zondag 30 april 2023

OPGESPOORD

Het is een prachtig boek, dat Het universum van Willem Frederik Hermans van Max Pam, Hans Renders en Pieter Schreuders. Er valt veel te ontdekken, ook voor wie het archief van Hermans intensief heeft gebruikt. Het moet prachtig zijn om zo’n boek te maken, net zoals het bijzonder was om aan de Volledige Werken te werken – met de wetenschappelijke restricties die zo’n onderneming met zich meebrengt. Je zag, bij het maken van de afzonderlijke delen van de VW, veel meer materiaal dan je kon gebruiken, je bedacht al werkende aan de nawoorden dat je misschien vroeg of laat eens iets met dat materiaal moest doen. Heel af en toe kon dat.
In 2013 (aflevering 1) publiceerde ik in De Parelduiker het artikel ‘“Ik ben nooit op een autootje zo verliefd geweest”. Willem Frederik Hermans achter het stuur’, over de wederzijdse belangstelling van de schrijver en ondergetekende die in de titel tot uitdrukking komt. Dat artikel had wat voeten in de aarde en was eigenlijk al jaren eerder geschreven, maar daarover een andere keer. Het stuk was onder andere gebaseerd op de dossiers die Hermans zelf over zijn autobezit had aangelegd. Het is goed om in Het universum van Willem Frederik Hermans te lezen dat de samenstellers mijn artikel ‘vermakelijk’ vinden. Ze konden, wat illustraties betreft, in hun boek breder uitpakken dan ik dat in ‘De Parelduiker’ kon, en dat is mooi.
Er is overigens nog veel meer mooi automateriaal in het archief-Hermans, als bijlagen bij de correspondentie Hermans-Kousbroek bijvoorbeeld, materiaal waarvan in de door Willem Otterspeer in elkaar geflanste brievenuitgave geen spoor terug te vinden is.
Op het eind van hun autohoofdstuk in Het universum van Willem Frederik Hermans schrijven Pam, Renders en Schreuders over een van Hermans’ auto’s: ‘De Morgan Plus Four die Hermans van 1965 tot 1972 bezat, bestaat trouwens nog steeds. Nadat hij was verkocht, werd hij eigendom van Geer Selen, een architect uit Venlo, die de auto grondig restaureerde en er nog jarenlang in reed. In september 2017 werd de auto opgespoord door Bas van der Spruit’.
Dat opsporen ging zo, en ik kan het weten, want ik was er voor een deel bij. Ik was niet bij het gedeelte waarin Bas van der Spruit (die nu Bas Godska heet) met Raymond Benders van het Willem Frederik Hermans instituut sprak en het idee opvatte te proberen de auto te kopen. Waar ik wel bij was, was het telefoongesprek dat Benders vervolgens – was het in 2017? Zou best kunnen, maar vermoedelijk eerder – met mij voerde, met de belangrijkste vraag: heb jij adresgegevens van die man die de Morgan van Hermans heeft? Ik had die adresgegevens niet meteen bij de hand, maar ik kon naar mijn artikel in De Parelduiker uit 2013 verwijzen, waarin ik schrijf dat ik de Morgan van Hermans bij meneer Selen uit Venlo had opgespoord. Mijn advies was: mijn artikel lezen, liefst tot helemaal op het eind, en een beetje googelen, en je vindt meneer Selen meteen.
Als dat over dat opsporen van die Morgan dus even kan worden veranderd in de tweede druk van Het universum van Willem Frederik Hermans, dat zou fijn zijn. En er is me door Benders nog een ritje in de Morgan beloofd – als dat ook even geregeld kan worden.
Mijn artikel in De Parelduiker is hier te lezen (liefst helemaal tot het eind):

zondag 19 maart 2023

Amqui

Weet u waar Amqui ligt? Ik wist het ook niet tot een dag of wat geleden, toen Teletekst meldde dat daar een pickuptruck op voetgangers was ingereden met enkele slachtoffers tot gevolg. Zulke berichten worden door de persbureau’s interessant gevonden totdat blijkt dat er geen terrorisme in het spel is.

