen boekenliefde is.

De blurb van het boek zegt dit: ‘Honderdduizend suikerzakjes, dertigduizend boeken, twintigduizend T-shirts, ruim tienduizend bierblikjes, zesduizend uilen en bijna negentig paar sneakers. Er wordt wat verzameld in Nederland.’ En we weten meteen wat voor soort verzamelaars Berveling op het oog heeft. De ‘dertigduizend boeken’ zijn die van Martin Ros, die natuurlijk ook even voorbijkomt, net als, uiteraard, Boudewijn Büch, ‘de bekendste Nederlandse bibliofiel en verzamelaar van de 20ste eeuw’. Maar is Ros, was Büch een verzamelaar? Büch leek mij toch, net als in alles wat hij deed, een poseur, en zijn boeken waren het peperdure decor van de zoveelste pose. En Martin Ros kan ik sinds een televisieportret lang geleden niet anders meer zien dan met een plastic tasje met boeken voor een garagebox met duizenden van dat soort tasjes ruw en willekeurig opgestapeld. En dan lijkt hij meer op de geciteerde vergaarder van de tienduizend bierblikjes, die daar ongetwijfeld net zo lang – en misschien wel minder chaotisch – over kan vertellen als Ros over boeken. Of op de verzamelaar van xtc-pillen die onlangs in het nieuws was omdat zijn collectie (2400 verschillende) werd gestolen. Als dat eerder was gebeurd, had hij ongetwijfeld in Hebben en houden gestaan.

Bervelings profiel van de verzamelaar is dit: een malloot, een seksueel gefrustreerde gek met een slecht huwelijk en een nog slechtere vaderbinding, die daarnaast lijdt aan een genetisch bepaalde Hollandse schraapkoorts en bovendien aan een neurologische afwijking die hem obsessief allerlei spullen zijn huis in laat slepen totdat hij geen poot meer kan verzetten. Berveling is socioloog, en de lezer moet dan ook de indruk krijgen dat dit een wetenschappelijk boek is. Een lange bibliografie en interessanterige bronvermeldingen als ‘Hendrikse, 1995:17’ (Berveling, 2009:129) moeten ons laten denken dat hier gedegen onderzoek is gedaan. Maar ik geloof er niets van: er is vooral verzameld, krantenknipsels namelijk, over mensen die aan Bervelings profiel voldoen. Echte verzamelaars, mensen met een wetenschappelijke insteek bijvoorbeeld die met hun verzamelingen bijdragen aan onze kennis van boeken, kunst en geschiedenis, komen in het boek nauwelijks aan bod. En natuurlijk worden weer de verzamelevergreens gedraaid: Gerard Reve, de Klondykes van Hermans, en ook de pop-upboeken-verzamelaar duikt op, die elk en elk jaar weer door elke journalist geïnterviewd wordt tijdens de boekenmarkt in Deventer.

In een kadertje (Berveling 2009:146) geeft de auteur antwoord op de vraag: ‘Hoe wordt dit boek wat waard?’ ‘Wat’ het boek eventueel waard wordt komen we overigens niet te weten, maar dat zal wel komen omdat er ‘iets’ had moeten staan: ‘Hoe wordt dit boek iets waard?’ dus. Het eerste advies van Berveling is: ‘Zorg dat u de eerste druk bemachtigt’. Dat is een vreemde raad in deze eerste druk, want die heb ik dus al. Het tweede advies luidt: ‘Laat de auteur het boek signeren (geen probleem, ik doe dat voor u)’. Afgezien van het praktische probleem van dit aanbod als de koper in Steenoven woont en de auteur in Gaarkeuken: Berveling weet niet dat een gesigneerd boek maar heel zelden een meerwaarde heeft. Tenzij het, bijvoorbeeld, door de auteur is opgedragen aan iemand die een vervelend stukje over het boek in kwestie heeft geschreven. Ten derde: ‘Let op dat het boek in prima staat blijft’. Dat is het gemakkelijkst te bereiken, voeg ik daar aan toe, door het boek nooit meer te lezen, maar dat lijkt mij in dit geval geen probleem. En tenslotte adviseert Berveling: houd trends en modes in de gaten en heb geduld, en ooit zal dat boek van die Berveling veel geld waard zijn. Zou het humor zijn?
Ergens in het boek (Berveling 2009:?) noemt de auteur een verzamelaar met een speciale collectie: vervelende boeken. Die heeft vast nog wel een plekje in zijn kast.

Voor het eerst op 15 december 2009 gepubliceerd op www.textualscholarship.nl en hier met enkele redactionele aanpassingen herplaatst. - Aanvulling van vandaag, 8 maart 2019, over dat signeren van boeken: op Boekwinkeltjes zijn twee exemplaren van dit boek te koop: het een is gesigneerd en het andere niet. Het gesigneerde is het goedkoopste.

dinsdag 19 februari 2019


Paper Passion (1) [2016]

Ik lees op het moment Het boek en het badwater. De betekenis van papieren boeken van Lisa Kuitert, afgelopen najaar verschenen bij de Amsterdam University Press. Ik lees het boek, in zijn papieren vorm, met veel plezier, herkenning en instemming, maar dan kom ik toch iets tegen waarvan ik een correctie wil suggereren voor de volgende druk. Op p. 34 lees ik, in een passage over de geur van boeken en boekenparfums: ‘Het bekendste boekenparfum is […] Paper Passion. Dat is bedacht door Gerhard Stiedl, een vriend van Karl Lagerfeld, die van de beroemde ontwerper de volgende quote op het flesje mocht noteren: “The smell of a freshly printed book is the best smell in the world.” Karl Lagerfeld.’
Afgezien van de vraag hoe het hier zit met de enkele en dubbele aanhalingstekens, is het zo dat Gerhard Steidl (met ei dus) misschien wel een vriend is van de couturier en fotograaf Karl Lagerfeld, maar vooral zijn uitgever, een uitgever die in Göttingen zijn eigen en andermans, doorgaans bloedmooie boeken drukt in een van de modernste drukkerijen ter wereld. Een van die mooie uitgaven is een doosje met daarin een boek dat Paper Passion heet. Het ligt hier voor me. Het boek bevat niet veel tekst: korte voorwoorden van Lagerfeld (die de uitgave vormgaf), van Geza Schoen (de parfumier die de geur creëerde) en van Tony Chambers (de grafisch ontwerper die het idee voor de uitgave had). Ook is er een toepasselijk gedicht van Steidl-auteur Günter Grass. In uitgespaarde, niet bedrukte bladzijden ligt het flesje met de boekengeurparfum.
Maar de door Lisa Kuitert geciteerde tekst vind ik nergens, niet op het flesje, maar ook niet op het doosje, niet op of in het boek, niet op het buikbandje, niet op het mooie rode papier waarin het boek netjes is gewikkeld wanneer je het doosje voor het eerst openmaakt. Ik gok even dat de zin in het persmateriaal van Steidl Verlag stond en zo op allerlei plekken op het internet belandde. En daar vond Lisa Kuitert het. Dat is niet erg natuurlijk, ik zoek en vind daar ook graag. Maar misschien kan het in de volgende druk anders.
Ik weet overigens niet hoe Paper Passion ruikt, want ik denk er niet aan om het flesje open te maken.

