woensdag 4 maart 2026

Ein Stück Brachland, eine Schrift herum – een halve eeuw oud

Vijftig jaar geleden waren we druk bezig in het pand Biltstraat 401 in Utrecht. Daar was in 1976 het Instituut Frantzen voor Duitse Taal- en Letterkunde gevestigd, en vier studenten, allemaal met hun studie begonnen in het begin van het decennium, waren behalve met studeren ook bezig met een mooie klus: het samenstellen van een bloemlezing met actuele Duitstalige literatuur. We hadden al een paar jaar een instituutstijdschrift, na wat avontuurlijke en grappig bedoelde titelwijzigingen Journal geheten, dat in de geest van de tijd opstandig was maar ook de Duitse culturele ontwikkelingen goed bijhield.

In de loop van 1975 moet het idee zijn ontstaan – zullen we het maar toeschrijven aan onze docent Gregor Laschen (1942-2018)? – om een bloemlezing te gaan maken, maar niet een die putte uit al gepubliceerde teksten. We schreven  tientallen schrijvers in alle Duitstalige landen aan met het verzoek ons ongepubliceerde teksten te sturen – het goed gevulde adresboek van Gregor kwam daarbij zeer van pas. We kregen bijna altijd antwoord en bijna altijd zat er een typoscript in de envelop. Een van de weinige mensen die antwoordden maar niets in voorraad zeiden te hebben was Elias Canetti. Ik zou zijn piepkleine briefje hier graag reproduceren, maar ik heb het niet meer in huis. Het archief van onze onderneming is lang geleden aan het Deutsche Literaturarchiv in Marbach geschonken.

Uiteindelijk waren er ruim 70 schrijvers en enkele beeldend kunstenaars vertegenwoordigd in het kloeke boek van 265 pagina’s dat in mei 1976 onder de titel Ein Stück Brachland, eine Schrift herum. Hedendaagse Duitstalige literatuur, gebundeld verscheen in het formaat A4. De illustratie voorop is van Hannelore Teutsch (*1942), in die tijd de partner van de dichter en vertaler Erich Arendt (1903-1984). We maakten 500 exemplaren en nummerden ze zelfs. Het Duitse gedeelte van de titel is een citaat uit een gedicht van Rolf Dieter Brinkmann, niet in de bloemlezing vertegenwoordigd, omdat hij een jaar eerder in Londen bij het oversteken de verkeerde kant op keek en dodelijk verongelukte.

Het maken van zo’n boek ging vijftig jaar geleden net even anders dan nu. De basis van het geheel waren namelijk stencils. Zo maakten we ons instituutstijdschrift ook, we hadden dus ervaring met het bedienen van de intussen uit de herinnering verdwenen stencilmachine. In de eerste plaats moesten alle bijdragen worden overgetikt op stencilvellen. Ik wil er nu helemaal niet over nadenken wat daar allemaal kan zijn misgegaan, maar echte klachten over geruïneerde teksten kan ik me niet herinneren. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat we van al die 265 pagina’s 500 afdrukken maakten, maar er staat toch echt: ‘in eigen beheer’, en er wordt geen drukker genoemd. Alleen het lijmen van de rug zal ergens anders gebeurd zijn.

We verspreidden het boek onder onze collega-studenten en onder de andere vakgroepen Duits in Nederland, bovendien kregen we een aantal signalementen in landelijke dagbladen, waardoor we ook van particulieren behoorlijk wat bestellingen kregen, zodanig dat de oplage binnen de kortste keren was uitverkocht. De redactie, op een vage foto achterin het boek te zien, kon trots zijn: van links naar rechts waren dat Ton Naaijkens, Joan Kooyman, Gregor Laschen, ondergetekende en Wilfried Hövener. We hadden een eigen ruimte tot onze beschikking, en als we buiten kantooruren kwamen zelfs een heel gebouw. In mijn herinnering was de deur van Biltstraat 401 altijd open, niemand sloot zijn kamer af, we konden zonder enige beperking telefoneren en we hadden bovendien toegang tot de grote drankvoorraad van een van de hoogleraren, die zijn flessen bewaarde waar anderen hun archief opborgen.

Het volgende studiejaar begonnen we aan een tweede druk. Er werden nog meer mensen aangeschreven, sommigen waren we ondertussen bij lezingen of elders tegengekomen, weer anderen, meen ik me te herinneren, meldden zichzelf, maar wij waren niet kieskeurig. De tweede druk, die in mei 1977 verscheen, bevatte bijdragen van bijna 95 schrijvers en beeldend kunstenaars. Nieuw waren bijvoorbeeld Wolf Biermann, Peter Rühmkorf en Günter Wallraff, Er waren ook schrijvers die meer of andere teksten stuurden. We, en dan in het bijzonder Gregor Laschen, waren ook niet vies van een mystificatie. Er zijn in druk 2 gedichten opgenomen van ene ‘Bastian Poolman’, die volgens zijn biografie achterin het boek in 1975 in de Himalaya spoorloos was verdwenen. In feite zijn de gedichten van een nog steeds levende studievriend van Gregor.

De productie van deel 2, 358 pagina’s dik, was overigens al iets minder handmatig. We maakten wel nog stencils, maar die werden offset gedrukt en gebonden bij de Stichting Pressa Trajectina, een intussen verdwenen studentendrukkerij annex -uitgeverij. Opnieuw was de oplage 500, en weer raakten we ze gemakkelijk kwijt. We kregen onder andere financiële steun van het Goethe Institut via een advertentie in het boek, en we verkochten de exemplaren zo dat we op het eind een aardig bedrag overhielden. Dat we nooit hebben afgedragen.

