Het vermakelijke postume boek Ratatouille. Literaire en academische anekdotes,verhaaltjes, vragen en opmerkingen, roddels en curiositeiten van allerlei aard.Een boek vol wetenswaardigheden van Nop Maas is vermakelijk daar waar ik het vermakelijk vind. Er staan ook stukken in die niet in mijn schoolkrant hadden gemogen, er staan teksten in die ik matig interessant vind en er staan vermakelijke stukken in. Maar Nop Maas vond dat we het allemaal mogen lezen na zijn dood, en daarom doe ik dat met plezier.
Jan Gielkens
vrijdag 14 augustus 2026
Het vermakelijke postume boek Ratatouille. Literaire en academische anekdotes,verhaaltjes, vragen en opmerkingen, roddels en curiositeiten van allerlei aard.Een boek vol wetenswaardigheden van Nop Maas is vermakelijk daar waar ik het vermakelijk vind. Er staan ook stukken in die niet in mijn schoolkrant hadden gemogen, er staan teksten in die ik matig interessant vind en er staan vermakelijke stukken in. Maar Nop Maas vond dat we het allemaal mogen lezen na zijn dood, en daarom doe ik dat met plezier.
maandag 6 april 2026
Ik kwam een Practische Handleiding voor het gebruik van de Engelsche Taal in de haven tegen. Het is een boekje van ruim 120 pagina’s uit 1939, bevattende, aldus de ondertitel, ‘de meest voorkomende vragen en gesprekken aan boord van schepen en voorzien van duidelijke uitspraak’. Droogstoppel vraagt zich even af of dat betekent dat het alleen gaat om Engels dat aan boord van schepen wordt gebezigd die in havens liggen maar kijkt dan toch wie het boekje geschreven heeft: het is A. Wessels, ‘Gediplomeerd leraar – Engelsche-vertaler’ uit – niet onlogisch – Rotterdam. Dat is ook de stad waar de uitgeverij, Nijgh & Van Ditmar, nog gevestigd was toen ze het boekje publiceerde. Over A. Wessels heb ik in de gauwigheid geen verdere gegevens kunnen vinden.
Ik vermoed overigens, maar dit geheel terzijde, dat Mark Rutte uit dit soort boekjes zijn Engelse uitspraak heeft geleerd.
woensdag 4 maart 2026
Vijftig jaar geleden waren we druk
bezig in het pand Biltstraat 401 in Utrecht. Daar was in 1976 het Instituut
Frantzen voor Duitse Taal- en Letterkunde gevestigd, en vier studenten,
allemaal met hun studie begonnen in het begin van het decennium, waren behalve
met studeren ook bezig met een mooie klus: het samenstellen van een
bloemlezing met actuele Duitstalige literatuur. We hadden al een paar jaar een
instituutstijdschrift, na wat avontuurlijke en grappig bedoelde titelwijzigingen
Journal geheten, dat in de geest van de tijd opstandig was maar ook de Duitse
culturele ontwikkelingen goed bijhield.
In de loop van 1975 moet het idee zijn ontstaan – zullen we het maar toeschrijven aan onze docent Gregor Laschen (1942-2018)? – om een bloemlezing te gaan maken, maar niet een die putte uit al gepubliceerde teksten. We schreven tientallen schrijvers in alle Duitstalige landen aan met het verzoek ons ongepubliceerde teksten te sturen – het goed gevulde adresboek van Gregor kwam daarbij zeer van pas. We kregen bijna altijd antwoord en bijna altijd zat er een typoscript in de envelop. Een van de weinige mensen die antwoordden maar niets in voorraad zeiden te hebben was Elias Canetti. Ik zou zijn piepkleine briefje hier graag reproduceren, maar ik heb het niet meer in huis. Het archief van onze onderneming is lang geleden aan het Deutsche Literaturarchiv in Marbach geschonken.