Eerder, op 19 januari 2016, gepubliceerd op Facebook, en hier ongewijzigd herplaatst.

dinsdag 1 januari 2019


‘Heb jij ooit Lampo op H2 S04 gezet?’ De vriendschap tussen Gust Gils en Willem Frederik Hermans [2015]


Het archief van Willem Frederik Hermans in het Letterkundig Museum in Den Haag en de Gust Gils-collectie in het Letterenhuis in Antwerpen bevatten de briefwisseling tussen de twee auteurs. De bewaarde brieven documenteren een vriendschap in al zijn aspecten tussen twee belangrijke auteurs met verwante opvattingen over literatuur en kunst. Dit artikel geeft een overzicht van de inhoud en de aard van de correspondentie tussen Hermans en Gils en pleit voor een wetenschappelijke editie van de volledige briefwisseling.

Op het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis in Den Haag worden de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans bezorgd (Hermans 2005).[1] Een van de belangrijke hulpmiddelen bij dat werk is het enorme archief dat Willem Frederik Hermans heeft nagelaten. In dat archief zit bijna alles wat een bezorger nodig zou kunnen hebben. Bijna, want er zijn bijvoorbeeld nauwelijks manuscripten of typoscripten bewaard, en er zijn geen dagboeken. Maar er zijn wel – en dat is belangrijk voor het documenteren van de werkwijze van Hermans en voor de tekstconstitutie van het werk – drukproeven, correctie-exemplaren enzovoort, er zijn thematische dossiers, en er is heel veel correspondentie. Het archief-Hermans bevat honderden briefwisselingen met schrijvers, wetenschappers, kunstenaars, vrienden, uitgeverijen, tijdschriftredacties, lezers, verzekeringsbedrijven, auto-importeurs, enzovoort, enzovoort, etc. Hermans schreef brieven omdat het nodig was voor zijn dagelijks leven en zijn werk, en vaak ook omdat hij het leuk vond. Voor de bezorgers van de Volledige Werken is van groot belang dat Hermans zijn correspondenties bewaarde, niet alleen de brieven die hij ontving, maar ook dat wat hij zelf verstuurde. Vanaf begin jaren veertig schreef hij zijn brieven – meestal – op een schrijfmachine, mét doorslagen, en ook van uitgaande handgeschreven brieven of briefkaarten maakte hij soms doorslagen of afschriften. Dat duidt op een journalistieke houding (Hermans legde ook een groot aantal thematische dossiers aan), maar je zou het ook als wantrouwen kunnen beschouwen. Als je ziet hoe hij dat wat hij bewaarde in polemieken en andere woordenwisselingen gebruikte, dan kun je concluderen dat hij al vroeg redenen zag om zichzelf goed te documenteren. Die houding leverde een zeer uitgebreid archief van zo’n dertig strekkende meter op.
Omdat de Volledige Werken elk deel vergezeld laten gaan van een uitgebreid nawoord over de ontstaans- en publicatiegeschiedenis van de afzonderlijke werken van Hermans is dit archief voor de bezorgers een goudmijn, en daarom ook is het correspondentiegedeelte ter voorbereiding van de editie helemaal doorgewerkt en nagekeken op nuttige informatie, vaak in de vorm van bruikbare citaten. En die citaten worden nu met vrucht en plezier gebruikt in de commentaar bij de afzonderlijke delen, waarvan er sinds 2005 twaalf zijn verschenen. Alle briefwisselingen zijn potentiële bronnen voor het Hermans-onderzoek: zelfs Hermans’ correspondenties met auto-importeurs en garagebedrijven kunnen zonder problemen in verband worden gebracht met de literatuur (zie bijvoorbeeld Gielkens 2013). Maar het zijn natuurlijk vooral de briefwisselingen met schrijvers waarvan ook het algemeen publiek veel verwacht. Een paar van dergelijke correspondenties zijn intussen verschenen: die met Gerard van het Reve (Maas e.a. 2008), met Ferdinand Bordewijk (Keja e.a. 2011) en met Rudy Kousbroek (Otterspeer 2009). Ook Hermans’ briefwisseling met uitgever Geert van Oorschot is gepubliceerd (Maas 2003, Maas 2004). Het zou goed zijn voor de literatuur en de wetenschap als daar op den duur die met Gust Gils bij zou komen, want het is om allerlei redenen een belangrijke correspondentie. In algemene termen is ze van belang omdat ze in de dertig jaar dat ze duurde een gedetailleerd beeld schetst van een vriendschap tussen twee auteurs die zich met elkaar verwant voelden en die die verwantschap in hun brieven uitvoerig met elkaar deelden, juist omdat ze vrienden waren. In het onderstaande wil ik een indruk geven van deze schrijversvriendschap, zoals ze in de briefwisseling is gedocumenteerd.[2]