Volgens Teletekst lag Amqui in het noordoosten van Canada. Nou ben ik daar wel eens overheen gevlogen, over het noordoosten van Canada, in het najaar van 1983 namelijk, tijdens mijn eerste vlucht naar het Amerikaanse continent, naar Seattle aan de westkust om precies te zijn. Je vloog toen eerst naar de poolcirkel, over Groenland en vervolgens over de hele breedte van Canada naar Seattle. Dat vliegen boven Canada duurde uren, en onder ons was niks: bergen, de Hudsonbaai, bergen, niks: de kans dat daar in het noorden van Canada een pickup mensen raakt is erg klein. Amqui ligt dan ook niet in het noordoosten van Canada, maar in het noordoosten van de Canadese provincie Quebec, die zelf liever Québec wordt genoemd en die in het zuidoosten van Canada ligt.

Zeer waarschijnlijk ben ik wel eens in of in de buurt van Amqui geweest, maar helemaal zeker weet ik het niet. In augustus 2002 maakten we met zoon van 17 en diens beste vriend een rondje van een kleine maand van Montreal, in het Frans Montréal, via de oostkust van Québec en New Brunswick de grens van de Verenigde Staten over, door Maine en alles wat daaronder ligt naar New York, en toen weer van daar via alles wat daarboven ligt naar Montreal. Vanuit Montreal reden we in noordoostelijke richting langs de Lawrence River naar de hoofdstad van Québec, Québec, en toen verder langs het water naar Rimouski. We overnachten in een hotel aan de rivier. Ik wist in 2002 nog niet dat ik me ooit intensief met Willem Frederik Hermans zou gaan bezig houden, en dus ook niet dat Hermans ook daar in Rimouski was geweest en overnacht had, en wel in het najaar van 1948.

De volgende dag wilden we verder langs de kust naar het schiereiland Gaspé rijden, maar het was noodweer en de kustweg was afgesloten. De enige mogelijkheid was binnendoor rijden, over onverharde wegen, en dat deden we ook, maar het mocht alleen achter een volgauto, die tientallen kilometers lang voor ons en anderen uitreed totdat we weer een doorgaande verharde weg tegenkwamen. We moeten onderweg, als ik nu op de kaart kijk, wel langs Amqui zijn gekomen.

We waren toen in 2002 op wel meer plekken waar Willem Frederik Hermans in het najaar van 1948, tijdens zijn verblijf als controleur in de houtindustrie, ook was geweest, maar wat je niet kunt weten, kun je niet weten. In 2008 was dat wel het geval, toen we, nu zonder jong volk, een reis door de provincies Nova Scotia, Newfoundland, Prince Edward Island en een klein stukje New Brunswick maakten. We ondernamen die reis zonder reisbeurs en zonder contract voor een boek op zak, maar wel met kennis van de feiten van Hermans’ reis. We hadden er een mooi en goed boek over kunnen maken, over onze reis en Hermans en Canada (en Newfoundland, want, dat wordt graag vergeten door deze en gene, Newfoundland was in 1948 nog geen provincie van Canada maar een dominion van het Verenigd Koninkrijk). Wat jammer dat zo’n boek, zo’n mooi en goed boek, nog ontbreekt.



