donderdag 27 januari 2022

Zonsverduistering

Jammer, hij gaat niet door, de avond over het thema ‘De pen als wapen: literatuur en engagement’, die vanavond in de Balie in Amsterdam zou plaatsvinden. Dit was de bedoeling: ‘Aan de hand van de nieuwe biografie over Jef Last – misschien wel een van de meest geëngageerde schrijvers van de vorige eeuw – gaan we in gesprek met auteurs van nu over hun rol in het maatschappelijk debat, en over het nut en de noodzaak van engagement.’ Rudi Wester (de biografe van Last), Adriaan van Dis en Lemuël de Graav waren de uitgenodigde sprekers.

 

Ik was er graag naar toe gegaan, naar die bijeenkomst, en wel om daar ter plekke aan fact checking te doen, want de kans was toch groot dat citaten uit het werk van Jef Last een rol zouden spelen. De vraag was alleen: zouden die citaten van Jef Last zijn, of zouden ze worden besproken in de versie van Rudi Wester? Ik heb immers, in diverse stukken uit 2021, aannemelijk gemaakt, had ik de indruk, dat geen enkel citaat, van Last of van wie dan ook, in de biografie van Wester correct is. Geen enkel. Nul. Null. Nul. Zero. Nul. Cero. Noll. Om maar een paar van de talen te gebruiken die Last beweerde te beheersen, en Rudi Wester met hem.

 

Een van die citatenkanditaten uit de biografie was toch wel dit, op p. 219 van de biografie:


Wanneer het fascisme triomfeert in Spanje, dan [...] staat niets meer in de weg aan de veroveringsplannen van Italië en Duitsland. Wanneer het fascisme triomfeert, dan worden niet slechts mijn boeken verbrand, maar de boeken van allen die ik als kunstenaars en geestelijk leiders van de mensheid hoog schat [...]. Wanneer het fascisme zegeviert, zullen mijn vrienden, die ik onder de Joden heb, verbannen worden of opgesloten in concentratiekampen. [...] Wanneer het fascisme triomfeert, de gedachte vogelvrij verklaard wordt, de wetenschap gekluisterd, de haat tot ideaal verklaard en de publieke opinie gemaakt wordt door het ministerie van de publieke leugen, dan verliest daarmee het leven zelf zijn zin, dan is alles verloren wat voor mij ooit schoon scheen of waardig of eerlijk. [...] Het is beter staand te sterven dan geknield te leven.’

 

Het zijn zinnen uit de tekst van een kleine anderhalve pagina lang met de titel ‘Een waarschuwing’ bijna op het eind van Lasts brochure Over de Hollanders in Spanje (1937). De tekst in de biografie wijkt op 14 plaatsen af van de originele tekst: er wordt lukraak herspeld, nieuwe alinea’s worden genegeerd, een weglating incorrect weergegeven, er worden woorden toegevoegd en, interpunctie wordt veranderd. En hele zinnen worden aangepast, als het zo uitkomt, zoals de laatste in het citaat en in de originele tekst, want daar staat: ‘Want ik heb de woorden van Passionaria begrepen, dat het beter is staande te sterven dan geknield te leven.’

 

Als dat laatste citaat u bekend voorkomt, dan kan dat, want het was een tijdje geleden (en nog wel veel vaker) in het nieuws. Ik schreef er een blog over.

 

Op 20 maart 2021 citeerde Ruurdje Wester (zo heet ze voor haar vrienden op Facebook) delen van het hierboven aangehaalde citaat – uit de biografie, niet uit het origineel:


Wanneer het fascisme triomfeert, de gedachte vogelvrij wordt verklaard, de wetenschap gekluisterd, de haat tot ideaal verklaard wordt en de publieke opinie gemaakt wordt door het ministerie van de publieke leugen (...) , dan is alles verloren wat mij ooit schoon scheen of waardig of eerlijk’.

 

Weer zijn er een paar zaken veranderd – u kijkt het zelf maar na. En stelt u zich nu eens voor dat Rudi Wester vanavond op haar manier dit citaat had geciteerd. Dan discussieer je toch op den duur over heel andere zaken dan over opvattingen van Jef Last. U kent toch nog de sketch ‘De zonsverduistering’ van Jan Blaaser? Zoiets wordt het dan.