Een van de bijzondere aspecten van onze bloemlezing was de aanwezigheid van schrijvers uit de DDR. In die tijd was het niet vanzelfsprekend dat schrijvers uit de DDR vrijelijk in het westen konden publiceren. Er waren licentieovereenkomsten, waardoor boeken zowel in oost als in west verschenen, maar er waren ook schrijvers die buiten zo’n licentie om en zonder toestemming in het westen werden gepubliceerd. Voor onze bloemlezing vroeg, denk ik, niemand toestemming. Ik kan me niet meer herinneren hoe we de bewijsexemplaren over de grens kregen. Stuurden we ze gewoon? Of gaven we ze mee via de diplomatieke route, want dat kon ook: de Bondsrepublikeinse vertegenwoordiger in Oost-Berlijn bijvoorbeeld woonde in de jaren zeventig in West-Berlijn en hij en zijn echtgenote reden ongecontroleerd heen en weer met de betere levensmiddelen, weet ik uit betrouwbare bron, want ik heb daar wel eens van meegegeten en -gedronken bij wederzijdse vrienden. Ze namen ongetwijfeld ook boeken mee.

Een paar bewijsexemplaren van de eerste druk konden we in juni 1976 persoonlijk overhandigen aan enkele Duitse deelnemers van Poetry International. Nicolas  Born (1937-1979) was er uit West-Duitsland, van wie Ton Naaijkens en ik na zijn dood nog een roman en een novelle zouden vertalen, maar ook Reiner Kunze (*1933) en Sarah Kirsch (1935-2013). Ook van Kirsch zouden Ton en ik werk vertalen. Van deze drie auteurs staan handtekeningen in mijn exemplaar van Brachland, die van Kunze met een opdracht expliciet in Rotterdam gesitueerd. Een half jaar na Poetry zouden zowel Kunze als Kirsch bezwaar maken tegen de uitburgering van de schrijver en zanger Wolf Biermann, die in november 1976 toestemming kreeg om concerten in West-Duitsland te geven maar vervolgens niet mee terug mocht naar de DDR. Kirsch emigreerde in 1977 naar de Bondsrepubliek.

Zelf nam ik in de zomer van 1977 een paar exemplaren mee over de grens. Bij de S-Bahn-overgang Friedrichstrasse in Berlijn werd ik, naar verwachting, apart genomen, ik moest mee naar een hokje om te worden ondervraagd over de cadeautjes die ik bij me had – Nederlandse koffie, een paar pakken mooi helder schrijfpapier, een paar Brachlanden en nog het een en ander. De koffie werd door een röntgenapparaat gehaald, het papier was geen probleem en de exemplaren van Brachland uiteindelijk ook niet. Ik beantwoordde netjes alle vragen en de dienstdoende geuniformeerde bladerde er een aantal keren doorheen om te zien of er zaken in stonden die het DDR-oog niet kon verdragen, maar blijkbaar sloeg hij de pagina’s met Biermann, Kunze, Kirsch en anderen over.

Een mooi eerbetoon aan onze onderneming was in het jaar van de tweede druk het verschijnen van Nieuwe Gronden. Hedendaagse nederlandstalige literatuur, gebundeld. Drie Berlijnse studenten Nederlands, Rolf Brockschmidt, Ute Grauerholz en Marlene Müller (ze hadden alle drie een deel van hun studie in Utrecht doorgebracht), deden wat wij met Duitstalige schrijvers hadden gedaan en maakten er een boek van dat mooi bij onze twee drukken paste.

zaterdag 20 december 2025

Moedwil en onverstand [2011]

Op 17 juni 2011 werden in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag twee boeken gepresenteerd: deel 14 van de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans, bezorgd door het Huygens ING, en Een onmiskenbare verwantschap, de briefwisseling tussen Hermans en F. Bordewijk, bezorgd door Marsha Keja (Letterkundig Museum) en Arno Kuipers (Koninklijke Bibliotheek). Beide boeken zijn uitgaven van De Bezige Bij. Kopen!

Een van de sprekers van de middag was de schrijver Christiaan Weijts, die ook, om onduidelijke redenen, de inleiding bij de correspondentie Bordewijk/Hermans mocht schrijven. In zijn praatje gaf hij niet echt blijk van inzicht in en respect voor maken van dit soort boeken. Hij citeerde een willekeurige, zeer nauwkeurig een bron beschrijvende zin uit een van de apparaten van de Volledige Werken en wist daarmee een paar mensen in de zaal aan het lachen te krijgen. Verder toonde hij niet veel begrip voor het bewaren van manuscripten en dergelijke, hoewel hij van de andere kant ook wel gepikeerd was bij het idee dat het Letterkundig Museum misschien wel een digitaal bestand van een van zijn romans niet had geaccepteerd toen de uitgeverij dat aan het LM aanbood.

Weijts’ standpunt is dit: er is een gedrukt boek, en dat is het. Andere getuigen van een schrijfproces zijn daarom onbelangrijk, en het bestuderen daarvan is onzin, op zijn hoogst nuttig voor middeleeuwse teksten: ‘Al die manuscripten, drukproeven, kladjes en droedels willen redden van de vernietiging is even absurd als het omkiepen van een vuilnisbak van een schilder, om er penselen en de leeg geknepen tubes verf uit te vissen. Het is maar gereedschap, zou je zeggen, en restafval.’ Weijts zegt ook: ‘Dikke tekstedities samenstellen […] gebeurt al lang niet meer, althans niet bij eigentijdse auteurs.’ Hij zegt dat dus bij de presentatie van een deel van een dikke teksteditie van een eigentijdse auteur, een editie die aantoont dat het zeer interessant en vruchtbaar is schrijfprocessen en het uiteindelijke resultaat ervan wetenschappelijk te documenteren. Is het niet willen inzien of op zijn minst respecteren daarvan moedwil of onverstand?