Uiteindelijk waren er ruim 70 schrijvers en enkele beeldend kunstenaars vertegenwoordigd in het kloeke boek van 265 pagina’s dat in mei 1976 onder de titel Ein Stück Brachland, eine Schrift herum. Hedendaagse Duitstalige literatuur, gebundeld verscheen in het formaat A4. De illustratie voorop is van Hannelore Teutsch (*1942), in die tijd de partner van de dichter en vertaler Erich Arendt (1903-1984). We maakten 500 exemplaren en nummerden ze zelfs. Het Duitse gedeelte van de titel is een citaat uit een gedicht van Rolf Dieter Brinkmann, niet in de bloemlezing vertegenwoordigd, omdat hij een jaar eerder in Londen bij het oversteken de verkeerde kant op keek en dodelijk verongelukte.
Het maken van zo’n boek ging vijftig jaar geleden net even anders dan nu. De basis van het geheel waren namelijk stencils. Zo maakten we ons instituutstijdschrift ook, we hadden dus ervaring met het bedienen van de intussen uit de herinnering verdwenen stencilmachine. In de eerste plaats moesten alle bijdragen worden overgetikt op stencilvellen. Ik wil er nu helemaal niet over nadenken wat daar allemaal kan zijn misgegaan, maar echte klachten over geruïneerde teksten kan ik me niet herinneren. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat we van al die 265 pagina’s 500 afdrukken maakten, maar er staat toch echt: ‘in eigen beheer’, en er wordt geen drukker genoemd. Alleen het lijmen van de rug zal ergens anders gebeurd zijn.
We verspreidden het boek onder onze collega-studenten en onder de andere vakgroepen Duits in Nederland, bovendien kregen we een aantal signalementen in landelijke dagbladen, waardoor we ook van particulieren behoorlijk wat bestellingen kregen, zodanig dat de oplage binnen de kortste keren was uitverkocht. De redactie, op een vage foto achterin het boek te zien, kon trots zijn: van links naar rechts waren dat Ton Naaijkens, Joan Kooyman, Gregor Laschen, ondergetekende en Wilfried Hövener. We hadden een eigen ruimte tot onze beschikking, en als we buiten kantooruren kwamen zelfs een heel gebouw. In mijn herinnering was de deur van Biltstraat 401 altijd open, niemand sloot zijn kamer af, we konden zonder enige beperking telefoneren en we hadden bovendien toegang tot de grote drankvoorraad van een van de hoogleraren, die zijn flessen bewaarde waar anderen hun archief opborgen.
Het volgende studiejaar begonnen we
aan een tweede druk. Er werden nog meer mensen aangeschreven, sommigen waren we
ondertussen bij lezingen of elders tegengekomen, weer anderen, meen ik me te
herinneren, meldden zichzelf, maar wij waren niet kieskeurig. De tweede druk,
die in mei 1977 verscheen, bevatte bijdragen van bijna 95 schrijvers en
beeldend kunstenaars. Nieuw waren bijvoorbeeld Wolf Biermann, Peter Rühmkorf en
Günter Wallraff, Er waren ook schrijvers die meer of andere teksten stuurden.
We, en dan in het bijzonder Gregor Laschen, waren ook niet vies van een
mystificatie. Er zijn in druk 2 gedichten opgenomen van ene ‘Bastian Poolman’,
die volgens zijn biografie achterin het boek in 1975 in de Himalaya spoorloos was
verdwenen. In feite zijn de gedichten van een nog steeds levende studievriend
van Gregor.
De productie van deel 2, 358
pagina’s dik, was overigens al iets minder handmatig. We maakten wel nog
stencils, maar die werden offset gedrukt en gebonden bij de Stichting Pressa
Trajectina, een intussen verdwenen studentendrukkerij annex -uitgeverij. Opnieuw
was de oplage 500, en weer raakten we ze gemakkelijk kwijt. We kregen onder
andere financiële steun van het Goethe Institut via een advertentie in het
boek, en we verkochten de exemplaren zo dat we op het eind een aardig bedrag
overhielden. Dat we nooit hebben afgedragen.