Vriendschap
Er heeft al iemand geschreven over de relatie Gils-Hermans. Willem Otterspeer, de biograaf van Willem Frederik Hermans (Otterspeer 2013),[3] liet in 2012 zijn licht schijnen over de briefwisseling naar aanleiding van een bezoek aan de Antwerpse Gils-collectie (Otterspeer 2012). Uiteraard thematiseert hij de term ‘vriendschap’. Volgens Otterspeer openbaart de briefwisseling Gils-Hermans ‘iets wat je moeilijk met het gewone stervelingenwoord “vriendschap” kunt noemen’, en hij voegt daar aan toe: ‘maar wel een openheid die vrijwel uniek is in de analen[sic!] van de paranoia’. Otterspeer citeert ter ondersteuning Hermans’ essay ‘Snerpende critiek’ uit 1946: ‘Hoe meer men literator is, hoe meer men bevriend zal zijn met de mensen om de ideeën die zij belichamen; de anderen zijn niet meer dan “materiaal”’ (Hermans 1946b, 707). Dat citaat kan scherper overigens, en Hermans zou ook liever hebben gehad dat we die versie citeerden, want hij herschreef ‘Snerpende critiek’, nu ‘Snerpende kritiek’ getiteld, niet voor niets in 1964 voor Mandarijnen op Zwavelzuur, zijn afrekening met de Nederlandse literaire wereld: ‘Hoe meer iemand een schrijver is, hoe meer hij met anderen bevriend zal zijn om hun ideeën. De rest van de mensheid interesseert hem hoogstens als materiaal’ (Hermans 1964).[4] Otterspeer concludeert in elk geval: ‘Gils had het dus kunnen weten.’ Hij bedoelt: Hermans zag Gils alleen als werkmateriaal en nam hem daarom niet al te serieus, en Gils was te dom om dat te begrijpen. Dat Gils volgens Otterspeer bij voorbaat aan de verliezende kant staat moet ook uit de titel van het artikel blijken: ‘Hermans en de goede Gust’. Maar ik deel die visie niet. Ik ben van mening dat er sprake was van een gelijkwaardige vriendschap.
Hermans heeft zich in enkele interviews over het thema van de vriendschap uitgelaten. In 1973 zei hij, geheel in lijn met zijn uitspraak uit ‘Snerpende kritiek’: Vrienden heb ik nauwelijks. Iedereen weet dat. Het is voor veel mensen moeilijk bevriend te zijn met een auteur. Alles wat zij zeggen, kan ten slotte in een roman terechtkomen. Mijn goede raad: zoek nooit vriendschap met auteurs. Zij dragen een aureool van verraad. Zij moeten terwille van hun kunst rücksichtslos zijn’ (De Mari e.a. 1973). In 1969 was hij milder geweest, maar dat was dan ook op Curaçao, tijdens een verblijf in Caraïbisch Nederland, waarover hij met De laatste resten tropisch Nederland zijn meest empathische en vriendelijke non-fictieboek schreef, al klaagde hij vóór de reis wel in een brief aan Gils over het feit dat hij moest worden ingeënt ‘tegen de pokken, de kinkhoest, de mazelen, de dysenterie, de zwarte pest, de builenpest, de cholera, de witte tornado, de blauwe koorts, de gele koorts, de rode koorts, de tyfus en de goudkoorts.’[5] Op de vraag van een interviewster aan Hermans of hij over iemand om wie hij gaf ironisch zou kunnen schrijven zei hij daar op Curaçao: ‘Ik geloof het niet,’ en datzelfde antwoord kwam op de vervolgvraag, of hij ‘[ü]berhaupt niet [zou] kunnen schrijven over mensen op wie u gesteld bent?’ (Snijders 1969). Hermans heeft in elk geval Gust Gils nooit literair verwerkt. Hermans op zijn beurt komt wel voor als personage (‘Hermans’) uit een droom in de tekst ‘De laatste zonnesteen’ in Gils’ bundel Met de noorderzon op stok uit 1960 (Gils 1960, 44-46).[6]
In een interview in 1970 zei Hermans: ‘Ik geloof dat vriendschap maar een vaag idee blijft als het niet op een bepaalde belangengemeenschap gebaseerd is. ’t Is zo: je kunt beter met elkaar bevriend zijn als je elkaar nodig hebt. […] Ik ben geen man voor vriendschappen ins blaue hinein. Hoewel ’t wel eens z’n bekoring kan hebben om lief te zijn voor iemand zonder enig bij-oogmerk. Maar dikwijls breekt je dat zuur op, naderhand’ (Meijer 1970).[7] Hoewel er natuurlijk sprake was van een belangengemeenschap, zou het wel eens zo kunnen zijn dat de vriendschap tussen Gils en Hermans er een was zonder enig ‘bij-oogmerk’.
Ik hoef niet, zoals Otterspeer, een biografie te schrijven met één centraal thema waarop alle lijnen moeten uitkomen. Ik ben dan ook van mening dat we bij Gils en Hermans zonder enige reserves van een vriendschap kunnen spreken, en juist die openheid die Otterspeer noemt – maar dan zonder ‘anale’ paranoia – zou daarvoor mijn voornaamste argument zijn.
Hermans gebruikt zelf in enkele brieven aan Gils het woord vriendschap. Bijvoorbeeld op 24 oktober 1966, naar aanleiding van excuses van Gils uit schuldgevoel over het niet-bedanken voor een geschenk. Hermans schrijft: ‘Het verandert niets voor mij dat je dat niet gedaan hebt, in mijn vriendschapsgevoelens bedoel ik, en ik hoop dat het ook in jouw gevoelens van vriendschap niets verandert.’[8] Of drie jaar later, op 17 november 1969, na een lange, nogal sombere klacht over de democratiseringsgolf aan de Groningse universiteit en daarmee verbonden twijfels over een fulltime-schrijverschap: ‘Ik zou, al is het maar om een vriend een paar oprecht gemeende opbeurende woorden te kunnen zenden, een minder neerdrukkende levensopvatting willen hebben, dan ik nu eenmaal heb.’[9] 
Opdracht voor Willem Frederik Hermans in Gust Gils, Ziehier een dame uit 1957 (collectie Nick ter Wal, Groningen)