Die scepsis over het bewaren van spullen hadden we overigens al eerder, maar iets genuanceerder, te horen gekregen op een openbare manifestatie van het – toen nog – Constantijn Huygens Instituut. Tijdens haar praatje bij het tienjarig jubileum in 2002 zei Nelleke Noordervliet: ‘Ik bewaar […] helemaal niets van mezelf. Geen interview, geen recensie, ik heb geen plakboek, geen rijtje videobanden. Ik heb hoogstwaarschijnlijk niet eens een compleet overzicht van alles wat ik de afgelopen jaren heb gepubliceerd en geschreven. Ik heb een la waarin ik correspondentie mik. Is die la vol, doe ik de inhoud in een doos. Is die doos vol, koop ik een nieuwe doos. Maar of ik die dozen naar het Letterkundig Museum doe als ik tachtig ben: ik denk het niet. Ik denk dat ik tijdig de fik erin zal steken. Niet omdat ik de lateren de pas naar mij wil afsnijden maar omdat ik het van een onverdraaglijke ijdelheid en zelfgenoegzaamheid vind getuigen jezelf aan dat nageslacht op te dringen. Het is niet belangrijk. Het doet er niet toe. Als iemand nog de moeite wil nemen mijn boeken te lezen en daar een geleerde studie aan te wijden dan is hij welkom, maar niet postuum in mijn privé-leven rommelen. Dat nooit.’

Het lijkt wel alsof sommige schrijvers spontaan peentjes gaan zweten wanneer ze geconfronteerd worden met de mogelijkheid dat iemand later in hun spullen gaat neuzen. Dat in de fik steken van Noordervliet is trouwens interessant, want precies datzelfde suggereerde Weijts. Hij beriep zich daarbij op Vladimir Nabokov, die volgens Weijts ook niet van bewaren was en die de systeemkaarten waarop Lolita was geschreven in zijn tuin in brand stak. Ik denk dat Weijts het een en ander door elkaar haalde. Nabokov was wel degelijk van bewaren: in 1959 schonk hij een groot deel van zijn archief (7000 items, bijna 2,6 strekkende meter) aan de Library of Congress in Washington D,C., met de bepaling dat het vanaf vijftig jaar daarna voor iedereen toegankelijk zou zijn. En dat is zo, want een paar maanden geleden heb ik dat archief daar geraadpleegd. Ook de New York Public Library heeft een Nabokov-collectie, en bij zoon Dmitri Nabokov is nog het een en ander – dat hij, zoals The Original of Laura, tegen de wens van zijn vader in publiceert, en wel op een nogal harteloze manier. Daarover een andere keer.

Het beeld van een systeemkaarten verbrandende auteur zal Weijts hebben uit Nabokovs Pale Fire, in het Nederlands Bleek vuur, een roman in de vorm van een editie: het is een 999 regels lang episch gedicht dat wordt begeleid door een nawoord en annotaties. In het nawoord beschrijft de editeur uit de roman, Charles Kinbote, hoe zijn voormalige buurman John Shade, de schrijver van het gedicht dat hij bezorgt, systeemkaarten verbrandt. In de vertaling van Peter Verstegen: ‘Shade had de gewoonte zijn kladjes te vernietigen zodra hij ze niet meer nodig had: ik weet nog goed dat ik hem vanaf mijn veranda op een stralende morgen een keer een hele stapel kaarten zag verbranden in het bleke vuur van de vuilnisoven’. Maar dat is dus fictie.

Weijts publiceerde zijn presentatiepraatje als column in De Groene Amsterdammer, maar met weglating van de passages over Nabokov en ook zonder welke verwijzing naar Bordewijk en Hermans dan ook. Maar hoe zit dat dan intussen met dat praatje dat hij in de aula van de Koninklijke Bibliotheek hield? Is dat nu, zie boven, restafval geworden? Heeft Weijts dus restafval aan ons voorgelezen?

Eerder, op 17 juni 2011, gepubliceerd op de intussen morsdode maar nog steeds online te vinden textualscholerschip.nl van wat toen nog Huygens ING heette en nu Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis en Cultuur. Het Letterkundig Museum heet nu Literatuurmuseum, Christiaan Weijts heet nog steeds Christiaan Weijts. De Volledige Werken van Willem Frederik Hermans zijn intussen volledig verschenen, 24 delen breed. 

vrijdag 7 november 2025

De rechtsche partij

Mijn grootvader Jan Louis Gielkens (Amstenrade 1879 – Kerkrade 1949), die ik nooit heb gekend, zat in de politiek. Hij was ook slager en had een katholieke hoeveelheid kinderen samen met zijn vrouw Anna Maria Mechtildis Bemelmans (Kerkrade 1885 – Kerkrade 1943). Op de foto staat mijn vader achter mijn oma, die ik dus ook niet heb gekend. Dat mijn grootvader in de politiek zat heb ik nog niet zo heel lang geleden ontdekt. Er zijn nauwelijks familiepapieren, en mijn vader of zijn vele broers en zuster (die mijn peettante was) hebben er nooit iets over verteld.

Wat ik in elk geval vond, is dat mijn grootvader in 1919 kandidaat was bij de gemeenteraadsverkiezingen van Kerkrade, en dat hij nog gekozen werd ook. Hij was kandidaat namens de Algemeene Bond van RK-Kiesvereenigingen, in de krant kortweg de Katholieke Kiesvereeniging, die in de gemeente blijkbaar 4 lijsten had, mijn grootvader stond op lijst 2. In De Zuid-Limburger van 22 mei 1919 staat de uitslag (‘Niet officieel’). In totaal werden er 3214 stemmen uitgebracht, waarvan mijn grootvader er 47 kreeg – en daarmee kwam hij in de gemeenteraad. De meeste stemmen, 36, kreeg hij bij zijn eigen stembureau in het Patronaat Bleijerheide, bekend van Het hout van Jeroen Brouwers. Mijn grootvader had zijn slagerij (ik werd erboven geboren) verderop in de Pannesheiderstraat.

De krant analyseert: ‘De verhoudingen in den nieuwen raad zal dus zijn 9 rechts, tegen 8 links. / De Katholieken verloren 2 zetels aan de Vrijzinnige partij en de S.D.A.P.’ Er wordt ook geschiedenis geschreven: ‘Met de heer Menting doet de eerste socialist zijn intrede in den raad.’ Maar: ‘Als “arbeiders”-raad heeft de nieuwe raad, die in September zitting zal nemen, feitelijk afgedaan. Het arbeiders-element zal bij de rechtsche partij nog uitsluitend door dhr. Koken worden vertegenwoordigd, bij de vrijzinnige partij door dhrn. Smeijsters en Essers.’