Een van de bijzondere aspecten van
onze bloemlezing was de aanwezigheid van schrijvers uit de DDR. In die tijd was
het niet vanzelfsprekend dat schrijvers uit de DDR vrijelijk in het westen
konden publiceren. Er waren licentieovereenkomsten, waardoor boeken zowel in oost
als in west verschenen, maar er waren ook schrijvers die buiten zo’n licentie om
en zonder toestemming in het westen werden gepubliceerd. Voor onze bloemlezing
vroeg, denk ik, niemand toestemming. Ik kan me niet meer herinneren hoe we de
bewijsexemplaren over de grens kregen. Stuurden we ze gewoon? Of gaven we ze
mee via de diplomatieke route, want dat kon ook: de Bondsrepublikeinse vertegenwoordiger
in Oost-Berlijn bijvoorbeeld woonde in de jaren zeventig in West-Berlijn en hij
en zijn echtgenote reden ongecontroleerd heen en weer met de betere
levensmiddelen, weet ik uit betrouwbare bron, want ik heb daar wel eens van
meegegeten en -gedronken bij wederzijdse vrienden. Ze namen ongetwijfeld ook
boeken mee.
Een paar bewijsexemplaren van de
eerste druk konden we in juni 1976 persoonlijk overhandigen aan enkele Duitse
deelnemers van Poetry International. Nicolas Born (1937-1979) was er uit West-Duitsland,
van wie Ton Naaijkens en ik na zijn dood nog een roman en een novelle zouden
vertalen, maar ook Reiner Kunze (*1933) en Sarah Kirsch (1935-2013). Ook van
Kirsch zouden Ton en ik werk vertalen. Van deze drie auteurs staan
handtekeningen in mijn exemplaar van Brachland, die van Kunze met een
opdracht expliciet in Rotterdam gesitueerd. Een half jaar na Poetry zouden zowel
Kunze als Kirsch bezwaar maken tegen de uitburgering van de schrijver en zanger
Wolf Biermann, die in november 1976 toestemming kreeg om concerten in
West-Duitsland te geven maar vervolgens niet mee terug mocht naar de DDR. Kirsch
emigreerde in 1977 naar de Bondsrepubliek.
Zelf nam ik in de zomer van 1977 een paar exemplaren mee over de grens. Bij de S-Bahn-overgang Friedrichstrasse in Berlijn werd ik, naar verwachting, apart genomen, ik moest mee naar een hokje om te worden ondervraagd over de cadeautjes die ik bij me had – Nederlandse koffie, een paar pakken mooi helder schrijfpapier, een paar Brachlanden en nog het een en ander. De koffie werd door een röntgenapparaat gehaald, het papier was geen probleem en de exemplaren van Brachland uiteindelijk ook niet. Ik beantwoordde netjes alle vragen en de dienstdoende geuniformeerde bladerde er een aantal keren doorheen om te zien of er zaken in stonden die het DDR-oog niet kon verdragen, maar blijkbaar sloeg hij de pagina’s met Biermann, Kunze, Kirsch en anderen over.
Een mooi eerbetoon aan onze onderneming was in het jaar van de tweede druk het verschijnen van Nieuwe Gronden. Hedendaagse nederlandstalige literatuur, gebundeld. Drie Berlijnse studenten Nederlands, Rolf Brockschmidt, Ute Grauerholz en Marlene Müller (ze hadden alle drie een deel van hun studie in Utrecht doorgebracht), deden wat wij met Duitstalige schrijvers hadden gedaan en maakten er een boek van dat mooi bij onze twee drukken paste.
zaterdag 20 december 2025
Moedwil en onverstand [2011]
Op 17 juni 2011 werden in de
Koninklijke Bibliotheek in Den Haag twee boeken gepresenteerd: deel 14 van de Volledige
Werken van Willem Frederik Hermans, bezorgd door het Huygens ING, en Een
onmiskenbare verwantschap, de briefwisseling tussen Hermans en F. Bordewijk,
bezorgd door Marsha Keja (Letterkundig Museum) en Arno Kuipers (Koninklijke
Bibliotheek). Beide boeken zijn uitgaven van De Bezige Bij. Kopen!