 

Misschien zou vanavond, je weet het nooit, Louis Aragon wel ter sprake zijn gekomen, de linkse Franse schrijver. Die komt ook in de Jef Last-biografie van Rudi Wester voor. Last reisde in 1932 naar de Sovjet-Unie. Hij liet in maart van dat jaar zijn gezin in de steek en bleef driekwart jaar weg om in het arbeidersparadijs te gaan onderzoeken hoe het daar nu werkelijk aan toeging. De Russen zagen graag buitenlandse schrijvers komen, als ze maar positief over het land schreven, en om dat te bereiken werden er reizen in het enorme land georganiseerd. Midden juli 1932 kreeg Jef Last het volgens de biografe, Rudi Wester, ‘heuglijke bericht’ dat er een reis door de Oeral op het programma stond.

 

Over die reis wil ik het verder niet hebben, wel over de zinnen van de biografe na het ‘heuglijke bericht’: ‘Als reisgenoten kreeg Jef Last de Franse surrealist en hardcore communist Louis Aragon, de Pools-Joods-Amerikaanse auteur Isaac Platner en de Hongaarse avant-gardedichter Sándor Barta toegewezen. De vriendin van Aragon, Elsa Triolet, ging mee als tolk want zij sprak, als schoonzus van de beroemde dichter Vladimir Majakovski, vloeiend Russisch.’ (p. 148)

 

Ik zou iets over dat ‘Pools-Joods-Amerikaanse’ van Isaac Platner kunnen zeggen, maar concentreer me graag op de baarlijke nonsens over Elsa Triolet. Volgens de biografe sprak die dus vloeiend Russisch omdat zij de schoonzus van een Rus was. Nou wil het geval dat ik een schoonzus heb met kinderen die Spaanstalig zijn opgegroeid, maar daarom spreek ik nog niet vloeiend Spaans. Vladimir Majakovski was in feite getrouwd met de zus van Triolet, en die zus heette van zichzelf Lilja Joerjevna Kagan, en dat klinkt Russisch. Ze was dan ook een Russin – net als haar zus Elsa, voeg ik er maar even voor het goede begrip aan toe. Elsa Triolet, meisjesnaam Kagan, was ooit getrouwd met een Fransman die Triolet heette en later dus de vriendin en nog later de vrouw van Louis Aragon.

 

Het is allemaal eenvoudig op te zoeken en zou bovendien halfgesneden koek moeten zijn voor iemand die jarenlang in Frankrijk heeft gewoond en pretendeert heel veel over Franse literatuur te weten, zoals de biografe. Desondanks: baarlijke nonsens in een boek vol bagger – dat was zo’n beetje de strekking van de vijf stukken die ik op mijn blog aan de Jef Last-biografie van Rudi Wester wijdde.

 

https://jangielkens.blogspot.com/2021/02/wvttk-mijn-kleindochter-is-nog-geen.html

https://jangielkens.blogspot.com/2021/03/citeren-1-ik-bladerde-orienterend-in.html

https://jangielkens.blogspot.com/2021/05/citeren-3-met-specialeaandacht-voor.html

https://jangielkens.blogspot.com/2021/05/citeren-4-maar-ook-over.html

https://jangielkens.blogspot.com/2021/06/citeren-5-een-spaansetragedie-en-de.html

maandag 11 oktober 2021

Nina Gorter

In Dresden gingen we even kijken in de wijk Hellerau, een in 1909 door de meubelfabrikant Karl Schmidt aangelegde ‘Gartenstadt’: een in uniforme stijl door diverse architecten gebouwde woonwijk in het groen naast de fabriek. Er werden huizen gebouwd voor arbeiders, maar ook villa’s, winkels en andere voorzieningen, en bovendien gebouwen voor culturele activiteiten, waaronder een theatergebouw. Hellerau werd een kunstenaarscentrum, waar bekende schrijvers en kunstenaars op bezoek kwamen, en het werd onder leiding van de Zwitserse danspedagoog Émile Jaques-Dalcroze hét wereldwijde centrum van de Eurhytmics.