Mijn grootvader was inderdaad geen arbeider, maar een middenstander, want slager. Een jaar voor de verkiezingen, in augustus 1918, de wereldoorlog was nog niet afgelopen, had hij met enkele collega’s de volgende brief aan De Zuid-Limburger gestuurd:

Hoe dat allemaal zat, hoe lang mijn grootvader in de politiek zat en wat hij er allemaal uitspookte – ik moest het maar eens gaan uitzoeken.

woensdag 5 november 2025

Een diksap van verkenspis. Over een raadselachtig boek

Willem Frederik Hermans (1921-1995) stuurde ooit, wanneer precies is niet bekend, een gestempelde tekst met de titel ‘GEDICHT’* aan zijn Vlaamse collega Gust Gils (1924-2002):

Het zal een bijlage bij een brief zijn geweest, want Hermans en Gils wisselden tussen 1955 en 1984 een groot aantal brieven, die een uitgave meer dan verdienen. Onder de titel ‘GEDICHT’ typte Hermans: ‘(is het eerder gedaan?)’. Ik persoonlijk vermoed van wel: het wachtten is op een standaardwerk over dit soort literaire teksten.

Ik vond een soortgelijke gestempelde tekst, veel langer, vijfenzestig regels namelijk, die, daar wijst alles op, van later datum is dan de tekst van Hermans. Of de tekst van een literaire auteur is weten we niet, maar het is wel, met permissie, een tekst met wat meer literaire ambitie en kwaliteit dan die van Hermans. Hieronder zal ik de tekst in zijn geheel citeren, maar eerst moeten we de bron bekijken en zien of we iets meer te weten kunnen komen.

Die bron is een boek uit een doos met ongesorteerd drukwerk zoals ze bij sommigen van ons af en toe terechtkomen. Aan de blinde band met gemarmerde platten is te zien dat hier geen meesterbinder aan het werk was. De titelpagina vertelt ons dat we hebben te maken met de vierde druk van het De boomteelt of gids bij de openbare leergangen van boomsnoei en dat we, behalve met de vierde druk, te maken hebben met een ‘Gansch omgewerkte nieuwe uitgave’ die ‘met bijzondere zorg [is] opgesteld voor het Lager Onderwijs’  door H.J. Van Hulle, die ’s Rijks hortolanus is ten tijde van het verschijnen van het boek in 1870, en wel bij de uitgeverijen J.B.D. Hemelsoet in Gent en Noordendorp in Amsterdam. Zoeken naar verdere gegevens over uitgevers, drukken etc. laat ik achterwege, ze zijn hier minder relevant.

Tegenover de titelpagina staat de handtekening van de schrijver, een Gentenaar die voluit Hubert Jean van Hulle heette en leefde van 1827 tot 1900. Die handtekening bekrachtigt de gedrukte regel erboven: ‘Geene afdruksels zullen voor echt erkend worden, dan degene die de naamtekening des schrijvers dragen.’ Mijn exemplaar is honderdvijfentwintig jaar na verschijnen ook nog door iemand anders gesigneerd, zij het met een stempel: ‘M. Schoenmakers’. Met dezelfde stempelset dateerde hij of zij haar of zijn activeit ook op het schutblad voorin: ’23 sep 1994’ – ruim na Hermans dus, want die schreef in 1984 zijn laatste brief aan Gust Gils.

De datering van M. Schoenmakers staat onder het eveneens, maar met een andere stempelset, gefabriceerde woord ‘Queekhoven’. We zouden kunnen denken dat we dichter bij een oplossing komen, maar dat is niet zo. Ik leer van Wikipedia dat Queekhoven een buitenplaats uit de zeventiende eeuw in Breukelen aan de Utrechtse Vecht is, die onder andere gebruikt is als jongenskostschool. Van 1963 tot 1983 was de Eduard van Beinum Stichting in het kasteel gevestigd, er werd muziek gemaakt, onderwezen en bestudeerd. Op een zeker moment verliet ons exemplaar van Boomteelt Queekhoven.

Wat heeft M. Schoenmakers precies met het boek gedaan? Hij stempelde met de letters waarmee zij ook ‘Queekhoven’ voorin zette op 37 bladzijden van Boomteelt woorden die hij niet zelf bedacht maar die zij uit het boek haalde. Pagina 133 is de laatste van de 288 pagina’s van dit – incomplete, 4 pagina’s achterin missende – exemplaar die hij bestempelde. Opvallend is dat M. Schoenmakers zo netjes werkte. De letters en woorden zijn erg schoon en zonder uitloop gestempeld en na elke stempelgang moet hij of zij de pagina eerst hebben laten drogen voordat de volgende pagina aan de beurt was, want er zijn geen afdrukken op er tegenover liggende bladzijden. Met welke focus en met welke gemoedsinstelling M. Schoenmaker Boomteelt verfraaide mag de lezer zelf bedenken.

Queekhoven

voorttelende zintuigen

een stofbeursje welk zich ten bekwamen tijde opent

met de buitenlucht in gemeenschap gebracht

opgeslorpte zelfstandigheden

in het donker doen de zaken zich geheel anders voor

vernielende invloeden die nooit ophouden te worstelen tegen alle zintuiglijke wezens

neiging om tot in het oneindige te blijven spelen

wildelingen

voetoogen voorhanden

dit dalend sap traant er uit

schorslippen

voorwaarden tot wellukken

huwelingsgriffel

diepgronding

alleenlijk kan men niet altijd zoo lang naar zijn land wachten

wat de boomen langs openbare wegen ook grootelijks verhindert, zijn zonneslagen, wonden, stooten en stampen aan welke zij daar zijn blootgesteld