maandag 20 februari 2023

Marxist

Uit betrouwbare bron hoorde ik laatste dat ik ergens, in zeer marginaal drukwerk, werd uitgescholden voor ‘marxist’. Het marginale periodiek gaat niet over socialisme, Karl Marx en dergelijke zaken, maar blijkbaar is ‘marxist’ een mooi scheldwoord voor iemand die ooit promoveerde op Marx. Want inderdaad, lang geleden intussen, was ik een Marx-specialist, al was het dan niet als kenner van het werk van Karl Marx (daar zou ik het eerst goed voor moeten lezen), maar wel van, bijvoorbeeld, zijn archief en zijn handschrift, want ik werkte in de vorige eeuw op het IISG in Amsterdam, waar ze zijn archief beheren. Vanwege mijn kennis van archief en wat dies meer zij kreeg ik ook belangstelling voor de Nederlandse verwanten van Marx, want daar had hij er nogal wat van. Daar promoveerde ik ooit op, eind vorige eeuw. Ik zou mijn proefschrift nog eens moeten lezen om te kijken wat ik toen allemaal wist, maar omdat ik het opschreef kunnen ook anderen iets met mijn kennis van toen. Ik heb geen idee hoe vaak mensen nu nog iets aan mijn proefschrift hebben, want ik hoor er zelden iets over, en ik ga er ook niet elke week naar op zoek.
Maar ik kwam dus toch een verwijzing naar mezelf tegen in verband met Marx, en die verwijzing was naar het Japanse lemma over Marx op Wikipedia. Toen ik dat lemma zag, vroeg ik me af of ik nog wist hoeveel voetnoten mijn proefschrift had. Ik gokte: een stuk of 400, en toen ik het nakeek bleken het er 400 precies te zijn, op 444 pagina’s. De annotaties bij de ruim 60 documenten die als bijlage bij het proefschrift zitten tel ik even niet mee. Als ik ze zou meetellen, zou het aantal nog niet in de buurt komen van het aantal voetnoten bij het Japanse Marx-lemma, want dat zijn er, vandaag dan, 667. Ter vergelijking: in het Nederlands heeft Marx 30 voetnoten nodig, in het Duits 191, in het Engels 296, in het Limburgs 1, bij elkaar nog steeds minder dan het Japans.

Japanners, zou je kunnen concluderen, willen het graag precies hebben, maar dat valt tegen. Ik kan niet veel van dat lemma lezen, maar omdat ze de straat in Trier waar Marx werd geboren in Latijnse letters schrijven, kan ik zien dat ze daarin een fout maken. Ik weet waar die fout eerder werd gemaakt, maar daarmee zal ik u niet lastig vallen. In noot 27 bij het lemma staat ook iets leesbaars: mijn naam namelijk, met daarachter ‘S. 220-221’. Dat ‘S.’ staat voor ‘Seite’, een Duitse pagina dus. De gemiddelde Japanse lezer moet hier raden waar dat op slaat, want mijn proefschrift, want daar slaat het op, wordt nergens in het lemma vermeld. De passage in het lemma waar de voetnoot bij hoort gaat, zo vertelt Google Translate mij, over twee opdrachten van Marx in exemplaren van Das Capital (zo stond het nog in de eerste druk van dat boek) aan zijn neef August en zijn nichtje Nanette, allebei Philips van achteren. De publicatie van de opdracht aan Nanette in mijn boek was een wereldprimeur. Echt waar.

De voetnoot vóór de mijne in het Japanse Marx-lemma heeft ook paginacijfers, maar dan met de titel van het boek waar ze bij horen, namelijk Karl und Heinrich Marx und ihre Geschwister van Manfred Schöncke. Nu wil het geval dat ik dat boek ooit gerecenseerd heb, in een Duits vaktijdschrift voor de Marx- en Engels-wetenschap, maar ook in NRC Handelsblad. De samensteller van het boek, dat net als mijne dus over de familie Marx gaat, had me persoonlijk gevraagd de vrucht van zijn arbeid te recenseren, maar op grond van het typoscript dat hij me had toegestuurd had ik hem geantwoord dat mijn recensie niet positief zou uitvallen. En dat deed het dus ook niet. Mijn recensies waren impliciete waarschuwingen om dat boek van die Schöncke dan maar niet serieus te nemen, maar dat heeft dus niet geholpen. Met het gevolg dat je dan min of meer in één adem genoemd wordt met zo’n prutser. Hier staan mijn recensies:

donderdag 12 januari 2023

EMMER

Ik ben er nog nooit geweest, in Emmer-Compascuum, maar ik heb het wel altijd een mooie plaatsnaam gevonden. Ook over het culturele leven in Emmer-Compascuum weet ik niets, net zo min als over de leesgewoonten daar. Ik weet alleen dat het in het Emmer-Compascuumse boekenwezen druk was de afgelopen weken. Op Boekwinkeltjes.nl kwam er namelijk een Boekwinkeltje bij, waarmee het aantal Boekwinkeltjes in Emmer-Compascuum verdubbelde.