En zo kwam Nina Gorter (1866-1922), de jongere zus van Herman Gorter, in Hellerau terecht. Ze was opgeleid als zangeres en pianiste en vanaf het begin van de 20ste eeuw een naaste medewerker van Dalcroze in Genève. Van 1910 tot het begin van de wereldoorlog in 1914 werkten Dalcroze en Nina Gorter in Hellerau. Moeder Jo Gorter-Lugt (1839-1923) vergezelde haar niet altijd gezonde dochter naar haar diverse woonplaatsen. Herman Gorter bezocht zijn moeder en zijn zus in Hellerau, in elk geval in 1911. Of hij daar andere bekende schrijvers of kunstenaars ontmoette is onbekend. Stefan Zweig, Henry van de Velde, Oskar Kokoschka, George Bernhard Shaw, Upton Sinclair, Franz Kafka – het zijn maar een paar namen van bekende bezoekers. Nina Gorter is in Duitsland bekender dan in Nederland: ze heeft een eigen Duits Wikipedia-lemma.
Het theater met zijn omringende gebouwen zag er nogal troosteloos uit. Er werd gesloopt en er werd gebouwd. Er was een dansfestival aan de gang, wellicht ging dat later op de dag wat meer beweging opleveren, want veel leven was er niet.
Door ons korte bezoek aan Hellerau kreeg ik weer zin in het artikel over Nina Gorter dat al een hele tijd op de lijst met goede voornemens staat. De stapel documentatiemateriaal wordt in elk geval elke dag hoger.


De foto’s van het huis waar Nina Gorter woonde komt uit het boek ‘Gartenstadt Hellerau. Die Geschichte ihrer Bauten’ (2008), de portretfoto is uit het archief-Jaques-Dalcroze in Genève.

Oud ijzer


Bij een goede vakantie hoort iets met oude auto’s, en daarom reden wij laatst van ons vakantieadres in een dorp bij de Tsjechische grens in Sachsen naar een andere dorp, Markersbach, nog dichter bij de Tsjechische grens. Daar werd het ‘Altblechtreffen vor der Grenze’ georganiseerd. Iedereen was welkom, gratis, en als je iets gemotoriseerds op minimaal 2 wielen van enige leeftijd bij je had, mocht je op de wei naast het voetbalveld staan, waar overigens gewoon een wedstrijd aan de gang was. Tussen de beide weilanden in stonden lange banken bij een kraam met bier en een beest aan het spit.
De wei liep goed vol vanaf 10 uur, met personenauto’s en motorfietsen; de vrachtauto’s en tractoren mochten weer een wei verder staan. Omdat we ons in de voormalige DDR bevonden, was het oud ijzer voor een groot deel van Oost-Europese afkomst en dus eigenlijk niet alleen ‘Altblech’, maar ook oud-Duroplast, het materiaal dat in de DDR speciaal ontwikkeld werd voor de auto-industrie en dat bestond uit gerecycled katoen en kunsthars. De Trabant – bijnaam ‘Pappe’,  karton – was deels van Duroplast gemaakt.

Er waren genoeg Trabants in Markersbach, maar ik kwam meer voor het andere oudere spul dat ik sinds 1973 met veel belangstelling en verbazing in de DDR bekeek: Škoda’s, Tatra’s, Wartburgs, IFA’s, Zaporozhetsen, Moskvitchen, Lada’s en nog van alles.
De stemming was gemoedelijk op de dag voordat het land ook een nieuwe bondsdag stemde; in Sachsen vond een meerderheid dat de AfD moest winnen, maar het was bij het Altblechtreffen niet te merken. Er waren alleen maar autoliefhebbers.

maandag 19 juli 2021

Bakermat

Het uitstapjesgebied van mijn Zuid-Limburgse jeugd stond onder water. Onze vader stelde op gezette tijden op zondagochtend voor een autotochtje te gaan maken, en als dat niet de Mergellandroute volgde, gingen we vanuit Kerkrade in een van de opeenvolgende Fords Taunus de grens over, naar de Eifel, naar Monschau, en dan richting oosten, tot Koblenz soms, vaak terug via de wijndorpen aan de Ahr. Altenahr was daar de vaste pleisterplaats wanneer de kaartclub van mijn vader zijn jaarlijkse uitstapje maakte.