Een van de sprekers van de middag
was de schrijver Christiaan Weijts, die ook, om onduidelijke redenen, de
inleiding bij de correspondentie Bordewijk/Hermans mocht schrijven. In zijn
praatje gaf hij niet echt blijk van inzicht in en respect voor maken van dit
soort boeken. Hij citeerde een willekeurige, zeer nauwkeurig een bron
beschrijvende zin uit een van de apparaten van de Volledige Werken en
wist daarmee een paar mensen in de zaal aan het lachen te krijgen. Verder
toonde hij niet veel begrip voor het bewaren van manuscripten en dergelijke,
hoewel hij van de andere kant ook wel gepikeerd was bij het idee dat het
Letterkundig Museum misschien wel een digitaal bestand van een van zijn romans
niet had geaccepteerd toen de uitgeverij dat aan het LM aanbood.
Weijts’ standpunt is dit: er is een
gedrukt boek, en dat is het. Andere getuigen van een schrijfproces zijn daarom
onbelangrijk, en het bestuderen daarvan is onzin, op zijn hoogst nuttig voor
middeleeuwse teksten: ‘Al die manuscripten, drukproeven, kladjes en droedels
willen redden van de vernietiging is even absurd als het omkiepen van een
vuilnisbak van een schilder, om er penselen en de leeg geknepen tubes verf uit
te vissen. Het is maar gereedschap, zou je zeggen, en restafval.’ Weijts zegt
ook: ‘Dikke tekstedities samenstellen […] gebeurt al lang niet meer, althans
niet bij eigentijdse auteurs.’ Hij zegt dat dus bij de presentatie van een deel
van een dikke teksteditie van een eigentijdse auteur, een editie die aantoont
dat het zeer interessant en vruchtbaar is schrijfprocessen en het uiteindelijke
resultaat ervan wetenschappelijk te documenteren. Is het niet willen inzien of
op zijn minst respecteren daarvan moedwil of onverstand?
Die scepsis over het bewaren van
spullen hadden we overigens al eerder, maar iets genuanceerder, te horen
gekregen op een openbare manifestatie van het – toen nog – Constantijn Huygens
Instituut. Tijdens haar praatje bij het tienjarig jubileum in 2002 zei Nelleke
Noordervliet: ‘Ik bewaar […] helemaal niets van mezelf. Geen interview, geen
recensie, ik heb geen plakboek, geen rijtje videobanden. Ik heb
hoogstwaarschijnlijk niet eens een compleet overzicht van alles wat ik de
afgelopen jaren heb gepubliceerd en geschreven. Ik heb een la waarin ik
correspondentie mik. Is die la vol, doe ik de inhoud in een doos. Is die doos
vol, koop ik een nieuwe doos. Maar of ik die dozen naar het Letterkundig Museum
doe als ik tachtig ben: ik denk het niet. Ik denk dat ik tijdig de fik erin zal
steken. Niet omdat ik de lateren de pas naar mij wil afsnijden maar omdat ik
het van een onverdraaglijke ijdelheid en zelfgenoegzaamheid vind getuigen
jezelf aan dat nageslacht op te dringen. Het is niet belangrijk. Het doet er
niet toe. Als iemand nog de moeite wil nemen mijn boeken te lezen en daar een
geleerde studie aan te wijden dan is hij welkom, maar niet postuum in mijn
privé-leven rommelen. Dat nooit.’
Het lijkt wel alsof sommige
schrijvers spontaan peentjes gaan zweten wanneer ze geconfronteerd worden met
de mogelijkheid dat iemand later in hun spullen gaat neuzen. Dat in de fik
steken van Noordervliet is trouwens interessant, want precies datzelfde suggereerde
Weijts. Hij beriep zich daarbij op Vladimir Nabokov, die volgens Weijts ook
niet van bewaren was en die de systeemkaarten waarop Lolita was
geschreven in zijn tuin in brand stak. Ik denk dat Weijts het een en ander door
elkaar haalde. Nabokov was wel degelijk van bewaren: in 1959 schonk hij een
groot deel van zijn archief (7000 items, bijna 2,6 strekkende meter) aan de
Library of Congress in Washington D,C., met de bepaling dat het vanaf vijftig
jaar daarna voor iedereen toegankelijk zou zijn. En dat is zo, want een paar
maanden geleden heb ik dat archief daar geraadpleegd. Ook de New York Public
Library heeft een Nabokov-collectie, en bij zoon Dmitri Nabokov is nog het een
en ander – dat hij, zoals The Original of Laura, tegen de wens van zijn
vader in publiceert, en wel op een nogal harteloze manier. Daarover een andere
keer.