smoorhoop

doordringbare zelfstandigheden

enkel langs openbare wegen plant men wat op het diepst

besloten stedelucht

soms spant men enkel doeken over de boomen

beschaduwen

want vergeten wij niet dat de vruchten zeer uitputtende organen zijn

gedraagzaam

kunstmatige vruchtplukkers

zachte schavelingen

als hun vleesch weeker wordt

het zweeten der vruchten

verneutelde

aangedaane deelen

misbloeiing

aangedane boomen

wollige kusjes

stinkende zelfstandigheden

in welke zij komen verdrinken

een diksap van verkenspis gemengd met tabakssap solfer kalk en ossegal

schrijfworm

weldoende diertjes

zijoogen

kroonogen

voetoogen

slapende oogen

toevallige oogen

tweesoortige oogen

worteloogen

de beurs welke anders niet is dan dat vleeschachtig gezwel

de losmaking

de twijgsnijding

de breking

de oogwegsnijding

de insneden

de inkervingen

de bijeenbrenging

de afkorting

de afhouting

de opleiding

de wortelsnoei

de sleuning

verborgen oogen

die geene aantrekkingskracht genoeg hebben

nijping

zomerbreking

omwringing

afschorsingen

vruchtdunning


*Bewaard in het archief-Gils in het Letterenhuis in Antwerpen, afgebeeld in Jan Gielkens, ‘“Heb jij ooit Lampo op H2 SO4 gezet?” De vriendschap tussen Gust Gils en Willem Frederik Hermans’. In: Matthias Velle [e.a.] (red.), Gust Gils in zijn experiment. Gent: Academia Press, 2015, pp. 251-267, afbeelding p. 259, herplaatst op: https://jangielkens.blogspot.com/2019/01/heb-jij-ooit-lampo-op-h2-s04-gezet-de.html.

zondag 2 november 2025

Zomaar een herdruk [2010]

Onlangs verscheen in de Perpetua-reeks van Athenaeum-Polak & Van Gennep de, zo staat het tenminste in het boek, vijfde druk van Verzen. De editie van 1890. De indruk zou kunnen ontstaan dat het hier gaat om de vijfde druk van de bundel Verzen van Herman Gorter, die in 1890 verscheen, maar dat is niet zo.

Nog niet zo lang geleden zei een neerlandica op een congres dat een wetenschappelijke editie een authentieke leeservaring moet overbrengen, want ‘de lezer’ wilde graag het gevoel hebben dat hij een eerste of een tweede druk van bijvoorbeeld Verzen van Herman Gorter uit 1890 las. Maar, zo was het commentaar daarop van iemand die er wel een beetje kijk op heeft, bij Gorter doet zich het interessante geval voor dat die tweede druk van Verzen uit 1890 nu juist een wetenschappelijke editie is. Gorter was een groot reshuffeler van zijn werk: hij husselde bundels door elkaar, schrapte, wijzigde, en dan publiceerde hij weer een bundel met dezelfde of een andere titel.
‘Verzen 1890’, zoals de bundel in de neerlandistieke wandeling heet omdat er ook nog een Verzen uit 1903 en een Verzen uit 1916 en een Verzen uit 1928 is, werd tijdens Gorters leven nooit in de vorm van de eerste druk herdrukt. Maar de Verzen-bundel uit 1890 werd wel weer voor het grootste gedeelte overgenomen in Gorters volgende, De school der poëzie uit 1897.

Een zeer veel uitgebreide, driedelige herdruk van deze bundel verscheen in 1905. Deel I daarvan bevat weer de gedichten uit Verzen (1890) in de versie van 1897, en dit deel I krijgt dan ook de toevoeging ‘derde druk’. De school der poëzie werd tijdens het leven van Gorter nog een keer herdrukt, namelijk in 1925, en daar was de toevoeging verrassenderwijs ‘vijfde druk’. Dat kwam omdat intussen, in het kader van een soort verzameld werk in vier delen dat Gorter in 1916 samenstelde en publiceerde, het tweede en het derde deel Verzen. Eerste deel resp. Verzen. Tweede deel heetten, die weer Gorters poëzie tot 1906 bevatten, en dus ook Verzen (1890). Maar een aanduiding ‘vierde druk’ ontbrak hier. Wel had, om de verwarring te vergroten, Verzen. Eerste deel twee sterretjes op de rug en Verzen. Tweede deel drie.

Na de dood van Gorter verschenen de gedichten uit Verzen (1890) weer als onderdeel van De school der poëzie, en die verzameling vormde deel 2 van Gorters Verzamelde werken, die Garmt Stuiveling tussen 1948 en 1952 bezorgde. En nog weer later, in 1966, gaf Stuiveling samen met Enno Endt Gorters Verzamelde lyriek tot 1905 uit, met daarin natuurlijk ook weer de Verzen uit 1890. Van deze editie verschenen in 1977 en 1978 herdrukken.
‘Kijk, mijn specialisme is Moderne Nederlandse Letterkunde en dat houdt in van 1830 tot nu. Maar eigenlijk ben ik alleen in de periode van de Tachtigers echt geïnteresseerd. En dan nog niet eens Van Eeden, Kloos, Hein Boeken en zo, maar binnen Tachtig toch in de eerste plaats Herman Gorter. Nou ja, dat is ook nog overdreven; wat mij in het bijzonder bezighoudt zijn toch vooral de Verzen 1890, de sensitieve verzen, en dan met name natuurlijk, “In de zwarte nacht is een mensch aangetreden”.’

Zo citeerde Hans van den Bergh Enno Endt tijdens de uitvaartdienst van de laatste.* Dat Endt ooit een editie zou maken van Gorters debuutbundel lag voor de hand. Dat deed hij in 1977, en met die editie zorgde hij voor een soort tweede druk van Verzen in de oorspronkelijke samenstelling. Hij liet de teksten vergezeld liet gaan van een essay, een verantwoording, aantekeningen en wat verder bij een wetenschappelijke editie hoort. De titel van Gorters bundel veranderde met deze editie in: Verzen. De editie van 1890. Endt gebruikte het woord ‘editie’ hier overigens niet voor het resultaat van zijn wetenschappelijke activitit vean de presentatie van teksten, maar in de betekenis van ‘uitgave’, en dat woord had hij dus ook beter kunnen gebruiken voor zijn editie, want dat was het natuurlijk wel.