De kaartclub van mijn vader speelde skaat en heette Harte Vrouw. Ik wist het niet meer, maar kwam er achter door in de krantendatabank Delpher te zoeken. Daar, in het Limburgs Dagblad van 14 november 1958, vind ik bijvoorbeeld het verslag van de ‘onderlinge skatcompetitie van de Kerkraadse Skatvereniging, die onderhand een belangrijke gebeurtenis is geworden in het Kerkraadse skatleven.’ ‘Skat’ met één a, want Skat is eigenlijk een Duits kaartspel, dat vooral in Duitsland wordt gespeeld. Maar dus ook in de uithoek van Nederland waar ik geboren ben, en mijn vader ook, een uithoek met een Duitstalig dialect. En het was, skaatmatig gezien, niet zomaar een uithoek waar onze wiegen stonden, het was de wijk Bleijerheide, die, volgens hetzelfde krantenbericht uit 1958, ‘nog steeds als bakermat geldt van het skatspel in Kerkrade’. ‘Nog steeds’ – zou het in de tussentijd veranderd zijn, denk ik dan, dat historische inzicht over die bakermat; zou iemand onderzoek gedaan hebben naar wat de eigenlijke bakermat van het skaatspel in Kerkrade is?

Vanzelfsprekend probeerde mijn vader zijn kinderen het skaatspel te leren, maar het is hem niet gelukt. Ik herinner me dat ik er al snel de brui aan gaf toen hij zijn eerste les ergens achteraan begon met het in numerieke volgorde opsommen van de punten die je per spel kon verdienen. Wie wil weten hoe het spel gespeeld wordt, kan op Wikipedia een poging wagen. Het Nederlandse lemma daar lezende krijg ik steeds meer begrip voor de uitlegproblemen van mijn vader, maar ook voor zijn kennelijke beheersing van het spel. Want spelen kon hij het als de beste, concludeer ik wanneer ik in het verslag (van de ‘eigen correspondent’) in het Limburgs Dagblad van 26 maart 1962 lees dat weliswaar Schoppe Jong, de ‘nestor onder de Kerkraadse skatverenigingen’, de beker in ontvangst mocht nemen als winnaar van de jaarlijkse competitie van de Kerkraadse Skatfederatie, maar dat mijn vader bij de individuele spelers de ‘algemeen favoriet’ was, die, hoewel ‘twaalf maal aan de eerste tafel spelend’, nog voorbij werd gestreefd door ‘de heer J. Sterk van Stunters’. Tweede, maar toch. Er werd vast stevig op gedronken tijdens het jaarlijkse uitstapje naar Altenahr.



maandag 12 juli 2021

Oost west, thuis best

Het werd de afgelopen week regelmatig aangehaald, het ‘indrukwekkend levensmotto’ (RTL) van de vader van Peter R. de Vries: ‘Liever staande sterven, dan op je knieën leven’. De spreuk staat op het graf van Wouter de Vries, in leven directeur van de kruitfabriek Muiden Chemie.

Waar komt dat motto van pa De Vries vandaan, vroeg menigeen zich af. RTL haalt er een cultureel-antropoloog met als specialisme Latijns-Amerika bij, en die weet te vertellen dat de Mexicaanse revolutionair Emiliano Zapata (1879-1919) de bron is en dat het motto van De Vries sr. ‘bijna de letterlijke vertaling [is]  van een Spaanse uitspraak van Zapata […]. Het betekent volgens hem het volgende: “Als je gedwongen bent om geknield of gebukt door het leven te moeten, en je mond niet open mag doen (letterlijk of figuurlijk), dan kun je nooit vrij zijn.”’ Handig zo’n cultureel-antropoloog. Nou snap ik het tenminste.


