Ein Stück Brachland, eine Schrift herum – een halve eeuw oud
Vijftig jaar geleden waren we druk
bezig in het pand Biltstraat 401 in Utrecht. Daar was in 1976 het Instituut
Frantzen voor Duitse Taal- en Letterkunde gevestigd, en vier studenten,
allemaal met hun studie begonnen in het begin van het decennium, waren behalve
met studeren ook bezig met een mooie klus: het samenstellen van een
bloemlezing met actuele Duitstalige literatuur. We hadden al een paar jaar een
instituutstijdschrift, na wat avontuurlijke en grappig bedoelde titelwijzigingen
Journal geheten, dat in de geest van de tijd opstandig was maar ook de Duitse
culturele ontwikkelingen goed bijhield.
In de loop van 1975 moet het idee zijn ontstaan – zullen we het maar toeschrijven aan onze docent Gregor Laschen (1942-2018)? – om een bloemlezing te gaan maken, maar niet een die putte uit al gepubliceerde teksten. We schreven tientallen schrijvers in alle Duitstalige landen aan met het verzoek ons ongepubliceerde teksten te sturen – het goed gevulde adresboek van Gregor kwam daarbij zeer van pas. We kregen bijna altijd antwoord en bijna altijd zat er een typoscript in de envelop. Een van de weinige mensen die antwoordden maar niets in voorraad zeiden te hebben was Elias Canetti. Ik zou zijn piepkleine briefje hier graag reproduceren, maar ik heb het niet meer in huis. Het archief van onze onderneming is lang geleden aan het Deutsche Literaturarchiv in Marbach geschonken.
Uiteindelijk waren er ruim 70 schrijvers en enkele beeldend kunstenaars vertegenwoordigd in het kloeke boek van 265 pagina’s dat in mei 1976 onder de titel Ein Stück Brachland, eine Schrift herum. Hedendaagse Duitstalige literatuur, gebundeld verscheen in het formaat A4. De illustratie voorop is van Hannelore Teutsch (*1942), in die tijd de partner van de dichter en vertaler Erich Arendt (1903-1984). We maakten 500 exemplaren en nummerden ze zelfs. Het Duitse gedeelte van de titel is een citaat uit een gedicht van Rolf Dieter Brinkmann, niet in de bloemlezing vertegenwoordigd, omdat hij een jaar eerder in Londen bij het oversteken de verkeerde kant op keek en dodelijk verongelukte.
Het maken van zo’n boek ging vijftig jaar geleden net even anders dan nu. De basis van het geheel waren namelijk stencils. Zo maakten we ons instituutstijdschrift ook, we hadden dus ervaring met het bedienen van de intussen uit de herinnering verdwenen stencilmachine. In de eerste plaats moesten alle bijdragen worden overgetikt op stencilvellen. Ik wil er nu helemaal niet over nadenken wat daar allemaal kan zijn misgegaan, maar echte klachten over geruïneerde teksten kan ik me niet herinneren. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat we van al die 265 pagina’s 500 afdrukken maakten, maar er staat toch echt: ‘in eigen beheer’, en er wordt geen drukker genoemd. Alleen het lijmen van de rug zal ergens anders gebeurd zijn.
We verspreidden het boek onder onze collega-studenten en onder de andere vakgroepen Duits in Nederland, bovendien kregen we een aantal signalementen in landelijke dagbladen, waardoor we ook van particulieren behoorlijk wat bestellingen kregen, zodanig dat de oplage binnen de kortste keren was uitverkocht. De redactie, op een vage foto achterin het boek te zien, kon trots zijn: van links naar rechts waren dat Ton Naaijkens, Joan Kooyman, Gregor Laschen, ondergetekende en Wilfried Hövener. We hadden een eigen ruimte tot onze beschikking, en als we buiten kantooruren kwamen zelfs een heel gebouw. In mijn herinnering was de deur van Biltstraat 401 altijd open, niemand sloot zijn kamer af, we konden zonder enige beperking telefoneren en we hadden bovendien toegang tot de grote drankvoorraad van een van de hoogleraren, die zijn flessen bewaarde waar anderen hun archief opborgen.
Het volgende studiejaar begonnen we
aan een tweede druk. Er werden nog meer mensen aangeschreven, sommigen waren we
ondertussen bij lezingen of elders tegengekomen, weer anderen, meen ik me te
herinneren, meldden zichzelf, maar wij waren niet kieskeurig. De tweede druk,
die in mei 1977 verscheen, bevatte bijdragen van bijna 95 schrijvers en
beeldend kunstenaars. Nieuw waren bijvoorbeeld Wolf Biermann, Peter Rühmkorf en
Günter Wallraff, Er waren ook schrijvers die meer of andere teksten stuurden.