Persoonlijk ben ik van mening dat het aantal Boekwinkeltjes in een gemeente wel iets zegt over de leefbaarheid ter plaatse. In mijn geboorteplaats Kerkrade (45.000 inwoners) zijn sinds jaar en dag vier Boekwinkeltjes actief – of passief, want een van de vier is al jaren ‘tijdelijk gesloten’. Een van de andere drie biedt al jaren één boek aan zonder het te verkopen, de volgende 12 en de laatste 45. Dat ongeveer is de toestand in mijn geboorteplaats.

Had ik trouwens al ooit verteld over de laatste echte winkel in tweedehands boeken in Kerkrade? Die is er nu al weer een jaar of dertig niet meer, want toen onze zoon een jaar of zeven was ben ik nog een keer met hem gaan kijken – korte tijd later was de zaak dicht. Rondkijken en snuffelen was niet de bedoeling in die winkel, zo bleek, want toen mijn zoon de bakken met strips begon door te kijken kreeg hij van de man achter de toonbank het dringende verzoek dat te laten. Wat wel de bedoeling was hadden we al kunnen constateren, want in de korte tijd dat we er waren kwamen er een paar heren op leeftijd binnen die bij de kassa een envelop vanonder de genoemde toonbank kregen, afrekenden en weer vertrokken. Vieze boekjes!

Terug naar die aantallen Boekwinkeltjes per gemeente. Om het contrast aan te geven: mijn huidige woonplaats Odijk (5700 inwoners) telt 7 Boekwinkeltjes, die in totaal bijna 11.000 boeken aanbieden. Hier is het goed wonen.

Maar goed: Emmer-Compascuum. Op de homepage van Boekwinkeltjes worden nieuwe handelaren altijd rechtsboven aangekondigd, en daar zag ik in de loop van december het Boekwinkeltje ‘depragmatischeaspect’ verschijnen. Ik klikte door, want bij zo’n naam ben je wel nieuwsgierig naar de manier waarop ze welke boeken aanbieden. Maar ‘depragmatischeaspect’ bleek nog niet geopend. 'Gelieve later terug te komen' staat er in zo'n geval. Om de wachttijd te doden keek ik even hoeveel Boekwinkeltjes Emmer-Compascuum (7700 inwoners) al telde. Het bleek er één: ‘Vivliofagos’. Deze boekenverslinder biedt twee boeken aan, maar aan de prijs te zien wil hij of zij ze niet kwijt.

De dagen na de oprichting van ‘depragmatischeaspect’ keek ik regelmatig of ze al open waren, maar dat was niet zo. Wel verscheen er na een paar dagen een nieuw Boekwinkeltje op Boekwinkeltjes.nl: ‘pragmatischeaspecten’. Aha, dacht ik: ze hebben de taaladviesdienst geraadpleegd en aan Boekwinkeltjes gevraagd of ze de naam kunnen veranderen. Ik verwachtte dan ook dat ‘depragmatischeaspect’ snel zou verdwijnen. Quod non, zou Vivliofagos zeggen, integendeel: ‘pragmatischeaspecten’ verdween! Sindsdien, een week of drie geleden nu, wacht ik op het verschijnen van de eerste boeken die ‘depragmatischeaspect’ gaat aanbieden.

Ik houd u op het hoogte, zoals ze in Emmer-Compascuum zeggen.

 


zondag 30 oktober 2022

Niet thuis

Mijn afdeling tweedehands boeken komt wel eens bij mensen thuis en nog vaker bij mensen die niet meer thuis zijn, omdat ze overleden zijn namelijk en hun boeken ergens heen moeten. Een paar jaar geleden kreeg ik het verzoek te komen kijken naar het papier dat een overledene bij leven had verzameld. De alleenstaande man had een klein huisje bewoond, ergens in een van de oude wijken van een van onze grote steden: woonkamer, keuken en een serretje beneden, boven een slaapkamer, nog een kamertje, een overloop. Overal, behalve in de lege slaapkamer, stonden en lagen boeken: de familie had uitgezocht wat ze wilde bewaren en de meeste meubels al verwijderd.