Het begin van de vriendschap
De in Den Haag en Antwerpen bewaarde briefwisseling tussen Gust Gils en Willem Frederik Hermans omvat in totaal meer dan tweehonderd brieven, ca. 125 van Gils en ca. 85 van Hermans.[10] Dat is, zoals aan de al verschenen briefwisselingen goed te is zien, bij Hermans de normale verhouding tussen ontvangen en verzonden brieven. De briefwisseling loopt van 1955 tot 1984. Regelmatig is de correspondentie van 1956 tot 1969, daarna nog incidenteel, en ook dat is een beeld dat bij veel Hermans-correspondenties voorkomt.
            Het begin van de briefwisseling is van de overrompelende soort. Op 30 juli 1955 begint Gils zijn eerste brief aan Hermans aldus: ‘[I]k val u niet graag lastig, maar ik zie werkelijk geen andere mogelijkheid meer.’[11] De wanhoop van Gils gaat over het feit dat hij antiquarisch een nieuw maar verramsjt exemplaar van Hermans’ gedichtenbundel Hypnodrome (Hermans 1948) had gekocht. Hij was zo onder de indruk dat hij de rest van de ramsjpartij opkocht en aan vrienden uitdeelde. Toen die op waren raakte Gils ook nog ‘op jammerlijke wijze’ zijn eigen exemplaar kwijt. Wat die ‘jammerlijke wijze’ precies was zou hij in 2001, in een tekst ter herdenking van Hermans, vertellen. Dat laatste exemplaar had hij aan zijn buitenechtelijke geliefde uitgeleend: ‘Toen de zeer gespannen en minder dan twee maand geduurd hebbende verhouding ten einde liep, heb ik tijdens de dramatische afscheidsscène dat bewuste exemplaar verscheurd…’ Gils vroeg in zijn brief aan Hermans of die nog een exemplaar over had, en die stuurde er inderdaad een, met de opdracht ‘Aan de hypnodromer / Gust Gils / van W.F. Hermans / Groningen 5 Aug. ’55’ en met de volgende begeleidende brief: ‘Buitengewoon getroffen door de moeite die u zich getroost hebt een ex. van mijn versjes te bemachtigen, zend ik u met veel genoegen het laatste dat ik zelf bezit, aangezien u er, klaarblijkelijk, veel meer op gesteld bent dan ik’ (Gils 2001).[12] Er gaat dan in 1955 nog een briefje van Gils naar Hermans[13] en de vriendschap is gesloten.
Het is belangrijk vast te stellen wat hier de situatie was: twee jonge schrijvers, dertigers, maken kennis met elkaar. Hermans is drie jaar ouder. Gils is net gedebuteerd met enkele bundels poëzie in eigen beheer (Gils 1953, Gils 1954), Hermans had al een boek of tien gepubliceerd, waaronder drie romans,[14] voor de rest schreef hij veel recensies en ander beschouwend werk, dat veel weerstand opriep. Begin 1955 was zijn eerste Mandarijnen-op-zwavelzuur-pamflet verschenen (Hermans 1955), de discussies daarover waren bezig toen Gils en Hermans kennismaakten. De reden dat Gils contact zocht waren dus de surrealistische gedichten van Hermans, waar Hermans op dat moment al zo veel afstand had genomen dat hij zijn eigen exemplaar van de betreffende bundel weggaf – of deed alsof. De twee laatste grote romans die Hermans had gepubliceerd, De tranen der acacia’s (1949) en Ik heb altijd gelijk (1951), waren traditioneel van vorm, maar hij was niet tevreden over de ontvangst. Het feit dat hij in 1952 als fysisch-geograaf aan de universiteit Groningen ging werken en in 1955 promoveerde[15] duidt erop dat hij wellicht aan een wetenschappelijke carrière de voorrang wilde geven en de literatuur op het tweede plan wilde laten komen. Wellicht daarom ook voelde hij zich midden jaren vijftig vrij om minder traditioneel en minder toegankelijk grotesk proza te publiceren in zijn De God Denkbaar Denkbaar de God (1956) en in Drie melodrama’s (1957).
Persoonlijk, in levenden lijve, zouden Gils en Hermans elkaar overigens pas eind 1957 leren kennen. Tot die tijd vousvoyeerden ze elkaar. Op 7 december 1957 kwam Hermans naar Gent om daar in de Boekuil te ‘prediken’ door uit De God Denkbaar Denkbaar de God voor te lezen en daarmee zijn ‘apostolische taak [te] verrichten’.[16] Een paar maanden later refereerde Gils aan dit optreden in een artikel met de titel ‘Hermans is hier geweest’, dat vooral een algemene introductie op Hermans moest zijn en een rechtzetting van het over het algemeen negatieve beeld dat er op dat moment van Hermans bestond: ‘De lektuur van Hermans verwekt onbehagen bij de doorsneelezer, omdat zijn stijl niet is afgestemd op het model van de luie stoel waarin die lezer zich heeft neergevlijd. / Ondanks dit alles zijn de schrijverskwaliteiten van Hermans zo pertinent, dan men er met de slechtste wil niet heeft kunnen aan voorbijzien’ (Gils 1958).[17]
Een belangrijke brief uit het begin van de vriendschap tussen beide schrijvers was er een van Gils van 22 januari 1956, die eigenlijk alleen maar bestaat uit het naschrift bij een rondschrijven van het ‘Muzeum voor Kleine Kurioziteiten’, Gils’ deels fysieke, deels mentale verzameling van artistieke en literaire documenten en concepten.[18] Het zou mij niet verbazen – verdere aanwijzingen daarvoor ontbreken voorlopig – wanneer Hermans na lezing van dit rondschrijven met zijn absurdistische logica begreep dat Gils een literaire en artistieke bondgenoot was, en het zou me ook niet verbazen wanneer er een direct verband bestond tussen deze brief en het begin, een paar weken later, van Hermans’ werk aan zijn absurdistisch-grotesk prozawerk De God Denkbaar Denkbaar de God, dat nog in datzelfde jaar 1956 zou verschijnen. Hermans had de surrealistische poëzie in 1954 vaarwel gezegd, en ook in zijn meer traditionele romans zag hij geen toekomst. Met De God Denkbaar Denkbaar de God en Drie melodrama’s een jaar later sloeg hij een weg in die hem op dat moment meer bevredigde, en Gils was daarvan wellicht dus de aanstichter.
Na de persoonlijke kennismaking eind 1957 begint de correspondentie pas echt. Het aantal brieven per jaar gaat tussen 1956 en 1969 van enkele tot ruim veertig per jaar, met een gemiddelde van ongeveer 1 per maand. Het zijn over het algemeen langere brieven, waarvoor beide correspondenten de tijd genomen hebben. Veel brieven, zeker in het begin, hebben, althans in het archief-Hermans, bijlagen: collages en tekeningen, vaak bedoeld voor het Muzeum voor Kleine Kurioziteiten, ook krantenknipsels en brieven van en aan Gils’ dochters Flora en Leentje en Hermans’ zoon Ruprecht (die in 1955 geboren was). De enkele bewaarde bijlage bij de brieven van Hermans aan Gils zijn in het Gils-archief afzonderlijk bewaard bij het materiaal van het Muzeum voor Kleine Kurioziteiten, net als enkele bijzondere briefkaarten.
De vriendschap tussen Gils en Hermans uitte zich in de loop van de jaren in veel lange brieven met een gevarieerde inhoud, die toch meestal de literatuur betrof, maar die ook leidde tot bezoeken over en weer, met of zonder kinderen en echtgenotes. Vooral dat mét kinderen en echtgenotes lijkt mij een teken van vriendschap, die in de brieven vaak in details duidelijk wordt. Hermans vraagt bijvoorbeeld, in de aanloop van een Vlaams bezoek per auto aan Nederland, of de familie Gils wel nasi goreng lust, en hij geeft ook gedetailleerde en consideratieve, meelevende reistips naar Haren bij Groningen (waar Hermans sinds 1952 aan de universiteit werkte): ‘Maar je zou ook bij Meppel rechtsaf kunnen gaan richting Beilen, en dan via Eursinge en Beilen naar Assen. Dat is een heel mooie weg, niet langs water. Water boezemt namelijk de vreemdeling soms angst in, vooral als het hard waait en dat doet het.’[19]