De RTL-journalist kwam natuurlijk bij de cultureel-antropoloog terecht nadat hij het motto had gegoogeld en gevonden dat het van Zapata is. Maar nou had ik de spreuk, al een tijd vóór de aanslag op De Vries, ergens anders gelezen, in de Jef Last-biografie van Rudi Wester namelijk, als laatste zin van het openingscitaat van het boek, en wel zo: ‘Het is beter staand te sterven dan geknield te leven.’ Last schreef dat in 1937, toen hij aan republikeinse zijde actief was in de Spaanse Burgeroorlog. Kende hij Zapata? Waarschijnlijker is dat de spreuk in die tijd circuleerde als uitspraak van de Spaans-Baskische communistische leider Dolores Ibárruri. Hij wordt in elk geval aan haar toegeschreven op een Nederlandse poster die te vinden is op het IISG in Amsterdam. Maar het zoeken in die collectie zorgt meteen voor een volgend probleem: dezelfde spreuk is, volgens een andere poster daar, van Che Guevara.

Engelstalige t-shirts bestaan er ook, zoals dit Amerikaanse: ‘The great thing about the American Christian is he would rather die on his feet than live on his knees.’ Dat past ook beter op een rug of een borst dan wat wellicht het origineel van deze uitspraak is: ‘The thing that separates the American Christian from every other person on earth is the fact that he would rather die on his feet, than to live on his knees.’ Dat schijnt, zo vertelt het internet mij, gezegd te zijn door George Washington. En misschien, wie weet, heeft hij ook wel deze korte versie gebruikt:


Washington had een collega die het hem 31 presidenten later nadeed, want in 1941 schreef Franklin D. Roosevelt toen hem op 19 juni 1941 in Oxford en in absentia een eredoctoraat werd verleend: ‘We, and all others who believe in freedom as deeply as we do, would rather die on our feet than live on our knees.’ In het Nederlands klonk dat zo: ‘Ook wij zijn geboren voor de vrijheid, zijn bereid te vechten om de vrijheid te bewaren en zouden liever op onze voeten sterven dan op onze knieën leven.’ De uitspraak werd op 20 juni 1941 geciteerd in Nederlandse kranten, en ook in het Soerabaijasch Dagblad, waar het bericht misschien wel werd gelezen en uitgeknipt door Hein ter Poorten, die later dat jaar bevelhebber van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger zou worden en als zodanig tegen Kerst 1941 vanuit Bandung een radiotoespraak hield die onder de kop ‘Liever staande te sterven dan knielend leven’ in het eerder genoemde Soerabaijasch Dagblad werd samengevat. Ten Poorten noemde ‘Liever staande’ etc. het motto van het KNIL, en hij beloofde ook: ‘Wij zullen vrij blijven. Wij zullen overwinnen.’ Maar dat liep dus anders.

Peter de Vries is – zal menigeen vinden – een soort jurist en in die zin is hij een collega van Bram Moszkowicz, die in 2012 een autobiografisch boek publiceerde met de titel: Liever rechtop sterven dan op je knieën leven. Wist hij toen al dat de vader van Peter R. de Vries die spreuk op zijn graf had staan? Dat zou flauw zijn. Flauw is het eigenlijk ook dat Peter R. de Vries, als hij zo veel bewondering voor zijn vader heeft, niet diens grafmotto volledig en letterlijk op zijn kuit of elders heeft getatoeëerd maar een wel erg verkorte versie. Op die kuit – ik had nooit gedacht dat ik nog eens naar een ontbloot lichaamsdeel van Peter R. de Vries zou googelen –staat namelijk: ‘On bended knee is no way to be free’ – en dat lijkt nog maar matig op de vele originelen. Het is een uitspraak van Edward Louis Severson III. Een naam als van een president, maar in het dagelijks leven is dat de muzikant Eddy Vedder, bekend van de band Pearl Jam. Zijn lied ‘On bended knee’ etc. klinkt zo:

                    

Enfin, ik dacht: ik zoek het allemaal even voor u uit. Want, zoals Thorbecke al zei: ‘Vertrouwen is goed, controle is beter.’ Nu weten we tenminste een beetje waar we aan toe zijn.