Van de editie van Endt verscheen een jaar later, in 1978, een ongewijzigde herdruk. In 1987 kwam er een wel gewijzigde herdruk, nog steeds met het wetenschappelijk apparaat. Opvallend is, dat de inhoudsopgave van de editie naar voren is verplaatst, ze staat nu na de titelpagina, en daar wekt ze verwarring, want zo’n inhoudsopgave had de oorspronkelijke uitgave van 1890 natuurlijk niet. Maar deze vierde druk van de Verzen van 1890 is nog steeds een wetenschappelijke editie, en wel de derde druk van de editie van 1977. En ook de voorlopig laatste, want in een boek dat als vierde druk van Verzen. De editie van 1890 wordt aangeduid is alle commentaar van Enno Endt verwijderd.

Eigenlijk is het nu dus geen wetenschappelijke editie meer en zou de telling dus opnieuw moeten beginnen, of rekening houden met alle drukken en zich dus de, eh, zoveelste noemen. In het colofon van de ‘vierde’ druk staat nog wel: ‘De eerste drie drukken zijn voorzien van aantekeningen en een nawoord door Enno Endt.’ Nieuw zijn de foto van de auteur na de titelpagina en een foto van twee blote benen met een plantje op het voorplat. Misschien van het internet geplukt, waar we ook al terecht kunnen voor de teksten uit Verzen (1890). De hele bundel staat in de digitale versie van de derde druk van de editie van Endt, die op dbnl.nl te vinden is. Ook op nl.wikisource.org staat de bundel, maar dan kaal, zonder enige toevoeging behalve de bron, en dat is er een uit de begindagen van het internet: het Laurens Jansz. Coster-project van de Universiteit van Amsterdam (http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/gorter/verzen/verzen.html).
En nu is er dus een zogenaamde vijfde druk van de zo genoemde bundel Verzen. De editie van 1890, die dus in werkelijkheid de tweede druk is van de uitgeklede uitgave naar de derde druk van Verzen. De editie van 1890, die weer de tweede druk is van de bundel Verzen van Herman Gorter uit 1890. De nu gepubliceerde uitgave van Verzen (1890) is prachtig verzorgd, zoals de hele Perpetua-reeks: zwart linnen, mooie typografie, mooi stofomslag, leeslintje. Maar de aftakeling van wat ooit een editie was gaat door. De naam van Enno Endt komt alleen nog in het nawoord van Kees ’t Hart voor, en dat nawoord had wat mij betreft best kunnen wegblijven. Wat een rare gedachte is dat: dat klassieke boeken een opkontje nodig hebben van bekende schrijvers (hoewel ik veronderstel dat de bijna vijfentachtig jaar geleden overleden Herman Gorter zelfs nu nog een bekendere schrijver is dan de levende Kees ’t Hart). Zou de volgende uitgave van Verzen (1890) er een in simpel Nederlands zijn?

*Ter herinnering aan Enno Endt. Enschede, 3 december 1923. Amsterdam, 21 april 2007. Edam 2007, het citaat staat op p. 19.

Deze tekst verscheen voor het eerst op 1 maart 2010 op de intussen nog bestaande maar niet meer onderhouden want door de directie van het Huygens Instituut vakkundig om zeep geholpen website textualscholarship.nl. Ik heb de tekst licht en vooral redactioneel gewijzigd, de deels niet meer kloppende of bestaande links heb ik verwijderd.

zondag 27 juli 2025

ARTHUR LEHNING, COLLEGA

Wim Berkelaar schreef een mooi portret van de anarchist Arthur Lehning (1899-2000), die vanaf de oprichting in 1935 tot ver in de jaren 1980 betrokken was bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam, waar ik van 1978 tot 2000 ook werkzaam was. Desondanks heb ik hem daar maar één keer ontmoet, tamelijk in het begin, toen ik door zijn medewerkster en levensgezellin Maria Hunink (1924-1988) werd gevraagd een congresbijdrage van Lehning voor de Internationale Tagung der Historiker der Arbeiterbewegung in Linz in het Duits te vertalen. Lehning deed dat niet zelf, want hij werkte niet op het IISG, hij hield kantoor aan huis en kwam zelden op het IISG. Hunink pendelde heen en weer met boeken, kantoormiddelen en – vreemd genoeg - ook archiefmateriaal; als ik het me goed herinner, kreeg hij zijn kantoorruimte door het IISG vergoed.
Arthur Lehning, portret door Jan Goeting, van de website van het Literatuurmuseum.

Van de congresbijdrage heb ik nooit een gedrukte versie gezien, en ik kan er online ook niet zo snel gegevens over vinden, maar het was in elk geval een waarschijnlijk door Hunink in elkaar geknutselde verzameling uit andere, eerder gebruikte teksten in het Nederlands, Duits, Frans en Engels, waar ik vervolgens een Duits geheel van moest maken. Toen ik klaar was met mijn klus kwam Lehning me, meegetroond door Hunink, bedanken in mijn piepkleine kamertje aan de achterkant van de derde – of was het de tweede? – verdieping van het IISG op de Herengracht. Ik weet nog dat hij, met zijn licht Duits accent, een opmerking maakte over een boekje dat ik op mijn bureau had liggen: de brochure Op bezoek bij Albert Vigoleis Thelen die Adriaan Morriën in 1953 had gepubliceerd. ‘Die heb ik nog gekend’ was de opmerking van Lehning – hij zal Thelen bedoeld hebben, die op dat moment overigens nog leefde.