Er wordt in de brieven, zoals gezegd, veel over literatuur geschreven, alle genres en veel schrijvers komen langs, Franz Kafka, Jack Kerouac, H.G. Wells en Vladimir Nabokov[20] bijvoorbeeld, maar ook sciencefiction-auteurs en C.G. Jung. Over Nederlandstalige literatuur uit Nederland en Vlaanderen gaat het niet zo vaak, behalve in de korte periode dat Gils en Hermans samen in de redactie van Podium zitten.[21] Hermans had gedurende zijn hele carrière weinig belangstelling voor Vlaamse schrijvers, Gils vanzelfsprekend wel. Er ontstaat bijvoorbeeld irritatie wanneer ze begin 1965 hartgrondig van mening verschillen over het Podium-redactielidmaatschap van René Gysen. Gils wijst Hermans helder op het verschil in hun beider posities: ‘Wat René Gysen betreft, tja, wat daar nog over te zeggen? Voor jou is hij niet meer dan een literaire figuur, voor mij ook nog iemand die ik sinds jaren goed ken, goed genoeg om een idee te hebben van zijn kwaliteiten: eerlijkheid, betrouwbaarheid, intelligensie – en ook van zijn gebreken: een zekere zwakheid van karakter, een gebrek aan kritiek wat betreft de samenwerking met sommige mensen – uit een neiging om te “breed” te zijn, veronderstel ik. Maar daarom is hij nog niet karakterloos. Als Dubois, waar Gysen argeloos mee in één redaksie zit, jou doet steigeren, bedenk dan dat het over de staatsgrens heen, en dat in beide richtingen, niet altijd zo duidelijk is wie als le dernier des cons figureert. Heb jij ooit Lampo op H2 SO4 gezet?’[22] Hermans had inderdaad Hubert Lampo nooit op zwavelzuur gezet; hij vermeldt hem een keer in Mandarijnen op zwavelzuur, maar als ‘literator van naam’ die Bonjour Tristesse van Françoise Sagan had vertaald (Hermans 1985, 30); ook andere Vlamingen (Gaston Burssens, Willem Elsschot, Maurice Gilliams) worden slechts terloops vermeld. De enige Vlaming die in de Mandarijnen meer – en wel negatieve – aandacht krijgt is Julien Weverbergh.[23]
Het eigen werk en dat van de ander komen natuurlijk ook ter sprake, maar terwijl Gils zeer enthousiast is over De God Denkbaar, Denkbaar de God, De donkere kamer van Damokles (1958) en Nooit meer slapen (1966), zijn de reacties van Hermans op wat Gils hem toestuurt zuinig: op 4 januari 1966 dankt Hermans na ontvangst van Gils’ bundel Een plaats onder de maan (Amsterdam 1965) ‘voor het nobele gevaar deze aan een poëzie-onkundige te hebben toegestuurd’.[24] Een paar maanden eerder was er een soortgelijke reactie: ‘Je prachtig gedrukte bundel bereikte mij. Het is een meesterlijk stuk drukwerk. / Over de inhoud, hoewel gering in omvang, kan ik helaas niet veel zeggen. Verschaft mij grote mnemotechnische moeilijkheden. / Wees hierdoor niet boos, beledigd, verdrietig of ontmoedigd. / Ik zeg immer altijd alles precies gelijk ik het meen.’[25] De enige keer dat Hermans een oordeel over Gils schriftelijk publiek maakte was in het essay ‘Wittgenstein’s levensvorm’, dat voor het eerst eind 1963 werd gepubliceerd in Podium en een jaar later jaar gebundeld in Het sadistische universum. Nadat hij Wittgenstein uit diens Philosophische Untersuchungen heeft geciteerd – ‘De taal is een labyrint van wegen. Je komt van de ene kant en kent de weg; je komt van een andere kant op dezelfde plaats en kent de weg niet meer. / Ik kan bij voorbeeld, zoals de zaken staan, een spel uitvin­den dat nooit door iemand gespeeld wordt. – Maar zou ook dit mogelijk zijn: Onderstel dat de mensheid nooit spelen gespeeld heeft; maar op een keer had iemand een spel uitge­vonden, – dat dan natuurlijk nooit gespeeld werd?’ – schrijft Hermans: ‘Iets als dit laatste zou Gust Gils geschreven kunnen hebben. Een onderzoek in hoeverre Gils humoristische bedoelingen heeft, moet hier achterwege blijven. Maar dat velen bij zijn proza in de lach schieten, kon ik waarnemen op een voor­leesavond, dus...’ In de boekuitgave van Het sadistische universum voegde hij daar, in een hoofdstukje ‘Achteraf’ ter afsluiting van het boek, nog aan toe: ‘Gils: bv. een verhaal als “Versnipper het Dorp” (in Verbanningen, Amsterdam 1964)’.[26] Die aanprijzing was zuiniger dan wat Hermans eerder in een brief aan Gils had laten weten: ‘“Versnipper het dorp” was bijzonder naar mijn smaak’.[27]
Minder zuinig en over het algemeen wél inhoudelijk was de lof die Gils Hermans toezwaaide, bijvoorbeeld naar aanleiding van het verschijnen van De donkere kamer van Damokles: ‘ik heb me dezer dagen de donkere kamer van damocles aangeschaft. las het in één ruk (lees dag) uit. […] dat ik het mooi vond (wat je inderdaad hoopte) is nogal zwak uitgedrukt. moet ik zeggen dat het me “sterk heeft aangegrepen”? waarschijnlijk wel. ik heb er tenminste de nacht nadien fel van gedroomd, wat me heus niet niet elk jaar overkomt. […] één ding staat na dit boek wel vast – je weet het zelf maar kunt het evengoed bevestigd horen: ik zie niet wie als prozaschrijver in ons taalgebied momenteel naast je zou kunnen staan. ik vergeet van het reve niet, maar hoeveel smaller is zijn spektrum, hoeveel minder allure heeft hij, hoeveel moeizamer schrijft hij!’[28] In zijn reactie op deze brief doet Hermans een van zijn meest verregaande ontboezemingen over De donkere kamer, en dat kwam misschien wel omdat Gils zo’n onverwachte bondgenoot was en dus een oprechte gesprekspartner. Hermans was bang geweest dat Gils het boek ‘niet dadaïstisch genoeg zou vinden’, en omdat hij op een in manuscript toegestuurd fragment geen reactie kreeg, vermoedde hij afkeuring en stuurde hij Gils geen presentexemplaar. ‘Je hebt misschien gehoord,’ schrijft Herman, ‘ dat het boek nogal succes heeft. Er is nog geen enkele afwijzende kritiek op verschenen. Soms denk ik dat ze het doen om mij met mijn Mandarijnen op zwavelzuur voor schut te zetten. Ook had ik dit succes liever aan een boek als De God Denkbaar of een verhaal als De blinde Foto­graaf gegund. Ik kan n.l. niet zeggen dat ik persoonlijk mij bijzonder geamuseerd heb bij het schrijven van De donkere Ka­mer. Ik heb het voornamelijk afgemaakt omdat ik het gegeven zo aardig vond’.[29]
Kenmerkend voor een vriendschap die zich vooral in brieven afspeelt zou ook de moeite kunnen zijn die de correspondenten zich getroostten om mooie brieven te schrijven, in een toon die bij de correspondent past. Dat Hermans zo’n persoonlijke toon zoekt is goed te zien wanneer hij aan twee correspondenten over hetzelfde schrijft. Op 12 maart 1965 verongelukt Hermans met zijn niet lang daarvoor gekochte sportwagen, een Austin Healey 3000 Mk III. Twee weken later, op 12 maart 1965, doet hij in zo’n honderdvijftig woorden kort, bondig en stoer verslag van het ongeluk aan de autoliefhebber Rudy Kousbroek: ‘[J]uist vandaag veertien dagen geleden ben ik in de Wieringermeer het slachtoffer geworden van mijn toenemende hartstocht voor steeds snellere auto’s en met 160 over de kop geslagen. Auto in wrak veranderd, ikzelf eraf gekomen met drie blauwe plekken, dus het was toch een heel goede auto. Was. All risk verzekering blijkt in te houden dat je hoogstens 2/3 krijgt van wat je nodig hebt om een nieuwe te kopen. […]’ (Otterspeer 2009, 29).
Het verslag aan Gils van dezelfde dag begint ook met feitelijkheden over auto en snelheid, maar is voor de rest uitvoerig en nogal poëtisch: ‘Het was die dag het soort lenteweer dat een jaar of dertig geleden nog in gedichten ter sprake werd gebracht: geen wolkje aan de lucht en een soort droge nevel, nesthaar van de jonge lente’. Hermans zet zelf ‘sic!’ achter deze zin en gaat verder: ‘Mijn gedachteleven was niettemin niet opgewekt, o.a. omdat ik in Amsterdam een professor ging feliciteren aan wie ik eigenlijk een hekel heb en hij aan mij. Een grote vrachtauto die ik bezig was in te halen, ging plotseling naar links. Ik dacht dat hij het deed om mij te plagen. Er is niets aan te doen, ik vlieg erop, dacht ik rustig. / Ik hoor breken van glas, ik zie gelaten hoe het linker achterstuk van de vrachtauto het rechter spatbord van de mijne openrijt. Daarna raak ik in een werveling waarvan ik mijn weinig herinner, d.w.z. volgens mijn herinnering heb ik niets meer van het landschap gezien, alleen het interieur van de auto en dit met hetzelfde gevoel dat je op de kermis hebt in die wagentjes die vastgemaakt aan een draaiende schijf in het rond worden geslingerd. Ik voelde niet de minste angst, ik dacht alleen: nu heb ik de zekerheid dat doodgaan inderdaad niets is, het is alsof je in een roes verzinkt, het is eigenlijk wel prettig.’ Enzovoorts.[30]
Willem Frederik Hermans, 'Gedicht', datering onbekend (Letterenhuis, Antwerpen, archief-Gils, G 3978)