zaterdag 19 juni 2021

Voor wie het precies wil weten (soort van)

De vraag is: wat is de titel van dit boek? Ja, ik weet het, het is gezet in de Fraktur-letter, ook wel ‘Gotisch’, ‘Gothisch’ en – echt waar, laatst gehoord – ‘Cyrillisch’ genoemd, allemaal onleesbaar, en ja, ik weet ook dat de titel van een boek op de titelpagina staat en niet voorop, maar in dit geval is de voorkant gelijk aan de titelpagina. Daar staat alleen nog een uitgever vermeld, en wel Georg Wigand’s Verlag in Leipzig. Dat was de uitgever in de negentiende eeuw, want het gaat om een reprint uit 1983 door uitgeverij Hinstorff Verlag in Rostock, toen in de DDR. Het oorspronkelijke jaar van verschijnen wordt niet vermeld, maar het was 1858, want toen verscheen de eerste druk van dit boek.

Maar hoe weet ik dat, terwijl ik toch de titel van dit boek niet ken? Met de naam van de auteur, Klaus Groth, kom je een heel eind. Deze negentiende-eeuwse (1819-1899) auteur uit Heide aan de noordwestelijke kust van Sleeswijk-Holstein, was, zeggen de handboeken, met zijn land- en leeftijdgenoot Fritz Reuter (1810-1874) de grondlegger van de moderne Nederduitse literatuur. Dat is, om het algemeen te houden, een taalvariant die in Noord-Duitsland en aangrenzende gebieden wordt gesproken. Groth en Reuter (die van de andere kant van dit taalgebied afkomstig was, uit Mecklenburg) waren in de negentiende eeuw ook in Nederland bekend. Groth correspondeerde nog met Johannes Kneppelhout en iets Nederlands van Reuter is zelfs een paar jaar geleden (in 2018) nog eens heruitgegeven (maar ik weet niet met welke motivatie); de laatste keren daarvoor was, ik neem aan in het kader van het propageren van de grootgermaanse gedachte, tijdens de Duitse bezetting.

Als ik nu verder zoek waar ik deze laatste gegevens vond, in de overkoepelende Nederlandse bibliotheekcatalogus Picarta, en ik de zoektermen ‘Klaus’ en ‘Groth’ en ‘Kinderreime’ combineer, krijg ik als resultaat twee Duitse uitgaven, een uit de DDR uit 1970 en een Bondrepublikeinse uit 1950. De eerstgenoemde heet Voer de Goern, en de andere För de Gören, wellicht om hem begrijpelijker te maken voor ‘gewone’ Duitse lezers. Eigenlijk bevestigen deze twee titels mijn aanvankelijke lezing, want het woord ‘Gör’ kende ik als aanduiding voor een (vrouwelijke) snotaap, een vervelend kind, en ‘För’ klinkt niet onlogisch als regionale variant van ‘Für’. Een boek met versjes voor de kinderen dus.

Ik had het hierbij kunnen laten. Maar wat doet een mens wanneer hij informatie zoekt: hij kijkt op Wikipedia. En daar staat in het Duitse lemma over Klaus Groth onder ‘Einzelwerke’: Vær de Gærn. Wat nu? Waar haalt Wikipedia haar kennis vandaan? Dit lemma lijkt toch heel solide, met veel degelijke bronnen. Zoals het befaamde Projekt Gutenberg. Daar heet het boek van Groth Voer de Goern. Dan naar de website van de Klaus-Groth-Gesellschaft, waar één verwijzing naar het boek voorkomt, dat hier Vör de Görn heet. Gelukkig is er ook, denk je dan, een ‘Klaus-Groth-Bibliographie’ die wordt onderhouden aan de Christian-Albrechts-Universität in Kiel. Maar in die bibliografie komen alle genoemde en nog veel meer varianten van de titel voor, maar ik vond geen verklaring hiervoor. De eerste druk, dat dan weer wel, heet hier Vær de Gærn. Die titel moet hier natuurlijk eigenlijk cursief staan, maar dan hebben we een probleem, want dat ziet er zo uit: Vær de Gærn.