Ik heb Lehning nog twee keer meegemaakt: één keer in 1980 tijdens Poetry International in Rotterdam, waar Lehning een discussie met dichters leidde over Walter Benjamins stelling ‘Seit Bakunin hat es in Europa keinen radikalen Begriff von Freiheit mehr gegeben’. Lehning had die uitspraak ongetwijfeld al vaak geciteerd, maar bij de introductie ervan tijdens het poëziefestival ging het niet goed, want hij probeerde stotterend een aantal versies voordat hij, door omstanders geholpen, de goede vond – zo zit dit tafereel in mijn herinnering.

Lehning werkte al tientallen jaren aan de 
Archives Bakounine’, een editie van het werk van de negentiende-eeuwse Russische anarchist Michail Bakoenin (1814-1876) die om de zoveel jaar een indrukwekkend deel opleverde, over de kwaliteit waarvan ik geen oordeel heb, omdat ik de delen nooit echt heb bekeken. Lehning maakte de editie nooit af vanwege een conflict dat tussen hem en medewerkers aan de editie, waarvan er een later nog directeur van het IISG werd en de ander werd ontslagen omdat ze tegen de ingevoerde prikklok was en die onklaar had gemaakt. Lang na Lehnings vertrek, in 2000, zou er een cd-rom verschijnen waarop de volledige werken van Bakoenin digitaal werden gepresenteerd. Ook over de kwaliteit van deze uitgave, waarvan ik niet eens weet of het een editie genoemd kan worden, kan ik niets zeggen. Haar nu nog gaan bekijken zou best gecompliceerd zijn, want volgens de catalogus van het IISG is de cd-rom alleen te lezen ‘on systems up and until Windows-XP’ en bovendien kan het ding ‘[v]anwege een langdurig digitaliseringsproject […] niet worden aangevraagd.’ Ik herinner me wel nog dat het project in aanbouw – dat werd verricht door aankomende wetenschappers die wel, in tegenstelling tot Lehning, het Russisch beheersten maar geen sjoege hadden van edities – niet mocht worden ingezien door mensen met zicht op de materie; toen een van mijn collega’s daar toch in slaagde, sloeg hij meteen alarm, maar er werd niets mee gedaan. Ik was nog net – ik was al aan het vertrekken van het IISG – aanwezig bij de presentatie van de cd-rom, die in een aantal van wel 10 exemplaren werd vervaardigd en die 1000 gulden kostte. Om de toehoorders van de wetenschappelijke kwaliteit te overtuigen werd de zoekfunctie gedemonstreerd door termen in te voeren die met kledingstukken te maken hadden. En warempel: dat leverde hits op. Het feest was compleet toen de makers van de cd-rom en hun leidinggevenden t-shirts bleken te dragen met het portret van Bakoenin.
Gevonden op eBay, want mijn eigen exemplaar kan ik niet vinden.

Maar ik dwaal af. De laatste keer dat ik Lehning zag was bij de begrafenis van Maria Hunink, die in maart 1988 plotseling overleed. Omdat ik het goed met haar kon vinden was ik met een aantal collega’s daar aanwezig, op de koude en natte rooms-katholieke begraafplaats van Huninks geboorteplaats Wijhe, langs de spoorlijn van Deventer maar Zwolle. Arthur Lehning hield er een toespraak, wie er nog meer spraken en waren herinner ik me niet meer, ook niet of er nog gecondoleerd werd achteraf.

Ergens in de jaren erna schreef ik nog wel een brief aan Lehning met de vraag of hij archiefmateriaal bezat dat met Walter Benjamin en diens publicatie uit 1927 in Lehnings vermaarde tijdschrift i10 te maken had. Ik was bezig met een bibliografie van Nederlandse vertalingen van werk van Benjamin voor een Duits boek, dat in 1995 zou verschijnen. Antwoord kreeg ik van Lehnings nieuwe levensgezellin Toke van Helmond, die mij meedeelde dat Arthur Lehning van vóór 1940 helemaal niets had bewaard. Dat kon ik toen al moeilijk geloven.

woensdag 28 mei 2025

MISLUKKINGSKUNSTEN EN ANDERE TWEELATTE BIOGRAFIETS

Het kan geen kwaad elke dag een kwartiertje of zo te besteden aan het bevragen van Google, zeker nu we gratis en voor niks ‘AI’-teksten bovenaan onze zoekresultatenlijst krijgen. Vragen stellen waarop je het antwoord al weet heeft de voorkeur, want dan weet je ook wat je te wachten staat wanneer je vraagt naar iets waarvan je geen verstand hebt. Ik vroeg dus, want u kent mij: ‘Wat is de slechtste biografie over Willem Frederik Hermans’. ‘AI’ doet even heel genuanceerd en verstandig:

‘Het is moeilijk te zeggen welke biografie van Willem Frederik Hermans de "slechtste" is, omdat de kwaliteit van een biografie afhangt van de persoonlijke interpretatie en voorkeur. Er zijn
echter enkele die meer controversieel of kritisch zijn beoordeeld.’

Maar dan komt dit:

‘Enkele biografieën die wellicht kritischer bekeken worden:
W.F. Hermans: Een Biografie, door Anneke Wouterse: Hoewel een uitgebreide en grondige biografie, wordt deze soms kritisch beoordeeld vanwege de mogelijk overmatige nadruk op Hermans' negatieve aspecten en zijn soms harde en onbeschouwende manier van communiceren.
Willem Frederik Hermans: De man achter de schrijver, door Oek de Jong: Deze biografie, die meer een analyse van Hermans’ werk is dan een traditionele biografie, wordt door sommigen gezien als te beperkt en minder volledig dan andere biografieën.’

Wanneer je de dezelfde vraag op een ander moment van de dag stelt, krijg je dit als antwoord:

‘Er zijn meerdere biografieën van Willem Frederik Hermans, en welke als “slechtst” wordt beschouwd is subjectief en afhankelijk van de individuele lezer. Sommigen vinden bijvoorbeeld de biografie van Bert Boeren (Willem Frederik Hermans: Een biografie, 2011) te veel gericht op Hermans’ privéleven en te weinig op zijn werk, terwijl anderen het vinden als een gedetailleerde en interessante benadering. Andere, minder uitvoerige biografieën, zoals die van Peter van den Broek, kunnen voor sommige lezers juist te summier zijn.’