Het einde van de vriendschap
Toch was ook de vriendschap tussen Willem Frederik Hermans en Gust Gils er een die, zoals gebruikelijk bij Hermans, niet vrij was van wrijvingen, en die, geheel volgens het beeld van bijna al de gepubliceerde Hermans-correspondenties, voor een van de partijen onbevredigend eindigde. De briefwisseling met de veel oudere Bordewijk eindigde met diens dood, en hier kan ook nauwelijks van een vriendschap worden gesproken. Bij Van het Reve, Van Oorschot en Kousbroek is het telkens Hermans die een eind maakt aan het contact. De frequentie van de briefwisseling tussen Hermans en Gils loopt vanaf 1969 sterk terug. Tussen 1956 en 1969 lag het gemiddelde van de correspondentie, zoals eerder vermeld, bij ongeveer één brief per maand, daarna is er nog slechts incidenteel contact, in sommige jaren geen enkel.
            Hoewel de vriendschap op 8 juli 1969 nog zo was dat Hermans nummer 3 van de tien exemplaren van de tweede druk van zijn zelf geknutselde boekje Zwarte handel (Hermans 1969a)[31] aan Gils opdroeg en hem zijn in augustus verschenen Fotobiografie (Hermans 1969b) stuurt, wordt het daarna steeds stiller, er ontstaat zelfs een stilte die zo ‘oorverdovend’ is dat Gils haar vier maanden later doorbreekt met een brief waarin hij dat woord gebruikt en voor de twee toegestuurde publicaties bedankt.[32] Na het antwoord van Hermans, de al eerder geciteerde brief van 17 november 1969 waarin hij Gils met nadruk een vriend noemt,[33] is het bijna vier jaar stil.
Op vrijdag de dertiende juli 1973 schrijft Gils aan Hermans (die een half jaar eerder naar Parijs was verhuisd): ‘het is al zo lang geleden dat ik nog wat van je hoorde, dat ik me soms met lichte paranoia afvraag of er, buiten mijn weten, een misverstand tussen ons is gerezen. dat ik je bv, door een of andere uitlating of gedraging zou hebben mishaagd’. Hij geeft toe dat hij zelf ook niets van zich heeft laten horen en vermoedt dat het ontbreken van contact te maken heeft met hun beider situatie: ‘ik ben wel geëvolueerd de laatste 3 ½ jaar, er is ook zoveel gebeurd in mijn leven, de schipbreuk van mijn huwelijk is daar nog het minste van. nee ik ben geen jezusfreak of zeloot voor wat ook geworden. Ik hoorde van Freddy dat je zo depressief was de laatste tijd – dat ben ik ook, al 2 jaar nagenoeg kontinu en ik merk dat ik ook kontakten met mensen verwaarloos. maar ik heb ook gemerkt dat twee depressieve personen soms zeer goed tot uitwisseling komen.’ Gils’ resumé: ‘het zou me boeien nog eens met je in aanraking te komen’.[34] Uit het antwoord van Hermans, dat niet ingaat op de suggestie van verwantschap wat depressies en zo meer betreft, blijkt dat de hernieuwing van het contact hem niet boeit, maar hij formuleert het vriendschappelijk: ‘Je brief doet me vrezen dat je zou kunnen denken – omdat ik je zelden of nooit meer schrijf – dat je me iets misdaan had […]. Dat […] is echt niet het geval. / Wat wel het geval is, dat is mijn besef dat ik een heleboel mensen eigenlijk niets meer te vertellen heb, behalve dingen die ze wel niet leuk zouden vinden, of ik moest speciaal iets gaan zitten bedenken. Dat doe ik steeds minder: lui en moe, zullen we maar zeggen. / Dus neem het me niet kwalijk. Ik wens je het allerbeste. […] / Nu, dat is alles, niets om blij mee te wezen, neem ik aan, maar ook niets om je zorgen over te maken.’[35] De reactie van Gils op deze brief is eveneens vriendschappelijk: ‘ik waardeer het dat je zo eerlijk schrijft hoe je tegenover me staat. […] Dat er geen misverstand tussen ons heerst verheugt me, en ik hoop dat dat ook nooit het geval zal zijn.’[36]
            In de ruim twintig jaar tot Hermans’ dood in 1995 volgden nog slechts enkele brieven, waaronder felicitaties met ronde verjaardagen, zoals Hermans’ zestigste in 1981. Na deze laatste felicitatie van Gils is het ruim drie jaar stil. Op 19 november 1984 schrijft hij weer aan Hermans: ‘voor één keer in al die jaren – dat is een laag gemiddelde – wilde ik je een dienst vragen’, en die dienst betreft een aanbevelend tekstje voor op de achterflap van een boek dat Het telefoonnummer van de wereld moest gaan heten, ‘[n]iet dat ik hoop daardoor beroemder te worden, of je anderszins als gangmaker wil misbruiken, maar omdat zulk detail zeker de verkoop niet zal schaden – en die is bij mij al beschadigd genoeg…’ Gils herinnert zich dat Hermans tijdens een lezing in Antwerpen – ‘tot mijn opperste verbazing eerlijk gezegd’ – het verhaal ‘De roerloze vechter’ tot ‘een van de top-10 uit de nederlandstalige verhalenschat’ had verklaard, en die uitspraak wil hij graag op zijn boek citeren.[37] Hermans ziet, zo antwoordt hij een paar dagen later, de uitspraak liever niet als citaat met zijn naam eronder op de achterflap, maar doet wel een handreiking. Hij citeert de uitspraak, die hij blijkbaar op papier had, in zijn brief – ‘Ik beschouw het verhaal over De Roerloze Vechter en diens handgemeen met de berijder van “het tengere tuffertje” als een van de beste tien korte verhalen in de Nederlandse taal. Ik kan het niet herlezen zonder de slappe lach te krijgen.’ – en suggereert vervolgens Gils om na te gaan of deze uitspraak op de een of andere manier in een krantenverslag is terechtgekomen, dat Gils dan weer op zijn boek kan citeren.[38] Maar dat zou niet gebeuren. Het bedoelde boek zou in 1985 bij De Bezige Bij verschijnen onder de titel Het zoemen van de bierkaai, ‘Hoe ik het telefoonnummer van de wereld kwijtraakte’ is daarin de laatste tekst.[39] In het archief van Hermans is geen antwoord van Gils bewaard, en er zijn ook geen overige tekenen van later contact.