Het beeld van een systeemkaarten
verbrandende auteur zal Weijts hebben uit Nabokovs Pale Fire, in het
Nederlands Bleek vuur, een roman in de vorm van een editie: het is een
999 regels lang episch gedicht dat wordt begeleid door een nawoord en
annotaties. In het nawoord beschrijft de editeur uit de roman, Charles Kinbote,
hoe zijn voormalige buurman John Shade, de schrijver van het gedicht dat hij
bezorgt, systeemkaarten verbrandt. In de vertaling van Peter Verstegen: ‘Shade
had de gewoonte zijn kladjes te vernietigen zodra hij ze niet meer nodig had:
ik weet nog goed dat ik hem vanaf mijn veranda op een stralende morgen een keer
een hele stapel kaarten zag verbranden in het bleke vuur van de vuilnisoven’.
Maar dat is dus fictie.
Weijts publiceerde zijn
presentatiepraatje als column in De Groene Amsterdammer, maar met
weglating van de passages over Nabokov en ook zonder welke verwijzing naar
Bordewijk en Hermans dan ook. Maar hoe zit dat dan intussen met dat praatje dat
hij in de aula van de Koninklijke Bibliotheek hield? Is dat nu, zie boven,
restafval geworden? Heeft Weijts dus restafval aan ons voorgelezen?
Eerder, op 17 juni 2011, gepubliceerd op de intussen morsdode maar nog steeds online te vinden textualscholerschip.nl van wat toen nog Huygens ING heette en nu Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis en Cultuur. Het Letterkundig Museum heet nu Literatuurmuseum, Christiaan Weijts heet nog steeds Christiaan Weijts. De Volledige Werken van Willem Frederik Hermans zijn intussen volledig verschenen, 24 delen breed.
vrijdag 7 november 2025
De rechtsche partij
Mijn grootvader Jan Louis Gielkens
(Amstenrade 1879 – Kerkrade 1949), die ik nooit heb gekend, zat in de politiek.
Hij was ook slager en had een katholieke hoeveelheid kinderen samen met zijn
vrouw Anna Maria Mechtildis Bemelmans (Kerkrade 1885 – Kerkrade 1943). Op de
foto staat mijn vader achter mijn oma, die ik dus ook niet heb gekend. Dat mijn
grootvader in de politiek zat heb ik nog niet zo heel lang geleden ontdekt. Er zijn
nauwelijks familiepapieren, en mijn vader of zijn vele broers en zuster (die mijn
peettante was) hebben er nooit iets over verteld.
Wat ik in elk geval vond, is dat
mijn grootvader in 1919 kandidaat was bij de gemeenteraadsverkiezingen van
Kerkrade, en dat hij nog gekozen werd ook. Hij was kandidaat namens de Algemeene Bond van RK-Kiesvereenigingen, in de krant kortweg de Katholieke
Kiesvereeniging, die in de gemeente blijkbaar 4 lijsten had, mijn grootvader
stond op lijst 2. In De Zuid-Limburger van 22 mei 1919 staat de uitslag
(‘Niet officieel’). In totaal werden er 3214 stemmen uitgebracht, waarvan mijn
grootvader er 47 kreeg – en daarmee kwam hij in de gemeenteraad. De meeste
stemmen, 36, kreeg hij bij zijn eigen stembureau in het Patronaat Bleijerheide,
bekend van Het hout van Jeroen Brouwers. Mijn grootvader had zijn
slagerij (ik werd erboven geboren) verderop in de Pannesheiderstraat.