Links bij de namen suggereren wellicht dat ja daar die biografieën kunt bestellen. Probeer het maar.

Zelfde vraag, even later:

‘Er zijn meerdere biografieën van Willem Frederik Hermans, en welke als "slechtst" wordt beschouwd is subjectief en afhankelijk van de criteria die je hanteert. Er is geen consensus over een specifieke biografie die als het meest mislukt wordt beschouwd. Hieronder staan enkele biografieën van W.F. Hermans die in de literatuur bekend zijn, en de redenen waarom ze wellicht als "niet zo goed" kunnen worden beschouwd: Hermans die in de literatuur bekend zijn, en de redenen waarom ze wellicht als "niet zo goed" kunnen worden beschouwd:
Oek de Jong, Willem Frederik Hermans: Een biografie:
Dit is een uitgebreide biografie die vaak als de meest gedegen beschouwd wordt. Oek de Jong maakt gebruik van een grote hoeveelheid archiefmateriaal, waaronder brieven en manuscripten, en komt met een genuanceerde en kritische blik op Hermans' leven en werk.
Various, Willem Frederik Hermans: Biografie:
Er zijn ook minder gedegen biografieën, die vaak in korte tijd geschreven zijn en minder diepgaand onderzoek doen. Deze biografieën kunnen bijvoorbeeld meer nadruk leggen op de controverse rond Hermans' werk, en zijn persoonlijkheid.’

Het word ‘beroerd’ schoot me te binnen in verband met een bepaalde Hermans-biografie, en daarom vroeg ik: ‘Wat is de beroerdste biografie over Willem Frederik Hermans’. Het antwoord begint weer verstandig begint en gaat dan los:

‘Er is geen biografie over Willem Frederik Hermans die algemeen als de “beroerdste” wordt beschouwd. De beoordeling van biografieën is subjectief en hangt af van de persoonlijke voorkeur en
verwachtingen van de lezer. Sommige mensen kunnen de ene biografie beter vinden dan de andere, maar er is geen consensus over welke biografie de “beroerdste” is.
Hieronder volgt wat algemene informatie over biografieën over Willem Frederik Hermans en wat je kunt verwachten:
Nieuwe biografie: Er verscheen een nieuwe biografie over Hermans in 2018, geschreven door Hein van Oorschot. Dit boek is een van de meest recente biografieën en bevat uitgebreid onderzoek en nieuwe inzichten.
Andere opties: Naast de biografie van Van Oorschot zijn er ook andere biografieën over Hermans, zoals die van John A.A. van der Griend en die van Henk Van Dijk.’

Maar ik ben de beroerdste niet en vraag: ‘Wat is de beste biografie van W.F. Hermans’. ‘AI’ zegt:

‘De meest volledige en grondige biografie van W.F. Hermans is waarschijnlijk de tweedelige biografie van Hans Otterspeer. Deze biografie is uitgebreid en biedt een diepgaande analyse van zowel Hermans’ leven als werk.’

Op dezelfde vraag even later:

‘De biografie van W.F. Hermans die als de beste wordt beschouwd, is de tweedelige biografie van M. Otterspeer, die in twee delen is verschenen: “De dierlijkste van de Grote Drie” en “De donkere kamer van Damocles”. Deze biografie is uitgebreid en gedetailleerd en biedt een diepgaand inzicht in het leven en werk van Hermans.’

En weer even later:

‘De meest uitgebreide en gedetailleerde biografie over Willem Frederik Hermans is de tweelatte biografiet van Willem Otterspeer. De biografie werd in 2013 en 2015 gepubliceerd.
Eerste deel: Het eerste deel, met de titel “De donkere kamer van Damokles”, behandelt de eerste helft van Hermans’ leven, van zijn geboorte tot en met zijn doorbraak als schrijver.’

Om het een paar minuten later weer eens te proberen met dezelfde vraag:

‘Er is geen officieel “beste” biografie van Willem Frederik Hermans, maar veel literaire experts en critici hebben verschillende werken geprezen. Een veelbesproken biografie is “Willem Frederik
Hermans, 1921-1995” van Martien J.G. de Jong, die ook een onvoltooide autobiografie van Hermans publiceerde. Andere belangrijke bijdragen zijn “Hermans. Zijn tijd, zijn werk, zijn leven” van Hans van Straten en “Het aardigste volk ter wereld: Willem Frederik Hermans in Brussel” van Jeroen Brouwers.’

Zullen we het met dezelfde vraag nog eens proberen?

‘De meest uitgebreide en veelzijdige biografie van Willem Frederik Hermans is waarschijnlijk de tweedelige biografie van Willem Otterspeer, die onder de titel ‘W.F. Hermans’ (1995-1999) verscheen.
Deze biografie wordt gekenmerkt door een grondige studie van Hermans' leven, werk en gedachten, en wordt door veel critici beschouwd als de meest volledige biografie.’

Of deze:

‘De meest uitgebreide en gedegen biografie van Willem Frederik Hermans is waarschijnlijk de tweeliggende biografie van Willem Otterspeer. Deze biografie is bekend om zijn grondige onderzoek en de persoonlijke inslag die Otterspeer brengt in zijn analyse van Hermans' leven en werk.’

En deze:

‘De meest uitgebreide en veelgeprezen biografie van W.F. Hermans is “De mislukkingskunsten” van Willem Otterspeer. Dit tweeluik, die jarenlang aan de biografie werd gewerkt, is een diepgaande
studie van Hermans' leven en werk. Een andere, meer persoonlijke, biografie is “De aardigste man ter wereld” van Freddy de Vree, die de lange vriendschap tussen de auteur en Hermans beschrijft.’

Ik ga binnenkort op vakantie, met het vliegtuig. Ik heb begrepen dat internationale vluchtschema’s tegenwoordig ook door ‘AI’ worden ondersteund. Ik laat u wel weten waar ik terecht ben gekomen.