Noten
[1] Tot nu tot (zomer 2013) zijn 12 delen verschenen: 1 (2005), 2 (2008), 3 (2010), 4 (2012), 5 (2013), 7 (2006), 9 (2011), 11 (2008), 12 (2006), 13 (2010), 14 (2011), 15 (2012). De wetenschappelijke editie bestaat uit de boekpublicaties, aangevuld met gegevens op de projectwebsite www.wfhermansvolledigewerken.nl. Projectleiders en editeurs zijn Peter Kegel en ondergetekende; Bram Oostveen en Marc van Zoggel zijn onderzoekmedewerkers. De Volledige Werken verschijnen in een samenwerkingsverband tussen het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis in Den Haag, uitgeverij De Bezige Bij in Amsterdam en het Willem Frederik Hermans instituut.
[2] De brieven bevinden zich in het Hermans-archief in het Letterkundig Museum in Den Haag en in het Gils-archief in het Letterenhuis in Antwerpen.
[3] De relatie met Gust Gils zal naar verwachting in deel 2 van de biografie (verschijning aangekondigd voor november 2014) aan de orde komen.
[4] Geciteerd naar de laatste bij leven verschenen ‘vierde druk, zesde oplage’: Hermans 1985, de versie die zal worden opgenomen in deel 16 van de Volledige Werken (in voorbereiding).
[5] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 15 december 1968, doorslag in het archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[6] In het archief-Gils in het Letterenhuis bevinden zich ook enkele versies in machine- en handschrift van een toneelstuk van Gils dat ‘Vampiers en vegetariërs’ getiteld is en dat aan Hermans is opgedragen. De inhoud, een absurdistisch tafereel met drie personen (‘Donald C. Klei, handelsreiziger en wapensmokkelaar’, ‘Een schildwacht’, ‘Een koning’), geeft op het eerste gezicht geen aanwijzing voor een direct verband met Hermans of zijn werk. Het stuk is ongedateerd, maar getypt en geschreven op de achterkant van een rapport van de Medisch-sociale Dienst van de Stad Antwerpen uit 1954-1955.
[7] Geciteerd naar de herdruk in Janssen 19833, 232.
[8] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 24 oktober 1966, doorslag in het archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[9] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 17 november 1969, doorslag in het archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[10] In het Hermans-archief beslaat de correspondentie de periode 1955 tot 1984, in het archief-Gils beginnen de brieven in het correspondentiedossier in 1964, met eerdere aanvullingen in het Muzeum voor Kleine Kurioziteiten. Brieven van Hermans uit het het bezit van Gils werden, voordat het archief naar het Letterenhuis ging, te koop aangeboden in 2005 (13, door antiquariaat Demian in Antwerpen) en 2008 (ca. 50 uit de periode 1955-1969, door antiquariaat Marc Van de Wiele in Gent).
[11] Gust Gils aan Willem Frederik Hermans, 30 juli 1955, archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[12] Gils citeert de opdracht en de brief. De brief is niet bewaard, als origineel of als doorslag, in de archieven van de beide auteurs. Ook het opdrachtexemplaar bevindt zich niet in het archief-Gils.
[13] Gust Gils aan Willem Frederik Hermans, 6 aug 1955, archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[14] Behalve de romans Conserve (Hermans 1947), De tranen der acacia’s (Hermans 1949) en Ik heb altijd gelijk (Hermans 1951) en de eerder genoemde gedichtenbundel Hypnodrome (Hermans 1948b) verschenen nog Horror Coeli en andere gedichten (Hermans 1946a), de novellen(bundels) Moedwil en misverstand (Hermans 1948a), Het behouden huis (Hermans 1952), en Paranoia (Hermans 1953), en het afzonderlijk uitgegeven essay Fenomenologie van de pin-up girl (Hermans 1950), allemaal bij Amsterdamse uitgevers. Al deze werken staan intussen in Hermans 2005.
[15] Op 6 juli 1955 in Amsterdam op Hermans 1955.
[16] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 22 oktober 1957, doorslag in het archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[17] Gils stuurde een knipsel van dit artikel aan Hermans met de notitie ‘willem / L.P. Boon heeft ± ¼ geknipt zonder mij te kennen. Ze zijn allemaal dezelfde. gust’ (Archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag).
[18] Zie de bijdrage van Ton van Imschoot in dit boek [= Van Imschoot 2015; aanvulling 2019]; intussen verscheen ook Huijser 2014.
[19] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 1 november 1965, doorslag in archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[20] Hermans aan Gils, 18 januari 1965 (doorslag in het archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag): ‘Bovendien is Lolita Nabokov’s beste boek waarschijnlijk niet, zo min als Damokles mijn beste is, al hebben die twee boeken de resp. twee auteurs verreweg de meeste bekendheid opgeleverd.’ Lolita van Vladimir Nabokov was in 1955 in Parijs verschenen, drie jaar vóór De donkere kamer van Damokles.
[21] Hermans staat in Podium als redactielid vermeld van aflevering 9/10 van jaargang 17 (1962-1963) tot en met aflevering 1 van jaargang 19 (1964-1965), Gils was redacteur van aflevering 3 van jaargang 16 (1961-1962) tot en met aflevering 6 van jaargang 23 (1969). Zie ook Sicking 1986.
[22] Gust Gils aan Willem Frederik Hermans, 1 februari 1965, archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag. De Nederlandse schrijver en criticus Pierre H. Dubois werkte van eind jaren dertig tot begin jaren vijftig gedurende langere periodes in Brussel.
[23] Vanaf de tweede, uitgebreide versie van Mandarijnen op zwavelzuur, die in 1967 verscheen. In de uitgave Hermans 1985 op 236 e.v.
[24] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 4 januari 1966, doorslag in het archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[25] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 16 okt. 1965. Het gaat om de bibliofiele bundel Insomnia Ferox, die in een oplage van 120 exemplaren was verschenen bij de Paradox Press in St. Niklaas.
[26] Geciteerd naar Hermans 2005, deel 11 (2008), 213 resp. 232. In de eerste druk van Het sadistische universum (1964) had Hermans Gils’ tekst ‘Vernietig het dorp’ genoemd, een fout die in de derde druk (1965) werd hersteld. Van deze derde druk stuurde Hermans Gils een exemplaar toe met de opdracht ‘Voor Gust,/ deze derde druk waarin (p.179)/ het dorp eindelijk versnipperd/ wordt, zoals het hoort./ Met excuses voor de vroegere/ drukken./ Willem Frederik/ Gr. 7 juli 65’. Het boek is nu (juli 2014) in het bezit van antiquariaat Demian in Antwerpen (http://www.demian.be/boekhandel/page.aspx#92_192). Van de eerste druk kreeg Gils eerder al een exemplaar, eveneens met opdracht (ibid.).
[27] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 29 februari 1964, doorslag in archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag. ‘Versnipper het dorp’ was gepubliceerd in afl. 2/3 van de jaargang 1963-1964 van Podium (Gils 1963).
[28] Gust Gils aan Willem Frederik Hermans, 4 januari 1959, archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag. De donkere kamer van Damokles (Hermans 1958) had van de eerste tot en met de negende druk Damocles met een ‘c’ in de titel. Zie de Commentaar bij deel 3 (2010) van Hermans 2005, 717 e.v.
[29] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 25 januari 1959, doorslag in archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag. Voor het bredere verband van deze uitspraak zie de Commentaar in Hermans 2005, deel 3 (2010). ‘De blinde fotograaf’ is een verhaal uit Hermans’ bundel Een landingspoging op Newfoundland en andere verhalen (Hermans 1957), nu in Hermans 2005, deel 7 (2006).
[30] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 12 maart 1965, doorslag in archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag. Meer over dit en andere ongelukken: Gielkens 2013.
[31] De eerste druk uit 1965 telde vijf exemplaren.
[32] Gust Gils aan Willem Frederik Hermans, 12 november 1969, archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[33] Zie noot 9.
[34] Gust Gils aan Willem Frederik Hermans, 13 juli 1973, archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[35] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 29 juli 1973, doorslag in archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[36] Gust Gils aan Willem Frederik Hermans, 2 augustus 1973, archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[37] Gust Gils aan Willem Frederik Hermans, 19 november 1984, archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[38] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 22 november 1984, doorslag in archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag. ‘De roerloze vechter’ stond in Gils 1964, 168-174.
[39] Gils 1985, 182-186.