Maar stel nu dat je boekhandelaar bent en je wilt dat boek uit 1983 verkopen in je online-winkel, wat doe je dan? Gewoon opschrijven wat je leest, dacht de enige Nederlandse verkoper die het boek (al is het een andere reprint met hetzelfde probleem) op Boekwinkeltjes aanbiedt, en hij maakte er Boer de Goern van en vraagt € 6 voor het boek. Ook bij gemakkelijker leesbare titels in Fraktur gaat het niet altijd goed op Boekwinkeltjes, vooral bij letters waar je soms even wat beter moet kijken, maar waar je met enig gezond verstand wel uit moet komen. Dat lukte niet bij het boek Zwingli und Calvin van, leest de boekhandelaar, Auguft Pang, bij uitgeverij Delhagen & Klafing verschenen in 1913 in de reeks ‘Monographien zur Weltgefchichte’. 

Wat doen zijn Duitse collega’s het op ZVAB.com met de DDR-uitgave uit 1983 van Klaus Groth? Het boek wordt daar dertien keer aangeboden, tussen de vijf en de twintig euro, zeven antiquariaten kiezen voor Voer de Goern, drie voor Vaer de Gaern, een leest Fuer die Goern, een handelaar, uit het Nederduitse gebied nog wel, laat de titel voor het gemak weg, en een van zijn collega’s, hij zit in Aken, geeft beide mogelijkheden: Voer de Goern (Vaer de Gaern). Extra werk was dat, en daarom is dit het duurste exemplaar.

Ik zal het niet bestellen, want ik heb er al een.

vrijdag 11 juni 2021

‘Kaandorp, als ik het me goed herinner’

Poetry International is weer in het land – vanwege de omstandigheden is het, na een jaar niets, dit jaar een driedaags online-festival. De dichters blijven thuis en de toeschouwers ook. Toen alles nog anders was traden er daar in Rotterdam tientallen dichters op, die de vele honderden bezoekers elke avond konden horen en zien en ook aanspreken. De meeste dan, er waren er ook die liever in de grote ruimte op de eerste verdieping van de Doelen verbleven, waar, in elk geval in het begin van de periode dat ik wel eens voor Poetry vertaalde – 1977 voor het eerst, 1996 voor het laatst – behalve de dichters ook de pers en de vertalers mochten komen. Het eten en de drank waren er gratis, en vooral van de alcohol werd goed gebruikt gemaakt. Een van de monumentale dronkenschappen die ik me herinner – voor de goede orde: van anderen – is die van Margaret Atwood in 1986. Ze hing laveloos halverwege de trap naar de bovenruimte en schreeuwde me van alles toe, vermoedelijk omdat ze me voor iemand anders versleet, maar ik weet niet voor wie en ik had ook nooit een woord met haar gewisseld.

In 1984 bezocht ik Poetry een aantal dagen van de volle week (23 tot 30 juni) die het festival toen duurde. Ik vertaalde dat jaar niemand maar was er, al dan niet met wederhelft, in elk geval op zondag (Poetry in het Park), op dinsdag (want toen trad vriend Gregor Laschen op, maar Tom Lanoye ook onder anderen H.C. ten Berge en Charles Tomlinson), en op de afsluitende avond, die aan liefdespoëzie was gewijd, met alle deelnemende dichters en pauze- en naprogramma’s. Ik weet nog welke dagen ik er was, omdat het vermeld staat in onze bewaarde huisagenda, die ook vermeldt dat op woensdag in onze straat het grofvuil werd opgehaald en dat mijn schoonvader op 25 juni naar het ziekenhuis in Nijmegen moest voor een operatie, waar we hem op zondag 1 juli opzochten. Het programma van Poetry lees ik af van het opvouwbare affiche annex programma.