We, en dan in het bijzonder Gregor Laschen, waren ook niet vies van een
mystificatie. Er zijn in druk 2 gedichten opgenomen van ene ‘Bastian Poolman’,
die volgens zijn biografie achterin het boek in 1975 in de Himalaya spoorloos was
verdwenen. In feite zijn de gedichten van een nog steeds levende studievriend
van Gregor.
De productie van deel 2, 358
pagina’s dik, was overigens al iets minder handmatig. We maakten wel nog
stencils, maar die werden offset gedrukt en gebonden bij de Stichting Pressa
Trajectina, een intussen verdwenen studentendrukkerij annex -uitgeverij. Opnieuw
was de oplage 500, en weer raakten we ze gemakkelijk kwijt. We kregen onder
andere financiële steun van het Goethe Institut via een advertentie in het
boek, en we verkochten de exemplaren zo dat we op het eind een aardig bedrag
overhielden. Dat we nooit hebben afgedragen.
Een van de bijzondere aspecten van
onze bloemlezing was de aanwezigheid van schrijvers uit de DDR. In die tijd was
het niet vanzelfsprekend dat schrijvers uit de DDR vrijelijk in het westen
konden publiceren. Er waren licentieovereenkomsten, waardoor boeken zowel in oost
als in west verschenen, maar er waren ook schrijvers die buiten zo’n licentie om
en zonder toestemming in het westen werden gepubliceerd. Voor onze bloemlezing
vroeg, denk ik, niemand toestemming. Ik kan me niet meer herinneren hoe we de
bewijsexemplaren over de grens kregen. Stuurden we ze gewoon? Of gaven we ze
mee via de diplomatieke route, want dat kon ook: de Bondsrepublikeinse vertegenwoordiger
in Oost-Berlijn bijvoorbeeld woonde in de jaren zeventig in West-Berlijn en hij
en zijn echtgenote reden ongecontroleerd heen en weer met de betere
levensmiddelen, weet ik uit betrouwbare bron, want ik heb daar wel eens van
meegegeten en -gedronken bij wederzijdse vrienden. Ze namen ongetwijfeld ook
boeken mee.
Een paar bewijsexemplaren van de
eerste druk konden we in juni 1976 persoonlijk overhandigen aan enkele Duitse
deelnemers van Poetry International. Nicolas Born (1937-1979) was er uit West-Duitsland,
van wie Ton Naaijkens en ik na zijn dood nog een roman en een novelle zouden
vertalen, maar ook Reiner Kunze (*1933) en Sarah Kirsch (1935-2013). Ook van
Kirsch zouden Ton en ik werk vertalen. Van deze drie auteurs staan
handtekeningen in mijn exemplaar van Brachland, die van Kunze met een
opdracht expliciet in Rotterdam gesitueerd. Een half jaar na Poetry zouden zowel
Kunze als Kirsch bezwaar maken tegen de uitburgering van de schrijver en zanger
Wolf Biermann, die in november 1976 toestemming kreeg om concerten in
West-Duitsland te geven maar vervolgens niet mee terug mocht naar de DDR. Kirsch
emigreerde in 1977 naar de Bondsrepubliek.
Zelf nam ik in de zomer van 1977 een paar exemplaren mee over de grens. Bij de S-Bahn-overgang Friedrichstrasse in Berlijn werd ik, naar verwachting, apart genomen, ik moest mee naar een hokje om te worden ondervraagd over de cadeautjes die ik bij me had – Nederlandse koffie, een paar pakken mooi helder schrijfpapier, een paar Brachlanden en nog het een en ander. De koffie werd door een röntgenapparaat gehaald, het papier was geen probleem en de exemplaren van Brachland uiteindelijk ook niet. Ik beantwoordde netjes alle vragen en de dienstdoende geuniformeerde bladerde er een aantal keren doorheen om te zien of er zaken in stonden die het DDR-oog niet kon verdragen, maar blijkbaar sloeg hij de pagina’s met Biermann, Kunze, Kirsch en anderen over.
Een mooi eerbetoon aan onze onderneming was in het jaar van de tweede druk het verschijnen van Nieuwe Gronden. Hedendaagse nederlandstalige literatuur, gebundeld. Drie Berlijnse studenten Nederlands, Rolf Brockschmidt, Ute Grauerholz en Marlene Müller (ze hadden alle drie een deel van hun studie in Utrecht doorgebracht), deden wat wij met Duitstalige schrijvers hadden gedaan en maakten er een boek van dat mooi bij onze twee drukken paste.