Literatuur
De Mari e.a. 1973
H. de Mari & I. Sitniakowsky, ‘W.F. Hermans, topschrijver vol venijn: “Lachen? Ik doe niet anders!”, in: De Telegraaf, 6-10-1973.
Gielkens 2013
J. Gielkens, ‘“Ik ben nog nooit op een autootje zo verliefd geweest”. Willem Frederik Hermans achter het stuur’, in: De Parelduiker, 1, 1, 2013, 21-36.
Gils 1953
G. Gils, Partituur voor vlinderbloemigen. Antwerpen, eigen beheer, 1953.
Gils 1954
G. Gils, Zeer verlaten reiziger. Antwerpen, Gard-sivik, 1954.
Gils 1958
G. Gils, ‘Hermans is hier geweest’, in: Vooruit, 22-2-1958.
Gils 1960
G. Gils, Met de noorderzon op stok. Zaandijk, Heijnis, 1960.
Gils 1963
G. Gils, ‘Versnipper het dorp’, in: Podium, 1, 2/3, 1963-1964, 68-70.
Gils 1964
G. Gils, Verbanningen. Paraproza. Amsterdam/Antwerpen, De Bezige Bij/Ontwikkeling, 1964.
Gils 1965
G. Gils, Insomnia Ferox. St. Niklaas, Paradox Press, 1965.
Gils 1985
G. Gils, Het zoemen van de bierkaai. Amsterdam/Antwerpen, De Bezige Bij/Contact, 1985.
Gils 2001
G. Gils, ‘“I remember WFH”’, in: R.J. Benders & W. Smulders (red.), Apollo in Brasserie Lipp. Bespiegelingen over Willem Frederik Hermans. Amsterdam, De Bezige Bij, 2001, [105]-[107].
Hermans 1946a
W.F. Hermans, Horror Coeli en andere gedichten. Amsterdam, J.M. Meulenhoff, 1946. Ook in: idem, Volledige Werken, deel 7. Amsterdam, De Bezige Bij, 2006.
Hermans 1946b
W.F. Hermans, ‘Snerpende critiek’, in: Criterium, [4], 13 (oktober 1946), 1945-1946, 705-709.
Hermans 1947
W.F. Hermans, Conserve. Amsterdam, Salm, 1947. Ook in: idem, Volledige Werken, deel 1. Amsterdam, De Bezige Bij, 2005.
Hermans 1948a
 W.F. Hermans, Moedwil en misverstand. Amsterdam, J.M. Meulenhoff, 1948. Ook in: idem, Volledige Werken, deel 7. Amsterdam, De Bezige Bij, 2006.
Hermans 1948b
W.F. Hermans, Hypnodrome. Gedichten. Den Haag, A.A.M. Stols, [1948]. Ook in: idem, Volledige Werken, deel 9. Amsterdam, De Bezige Bij, 2012.
Hermans 1949
W.F. Hermans, De tranen der acacia’s. Amsterdam, Van Oorschot, 1949. Ook in: idem, Volledige Werken, deel 1. Amsterdam, De Bezige Bij, 2005.
Hermans 1950
W.F. Hermans, Fenomenologie van de pin-up girl. Amsterdam, Van Oorschot, 1950. Ook in: idem, Volledige Werken, deel 13. Amsterdam, De Bezige Bij, 2008.
Hermans 1951
 W.F. Hermans, Ik heb altijd gelijk. Amsterdam, Van Oorschot, 1951. Ook in: idem, Volledige Werken, deel 2. Amsterdam, De Bezige Bij, 2008.
Hermans 1952
W.F. Hermans, Het behouden huis. Amsterdam, De Bezige Bij, [1952]. Ook in: idem, Volledige Werken, deel 7. Amsterdam, De Bezige Bij, 2006.
Hermans 1953
W.F. Hermans, Paranoia. Amsterdam, Van Oorschot, 1953. Ook in: idem, Volledige Werken, deel 7. Amsterdam, De Bezige Bij, 2006.
Hermans 1955a
W.F. Hermans, Mandarijnen op zwavelzuur No. 1. Het geweten van de Groene Amsterdammer of Volg het spoor omhoog. Amsterdam, Van Oorschot, 1955.
Hermans 1955b
W.F. Hermans, Description et genèse des dépôts meubles de surface et du relief de l’Oesling. Luxemburg, Service Géologique de Luxembourg,1955.
Hermans 1957
Willem Frederik Hermans, Een landingspoging op Newfoundland en andere verhalen. Amsterdam, Van Oorschot, 1957. Ook in: idem., Volledige Werken, deel 7. Amsterdam: De Bezige Bij, 2006.
Hermans 1958
Willem Frederik Hermans, De donkere kamer van Damokles. Amsterdam, Van Oorschot, 1958. Ook in: idem., Volledige Werken, deel 3. Amsterdam: De Bezige Bij, 2010.
Hermans 1964
W.F. Hermans, Mandarijnen op zwavelzuur. Groningen, De Mandarijnenpers, [1964].
Hermans 1969a
            Willem Frederik Hermans, Zwarte handel. [Haren], De Mandarijnenpers, 1969.
Hermans 1969b
Willem Frederik Hermans, Fotobiografie. Hermans, Thomas Rap, 1969.
Hermans 1985
 W.F. Hermans, Mandarijnen op zwavelzuur. Parijs, De Mandarijnenpers, 1985.
Hermans 2005
W.F. Hermans, Volledige Werken, deel 1 e.v. Amsterdam, De Bezige Bij, 2005 e.v. www.wfhermansvolledigewerken.nl
Huijser 2014
Wim Huijser, ‘Als een vierkant tot een kubus. Opgravingen in Gust Gils’ Muzeum voor Kleine Kurioziteiten’, in: De Parelduiker, 19, 2, 2014, 2-13.
Keja e.a. 2011
M. Keja & A. Kuipers (ed.), W.F. Hermans & F. Bordewijk, Een onmiskenbare verwantschap. Brieven 1944-1965. Amsterdam, De Bezige Bij, 2011.
Maas 2003
N. Maas (ed.), G. van Oorschot, Hierbij de hele God in proef. Brieven aan Willem Frederik Hermans. Amsterdam, Van Oorschot, 2003
Maas 2004
Nop Maas (ed.), W.F. Hermans, Je vriendschap is werkelijk onbetaalbaar. Brieven aan Geert van Oorschot. Amsterdam, De Bezige Bij, 2004.
Maas e.a. 2008
N. Maas & W. Otterspeer (ed.), W.F. Hermans & G. Reve, Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel. Een briefwisseling. Amsterdam, 2008.
Meijer 1970
I. Meijer, ‘Het enige geluk is geluk in slavernij’, in: HP-magazine, 28-10-1970. Ook in: F.A. Janssen (red.), Scheppend nihilisme. Interviews met Willem Frederik Hermans. Amsterdam, De Bezige Bij, 19833, 223-234.
Nabokov 1955
V. Nabokov, Lolita. Parijs, Olympia Pres, 1955.
Otterspeer 2009
W. Otterspeer (ed.), Machines en emoties. Willem Frederik Hermans, Rudy Kousbroek, Ethel Portnoy. Een briefwisseling. Amsterdam, De Bezige Bij, 2009.
Otterspeer 2012
W. Otterspeer, ‘Hermans en de goede Gust’, in: Zuurvrij, juni 2012, 25-31.
Otterspeer 2013
W. Otterspeer, De mislukkingskunstenaar. Willem Frederik Hermans. Biografie, deel I (1921-1952). Amsterdam, De Bezige Bij, 2013.
Sicking 1986
J.M.J. Sicking (red.), Podium. Bibliografische beschrijving, analytische inhoudsopgave, index. Nieuwkoop, De Graaf, 1986.
Snijders 1969
F. Snijders, ‘Hermans was hier’, in: Amigoe de Curaçao, 25-1-1969 & 27-1-1969.
Van imschoot 2015
T. Van Imschoot, ‘Het museum als medium. Over het absurde conceptualisme van Gust Gils’, in: M. Velle et al. (red.), Gust Gils in zijn experiment. Gent, Academia Press, 2015, p. 93-134.

Eerder gepubliceerd in: Matthias Velle et al. (red.), Gust Gils in zijn experiment. Gent: Academia Press, 2015, p. 251-267, de bundeling van bijdragen aan een studiedag over Gust Gils in Gent in december 2012. Uiteraard zou dit artikel op een aantal punten geactualiseerd kunnen worden, maar ik geef er de voorkeur aan het weer te geven zoals het werd gepubliceerd (met een kleine noodzakelijke verwijzende aanvulling in een voetnoot en in de literatuurlijst). De voorgestelde brieveneditie is er helaas nog niet. Hoe dat komt vertel ik in mijn memoires.