De enige stoel in de keuken en het fornuis daar maakten duidelijk dat de bewoner niet van schoonmaken hield. Ook de boeken, en zeker die in de tweede kamer boven en op de overloop, waren deels stoffig en hadden geleden van net iets te klamme omstandigheden. Maar toch was er genoeg interessants om mee te nemen. Dat het leven niet altijd over rozen gaat bleek toen ik een stapeltje brieven achter een rijtje Godfried Bomansen - het ging om een familie met Haarlemse connecties - tevoorschijn viste die de familie nog niet had ontdekt. Het was de briefwisseling van de bewoner met zijn moeder, zo vertelde de aanwezige neef, ook dat het tussen de twee niet erg boterde.

Het bijna lege huisje, de verstopte brieven en de resterende tekenen van leven van de nu ontbrekende bewoner straalden eenzaamheid uit. Dat deden zeker de sporen die op de muur van de lege slaapkamer waren achtergebleven, daar waar het hoofdeinde van het bed had gestaan. De knop onderaan het koord naar de lichtschakelaar bij het plafond had door jarenlang heen en weer bungelen een groef in de muur gemaakt. De vlek die het gepommadeerde – laten we dat maar aannemen – haar van de lezende en in slaap vallende bewoner in de loop van de tijd had gevormd maakte er een surrealistisch tafereel van.

maandag 17 oktober 2022

Goed verzorgd

Vanaf 1 januari 2023 zal, onder de paraplu van het Prins Bernhard Cultuurfonds, het Rudy Kousbroek Fonds actief zijn, dat is ontstaan op initiatief van ‘diverse betrokkenen uit het literaire veld’. Het doel van het fonds is ‘publicaties van verzameld-werkuitgaven van Nederlandstalige auteurs mogelijk te maken, alsmede van andere monumentale edities van Nederlandse of vertaalde literatuur, waarvan het literair c.q. literair-historisch belang evident is. / De achtergrond voor de oprichting is de constatering dat het steeds moeilijker wordt om van het werk van belangrijke auteurs een goed verzorgde gedrukte verzameluitgave op de Nederlandstalige markt te brengen, gericht op een algemeen cultureel lezerspubliek.’
Dat is een nobel streven, maar ik vraag me af of een dergelijke doel met particuliere donaties bereikt kan worden. Deskundigheid en tijd – het kost allemaal bakken vol geld, en dat moet het nog allemaal gepubliceerd worden. Als ik met een erg natte vinger uitreken wat mijn voorstel voor zo’n door het Rudy Kousbroek Fonds zou kosten, dan vrees ik dat zo’n plan het alleen al vanwege de rekensom niet zou halen. Het betreft de uitgave van een briefwisseling van twee schrijvers, zo’n 170 brieven dik. Voor zo’n editie is archiefonderzoek nodig, de brieven moeten netjes worden getranscribeerd, er komen noodgedwongen nogal wat voetnoten aan zo’n uitgave te pas wil je een beetje duidelijk maken waarover de twee schrijvers zoal heen en weer schreven, enzovoort. En dan krijg je nog de uitgave zelf, die, van papier of digitaal, ook het nodige kost. Een jaar of twee werk in deeltijd (ik word een jaartje ouder) zal zo’n uitgave toch wel nodig hebben, met een passende vergoeding – reken maar uit.
Wat zou mijn voorstel voor zo’n door het Rudy Kousbroek Fonds ondersteunde uitgave dan zijn? Ik zou de door Willem Otterspeer bezorgde briefwisseling tussen Willem Frederik Hermans, Rudy Kousbroek en Ethel Portnoy willen overdoen, want dat is een van de beroerdst bezorgde brievenedities die ik ken. Het boek verscheen in 2009 bij De Bezige Bij onder de titel Machines en emoties. Willem Frederik Hermans, Ethel Portnoy. Een briefwisseling. Otterspeer mist vele talenten, een daarvan is dat van een bezorger van historische documenten. Hij doet maar wat, heeft geen clou van de presentatie van ongepubliceerde bronnen, of iets geannoteerd wordt of niet wordt bepaald door willekeur, soms getuigt wat er staat van een gênante domheid.