De krant analyseert: ‘De
verhoudingen in den nieuwen raad zal dus zijn 9 rechts, tegen 8 links. / De
Katholieken verloren 2 zetels aan de Vrijzinnige partij en de S.D.A.P.’ Er
wordt ook geschiedenis geschreven: ‘Met de heer Menting doet de eerste socialist
zijn intrede in den raad.’ Maar: ‘Als “arbeiders”-raad heeft de nieuwe raad,
die in September zitting zal nemen, feitelijk afgedaan. Het arbeiders-element
zal bij de rechtsche partij nog uitsluitend door dhr. Koken worden
vertegenwoordigd, bij de vrijzinnige partij door dhrn. Smeijsters en Essers.’
Mijn grootvader was inderdaad geen
arbeider, maar een middenstander, want slager. Een jaar voor de verkiezingen,
in augustus 1918, de wereldoorlog was nog niet afgelopen, had hij met enkele
collega’s de volgende brief aan De Zuid-Limburger gestuurd:
Hoe dat allemaal zat, hoe lang mijn
grootvader in de politiek zat en wat hij er allemaal uitspookte – ik moest het
maar eens gaan uitzoeken.
woensdag 5 november 2025
Een diksap van verkenspis. Over een raadselachtig boek
Willem Frederik Hermans (1921-1995)
stuurde ooit, wanneer precies is niet bekend, een gestempelde tekst met de
titel ‘GEDICHT’* aan zijn Vlaamse collega Gust Gils (1924-2002):
Het zal een bijlage bij een brief
zijn geweest, want Hermans en Gils wisselden tussen 1955 en 1984 een groot
aantal brieven, die een uitgave meer dan verdienen. Onder de titel ‘GEDICHT’ typte Hermans: ‘(is het eerder gedaan?)’. Ik persoonlijk vermoed van
wel: het wachten is op een standaardwerk over dit soort literaire teksten.
Ik vond een soortgelijke gestempelde
tekst, veel langer, vijfenzestig regels namelijk, die, daar wijst alles op, van
later datum is dan de tekst van Hermans. Of de tekst van een literaire auteur
is weten we niet, maar het is wel, met permissie, een tekst met wat meer
literaire ambitie en kwaliteit dan die van Hermans. Hieronder zal ik de tekst
in zijn geheel citeren, maar eerst moeten we de bron bekijken en zien of we
iets meer te weten kunnen komen.
Die bron is een boek uit een doos
met ongesorteerd drukwerk zoals ze bij sommigen van ons af en toe terechtkomen.
Aan de blinde band met gemarmerde platten is te zien dat hier geen meesterbinder
aan het werk was. De titelpagina vertelt ons dat we hebben te maken met de
vierde druk van het De boomteelt of gids bij de openbare leergangen van
boomsnoei en dat we, behalve met de vierde druk, te maken hebben met een
‘Gansch omgewerkte nieuwe uitgave’ die ‘met bijzondere zorg [is] opgesteld voor
het Lager Onderwijs’ door H.J. Van
Hulle, die ’s Rijks hortolanus is ten tijde van het verschijnen van het boek in
1870, en wel bij de uitgeverijen J.B.D. Hemelsoet in Gent en Noordendorp in
Amsterdam. Zoeken naar verdere gegevens over uitgevers, drukken etc. laat ik
achterwege, ze zijn hier minder relevant.
Tegenover de titelpagina staat de
handtekening van de schrijver, een Gentenaar die voluit Hubert Jean van Hulle
heette en leefde van 1827 tot 1900. Die handtekening bekrachtigt de gedrukte
regel erboven: ‘Geene afdruksels zullen voor echt erkend worden, dan degene die
de naamtekening des schrijvers dragen.’ Mijn exemplaar is honderdvijfentwintig
jaar na verschijnen ook nog door iemand anders gesigneerd, zij het met een
stempel: ‘M. Schoenmakers’. Met dezelfde stempelset dateerde hij of zij haar of
zijn activeit ook op het schutblad voorin: ’23 sep 1994’ – ruim na Hermans dus,
want die schreef in 1984 zijn laatste brief aan Gust Gils.