Dat affiche komt uit de nalatenschap van Jan Elburg, die op donderdag 28 juni las ter vervanging van Gerrit Kouwenaar. Hij heeft de vervanging zelf op het affiche aangegeven. Maar hij las ook op de slotavond. Dat herinner ik me – met permissie – niet, maar dat lees ik in een brief die hij op 20 februari 1986 schreef aan de instigator en organisator van Poetry, Martin Mooij. Die had Elburg uitgenodigd voor de volgende editie van Poetry, en dat had Elburg al toegezegd. Maar een paar dagen later bedacht hij dat hij een voorbehoud moest maken:

Twee jaar geleden zouden de dichters een avond liefdespoëzie voorlezen en ik had het ongeluk aan de beurt te zijn na de pauze waarin een juffrouw – Kaandorp, als ik het me goed herinner – vrolijk had staan jodelen en háár liefdespoëzie had staan uiten met het refrein ‘Ik hep je niet gesien; alleen maar geroke’.

‘Niet iedereen in de zaal was gelukkig met haar onstuitbare optreden,’ voegt Elburg er aan toe, en omdat ik erbij was kan ik in elk geval zeggen dat het een bevreemdend optreden was van de toen nog nauwelijks bekende Brigitte Kaandorp – uit Haarlem overigens, net als Elburg. Ze stormde, in mijn herinnering, meteen na afloop van de laatste dichter vóór de pauze het podium op alsof ze een bezoeker was die ook uit eigen werk wilde voordragen, en het duurde een tijdje voor je begreep dat het humor moest zijn. Ik geloof dat ik er toen met die gedachte wel tegen kon en ben toen, vermoedelijk, een drankje gaan halen. Maar Elburg had er anderhalf jaar later nog slechte herinneringen aan, hij vond het

weer zo’n ellendig gevolg […] van de ook op poëziefestivals bedreven koppelverkoop volgens de TielseFlipformule: plaatjes bij de sjem. / Ik wil niks aan de verdiensten van de komische zangeres afdoen, maar in gelijkenissen sprekend moet ik je voorhouden: chocoladepudding is lekker en bourgonjewijn ook maar de laatste na de eerste is walgelijk. Ik bedoel: koorddansers of vuurvreters voor je optreden met gedichten gáán nog maar lolbroekende parodisten nee.

Het voorbehoud voor zijn optreden vatte Elburg nog eens samen:

Mocht er weer zoiets mijn leesbeurt vantevoren versjteren dan behoud ik me het recht voor niet op te treden. / Om duidelijk te zijn: het gaat hier niet om ‘performing’ collega’s van enig kaliber, maar bij plat geschreeuw-vooraf kunnen jullie het wel schudden.

En omdat Elburg toch zijn hart aan het luchten was, moest Martin Mooij ook nog een naschrift verwerken:

O ja, ik herinner me nog hoe onvoorstelbaar onbeschoft de kelner in het restaurant aan de overkant onze binnen- en buitenlandse dichters ‘bediende’. Geef [ze] een zachte wenk als je weer datzelfde etablissement kiest voor het diner.

Het is de altijd heldere Elburg die we kennen uit zijn memoires Geen letterheren. Uit de voorgeschiedenis van de vijftigers (1987) en uit De man met de drietand, de biografie van Jan van der Vegt (2012). In 1986 trad Elburg op woensdag 25 juni op, lees ik in Trouw in een recensie van Rob Schouten, die – voor wat het waard is – het optreden van zijn oudere collega maar niks vond. Ik weet niet meer of ík hem hoorde lezen, want onze huisagenda vertelt me niet meer op welke dagen ik in Rotterdam was. Ik kwam, zie boven, in elk geval Margaret Atwood tegen en er was een Duitse avond dat jaar, op de vrijdag, en toen zal ik er wel geweest zijn, want ik vertaalde een van de Duitse dichters, Heinz Czechowski uit de DDR.

In zijn mooie biografie schrijft Van der Vegt dat Jan Elburg de laatste brief van zijn leven schreef aan Martin Mooij om hem te bedanken voor diens afscheidsbrief met dankwoorden voor Elburgs verdiensten voor Poetry International. En dag na het schrijven van de brief, op 7 augustus 1992, ging Elburg naar het ziekenhuis voor een nieuwe behandeling tegen kanker, een week later overleed hij.