Een voorbeeld in de laatstgenoemde categorie dat ik in huiselijke kring graag vertel gaat over deze zin uit een brief van Kousbroek aan Hermans van 28 september 1966: ‘Gisterenavond hebben we een toneelstuk van le douanier Rousseau gezien. Subliem, zonder overdrijving. Het heet La vengeance de l’orpheline Russe.’ De lezer, die vermoedelijk weet dat het bij ‘le douanier Rousseau’ gaat om Henri Rousseau (1844-1910), zou verbaasd kunnen zijn over het feit dat deze kunstschilder ook schreef en wil waarschijnlijk informatie over het toneelstuk. Een deskundige bezorger maakt daarom een voetnoot met bibliografische en eventueel andere gegevens, bijvoorbeeld waar Kousbroek iets over dit toneelstuk schreef. Maar de ondeskundige bezorger doet dat niet, want Otterspeer heeft niet verondersteld dat Kousbroek iets over dit toneelstuk had geschreven en ook niet gezien dat dat artikel in Anathema’s, deel 1 (1969), gebundeld is. Had hij van dit alles een nette voetnoot gemaakt, had hij in het register van de editie waarschijnlijk niet laten weten dat het hier gaat om Jean-Jacques Rousseau, de filosoof. Echt waar. Violette Leduc (schrijfster, twintigste eeuw) en Eugène Viollet-le-Duc (architect, negentiende eeuw) gooit de professor ook op die manier door elkaar.

En zo kan ik nog wel een weekje doorgaan, maar daarvoor had ik graag een bijdrage uit het Rudy Kousbroek Fonds.

Ik ben niet de enige die zo over de bezorgerskwaliteiten van de intussen voormalige hoogleraar denkt. Nop Maas bijvoorbeeld is het met mij eens, al zegt hij het anders. Maas bezorgde één briefwisseling samen met Willem Otterspeer: Willem Frederik Hermans en Gerard Reve. Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel. Een briefwisseling, in 2008 verschenen bij De Bezige Bij en goedgekeurd door het Willem Frederik Hermans instituut (de briefwisseling met Kousbroek moest het doen zonder dit bewijs van goedkeuring van de erven-Hermans). Nop Maas is een ervaren bezorger, onder andere van de tweedelige briefwisseling van Willem Frederik Hermans met diens uitgever Geert van Oorschot, respectievelijk Hierbij de hele God in proef (Van Oorschot aan Hermans) en Je vriendschap is werkelijk onbetaalbaar (Hermans aan Van Oorschot) getiteld, in 2003 respectievelijk 2004 verschenen bij Van Oorschot respectievelijk De Bezige Bij verschenen. Waarom dat niet in één boek kon gaat misschien nog eens iemand van de respectievelijke betrokkenen uit de doeken doen, maar Nop Maas deed het deels dubbele werk met verve en deskundig.

Maas was ook de bezorger van een aantal brievenedities van Gerard (van het) Reve, die weer hun eigen uitdagingen – vooral Reve en Schafthuizen geheten – kenden. Over die uitgaven en hun bijzondere omstandigheden verscheen in 2020 een klein maar fijn en amusant en leerzaam boekje: Nop Maas, Altijd wat. Over het maken van brievenuitgaven van Gerard Reve (Leiden: Fragment, oplage 100). Ook het maken van de briefwisseling Van het Reve/Hermans komt ter sprake, op p. 39:

‘De Hermans-correspondentie deed ik samen met Willem Otterspeer. De voor de hand liggende verdeling van werkzaamheden was dat Otterspeer de Hermansbrieven zou becommentariëren en ik die van Reve. De beide editeurs zijn echter verschillende types. Otterspeer meer de schrijver en essayist, ik meer de filoloog en krantenlarf. Het leek een beetje op de relatie tussen Kees Fens en Harry – Koning Voetnoot – Prick. Als Fens iets niet wist belde hij Prick en als die het niet wist, besloot Fens dat [het] niet te vinden was. Terwijl je natuurlijk ook de trein kunt nemen naar de Koninklijke Bibliotheek om het daar in een oude krantenlegger op te zoeken.’