De datering van M. Schoenmakers
staat onder het eveneens, maar met een andere stempelset, gefabriceerde woord
‘Queekhoven’. We zouden kunnen denken dat we dichter bij een oplossing komen,
maar dat is niet zo. Ik leer van Wikipedia dat Queekhoven een buitenplaats uit
de zeventiende eeuw in Breukelen aan de Utrechtse Vecht is, die onder andere
gebruikt is als jongenskostschool. Van 1963 tot 1983 was de Eduard van Beinum
Stichting in het kasteel gevestigd, er werd muziek gemaakt, onderwezen en
bestudeerd. Op een zeker moment verliet ons exemplaar van Boomteelt
Queekhoven.
Wat heeft M. Schoenmakers precies met het boek gedaan? Hij stempelde met de letters waarmee zij ook ‘Queekhoven’ voorin zette op 37 bladzijden van Boomteelt woorden die hij niet zelf bedacht maar die zij uit het boek haalde. Pagina 133 is de laatste van de 288 pagina’s van dit – incomplete, 4 pagina’s achterin missende – exemplaar die hij bestempelde. Opvallend is dat M. Schoenmakers zo netjes werkte. De letters en woorden zijn erg schoon en zonder uitloop gestempeld en na elke stempelgang moet hij of zij de pagina eerst hebben laten drogen voordat de volgende pagina aan de beurt was, want er zijn geen afdrukken op er tegenover liggende bladzijden. Met welke focus en met welke gemoedsinstelling M. Schoenmaker Boomteelt verfraaide mag de lezer zelf bedenken.
Queekhoven
voorttelende zintuigen
een stofbeursje welk zich ten
bekwamen tijde opent
met de buitenlucht in gemeenschap
gebracht
opgeslorpte zelfstandigheden
in het donker doen de zaken zich
geheel anders voor
vernielende invloeden die nooit
ophouden te worstelen tegen alle zintuiglijke wezens
neiging om tot in het oneindige te
blijven spelen
wildelingen
voetoogen voorhanden
dit dalend sap traant er uit
schorslippen
voorwaarden tot wellukken
huwelingsgriffel
diepgronding
alleenlijk kan men niet altijd zoo
lang naar zijn land wachten
wat de boomen langs openbare wegen
ook grootelijks verhindert, zijn zonneslagen, wonden, stooten en stampen aan
welke zij daar zijn blootgesteld
smoorhoop
doordringbare zelfstandigheden
enkel langs openbare wegen plant
men wat op het diepst
besloten stedelucht
soms spant men enkel doeken over de
boomen
beschaduwen
want vergeten wij niet dat de
vruchten zeer uitputtende organen zijn
gedraagzaam
kunstmatige vruchtplukkers
zachte schavelingen
als hun vleesch weeker wordt
het zweeten der vruchten
verneutelde
aangedaane deelen
misbloeiing
aangedane boomen
wollige kusjes
stinkende zelfstandigheden
in welke zij komen verdrinken
een diksap van verkenspis gemengd
met tabakssap solfer kalk en ossegal
schrijfworm
weldoende diertjes
zijoogen
kroonogen
voetoogen
slapende oogen
toevallige oogen
tweesoortige oogen
worteloogen
de beurs welke anders niet is dan
dat vleeschachtig gezwel
de losmaking
de twijgsnijding
de breking
de oogwegsnijding
de insneden
de inkervingen
de bijeenbrenging
de afkorting
de afhouting
de opleiding
de wortelsnoei
de sleuning
verborgen oogen
die geene aantrekkingskracht genoeg
hebben
nijping
zomerbreking
omwringing
afschorsingen
vruchtdunning
*Bewaard in het
archief-Gils in het Letterenhuis in Antwerpen, afgebeeld in Jan Gielkens, ‘“Heb
jij ooit Lampo op H2 SO4 gezet?” De vriendschap tussen Gust Gils en Willem
Frederik Hermans’. In: Matthias Velle [e.a.] (red.), Gust Gils in zijn
experiment. Gent: Academia Press, 2015, pp. 251-267, afbeelding p. 259,
herplaatst op: https://jangielkens.blogspot.com/2019/01/heb-jij-ooit-lampo-op-h2-s04-gezet-de.html.

.jpg)



.png)
.png)
.png)