Dat is ook een manier om te zeggen dat Otterspeer geen kaas heeft gegeten van editeren. Ik proef dat Maas ook wil zeggen dat Otterspeer geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het eindproduct. Dat is wat mij betreft goed te zien aan de kwaliteit ervan, want de briefwisseling Reve-Hermans is een op-en-top Nop Maas-editie, waarover ik geen vervelend stuk zou kunnen schrijven. De briefwisseling Kousbroek-Hermans, een jaar later verschenen, laat zien dat Otterspeer van zijn samenwerking met Maas niet heeft begrepen dat hij edities aan anderen moet overlaten. ‘Aanvaard enkel taken die binnen de deskundigheid vallen’ zegt de Nederlandse gedragscodewetenschappelijke integriteit, maar dat document heeft Otterspeer wel vaker aan zijn laars gelapt.

Dus, Rudy Kousbroek Fonds: graag die briefwisseling opnieuw laten bezorgen door iemand die niet denkt dat je kunt editeren als je kunt lezen en schrijven, het veterdiploma hebt of hoogleraar bent. De correspondenten, Hermans en Kousbroek, verdienen dat.

*

Ik schreef wel vaker over de mankementen van Otterspeers werk – u vindt die stukken wel ergens op dit blog als u ze (nog eens) wilt lezen. Over een andere editie die Otterspeer verprutste schreef ik ook een stuk: https://jangielkens.blogspot.com/2017/12/je-wordt-altijd-door-je-peers-mooi.html




vrijdag 23 september 2022

HIJ BLIJ

Iemand die ik vaag ken, een voormalige professor, kreeg een koninklijke onderscheiding, hij werd benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Vanwege ‘bijzondere verdiensten jegens de samenleving’ krijg je die. Hij blij.

Nou is het zo dat je koninklijke onderscheidingen heel gemakkelijk krijgt. Kijk maar naar het lijstje van onderscheidingen van onze huidige koning: hij is Grootmeester van de Militaire Willems-Orde, Ridder Grootkruis in de Orde van de Nederlandse Leeuw en Ridder in de Huisorde van de Gouden Leeuw van Nassau, hij is drager van het Grootkruis in de Huisorde van Oranje en van het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier, hij is Erecommandeur van de Johanniter Orde in Nederland en bovendien ontving hij de Inhuldigingsmedaille 1980, de Huwelijksmedaille 2002, de Inhuldigingsmedaille 2013 en – houdt u vast – het Elfstedenkruisje.
Hij heeft dus blijkbaar geen Verkeersdiploma. Ik wel.
Zijn dochter Amalia is ook goed begonnen. Op haar achttiende werd ze door haar pa benoemd tot Ridder-Grootkruis in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Die krijg je voor een ‘buitengewone prestatie op het gebied van kunst, wetenschap, sport of muziek’. Dat moet dan zijn omdat ze net zo goed kan zingen als haar oudtante Marijke. Die Orde van de Nederlandse Leeuw heeft overigens vier graden: Amalia begon meteen bij de hoogste. Maar ze hoeft alleen maar te wachten, zonder er iets voor te doen, tot ze nog een stapje hoger mag: dan wordt ze, net als haar pa, Grootmeester van de Militaire Willems-Orde. Daar heb je ook weer vier graden in, en ook die zal Amalia overslaan, let maar op.

Onder de in totaal acht graden van de Militaire Willems-Orde en de Orde van de Nederlandse Leeuw zit de Orde van Oranje Nassau. Die heeft zes rangen. De hoogste is Ridder Grootkruis, dan Grootofficier, dan Commandeur, dan Officier, dan Ridder, dan Lid. Als je die laatste krijgt, ben je de lul. Max Verstappen werd onlangs benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau, graad nummer vier dus van deze onderscheiding. Die vage kennis van mij waar ik het hierboven over had, de voormalige professor, moest het met een graadje lager doen: hij werd Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Wat is het verschil tussen die twee graden eigenlijk? De onderscheiding van Verstappen hangt aan een lint of een strik waarop een rozet, die van mijn vage kennis aan een lint of strik zonder rozet. Hij blij.