zondag 2 mei 2021

Citeren (2)

‘Als verhalen het pompende hart van de biografie zijn, dan is het citaat het levensbloed.’ Dat is een mooie uitspraak van Hans Renders en Nigel Hamilton in hun zeer nuttige handboek Het ABC van de Biografie uit 2018. U moet dat citaat zoeken onder de Q van Quote, overigens, want de C was al bezet door Compositie. Renders en Hamilton vertellen waar het begon, dat citeren als levensbloed voor de biografie, bij James Boswell namelijk, en ze waarschuwen ook, onder andere, voor de gevaren van het citaat, dat namelijk niet per definitie de waarheid spreekt. Wat Renders en Hamilton niet doen, maar ze hebben dan ook geen citeerhandboek geschreven, is schrijven over de praktische kant van het citeren. Je kunt er namelijk wel heel nobel over nadenken en redeneren, maar je moet het ook in de praktijk brengen.

Moeilijk is het eigenlijk niet, dat citeren. Lees de instructies op een website voor studenten als Scribbr.nl maar. Daar staat simpelweg: ‘Een citaat is het letterlijk kopiëren van andermans woorden.’ En als je dat gedaan hebt, dat letterlijk kopiëren, is dit belangrijk: ‘Alle directe citaten (en geparafraseerde ideeën) dienen een verwijzing naar de oorspronkelijke bron te bevatten. Als je de bron van citaten niet vermeldt, loop je het risico plagiaat te plegen, wat ernstige gevolgen kan hebben.’ Over dat verband tussen citeren en plagiaat heb ik het in een vorig stuk gehad naar aanleiding van een advies Correct citeren van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, dat vooral gaat over goede bronvermeldingen en eigenlijk niet over ‘correct’ citeren. Dan is punt 3 van de Scribbr-instructie nuttiger: ‘Je kunt een citaat gebruiken om bewijsmateriaal te leveren of een argument te ondersteunen’. Dat doe je zo, volgens Scribbr: ‘Zorg er […] dan voor dat een citaat goed ingeleid wordt en dat je een citaat niet uit zijn verband rukt door bijvoorbeeld een klein gedeelte te citeren wat jouw onderzoek ondersteunt, terwijl de rest van de bron je onderzoek tegenspreekt.’ Erg nuttig is ook dit: ‘Je kunt een citaat ook inkorten, bijvoorbeeld door een overbodig of irrelevant deel van een citaat te vervangen door het beletselteken (…). Als je een citaat verkort, let dan op dat je het niet uit de context haalt. Gebruik geen ingekort citaat van een bron die voor de rest in tegenspraak is of niet overeenkomt met wat je duidelijk wil maken.’

Dat lijkt allemaal vanzelfsprekend en logisch en een kind kan de was doen. Maar in de praktijk valt dat bitter tegen. Wie wel eens wetenschappelijke publicaties heeft geredigeerd weet dat onverschilligheid over de herkomst van citaten en correctie bronvermeldingen eerder de regel zijn dan uitzondering. In de loop van de tijd heb ik regelmatig gewezen op geknoei op dat gebied. Ik geef hieronder een lijst van artikelen en blogs waarin het citeren aan de orde komt. Vaak, veel te vaak, verkeren citeerders en zelfs bezorgers van brieven en andere documenten dat ze moeten redigeren, spelling moderniseren en interpunctie aanpassen om teksten ‘leesbaar’ te maken, terwijl die leesbaarheid zelden in het geding is bij auteurs van pakweg de hele twintigste eeuw. Maar de genoemde artikelen gaan niet alleen over het netjes overschrijven van andermans teksten, maar ook over de bronvermeldingen die daar onlosmakelijk bij horen.

Over slordig citeren, beroerde bronvermeldingen en ander onrecht in een onlangs verschenen biografie gaat het in Citeren (3). Over een klein maar belangrijk onderdeel van die biografie schreef ik al eerder.

https://jangielkens.blogspot.com/2021/03/citeren-1-ik-bladerde-orienterend-in.html

https://jangielkens.blogspot.com/2017/10/veelvuldigekaters-2010-in-zijn.html

https://jangielkens.blogspot.com/2017/03/het-staat-er-echt.html

https://jangielkens.blogspot.com/2017/05/danheb-ik-zelfs-deze-woorden-niet.html

https://jangielkens.blogspot.com/2017/03/hillering-lotgebrand.html

https://jangielkens.blogspot.com/2016/05/anders-4-inmijn-artikel-het-staat-er.html

https://jangielkens.blogspot.com/2016/03/marx-met-tienduizendfouten-karl-und.html

dinsdag 13 april 2021

1959-1976-1992-2015-2021

Het is vandaag zes jaar geleden dat Günter Grass overleed, 87 jaar oud. Toen zijn Blechtrommel tijdens de Frankfurter Buchmesse in 1959 werd gepresenteerd was hij 32, een jongeman nog, die wel al onmiskenbaar op zijn oudere ik leek. Deze folder van zijn toenmalige uitgeverij Luchterhand vond ik onlangs, hij werd gemaakt kort na het verschijnen van het boek, maar toen het boek al een wereldwijd succes was. ‘Ein Welterfolg! Drei Auflagen innerhalb kurzer Zeit, Übersetzungen in alle Kultursprachen.’ Dat die vertalingen in al die cultuurtalen een paar weken na het verschijnen van het boek al af waren moeten we betwijfelen. Op de Nederlandse vertaling (van Koos Schuur) moest de lezer in elk geval nog vijf jaar wachten. 




Toen ik Grass voor het eerst zag en hoorde lezen uit eigen werk, op 14 mei 1976 in de aula van de Vrije Universiteit in Amsterdam, was hij 48. Ik was 23, studeerde nog en wist nog niet dat ik zijn vertaler zou worden. Toen ik hem voor het eerst persoonlijk ontmoette, eind januari 1992, naderde ik de 40 en hij de 65, en toen ik hem in oktober 2014, zes maanden voor zijn dood, voor het laatst zag, was hij 87 en ik 62. Omdat we elkaar tussen 1992 en 2014 regelmatig tegenkwamen, viel het ons waarschijnlijk niet zo erg op dat we allebei ouder geworden waren. Bij mij was dat zichtbaarder dan bij hem. Hij bleef de oudere schrijver, ik was in 1992 de jongste deelnemer aan de vertalersbijeenkomst vanwege Unkenrufe en mocht als een van de senioren onder de vertalers in oktober 2014 mijn collega's vertegenwoordigen bij een boekpresentatie in Lübeck.

Zijn laatste, postuum verschenen boek, Vonne Endlichkait, ligt hier sinds 2015 ruw vertaald te wachten op een uitgever. Ik moet daar toch eens iets aan doen.



woensdag 17 maart 2021

Citeren (1)

Ik bladerde oriënterend in een biografie, kwam wat rare dingen tegen en concludeerde dat er ergens een handleiding moet bestaan voor slordig citeren. Een tutorial of iets dergelijks. Maar zoiets kon ik al googelend niet zo snel vinden. Wel een stuk dat ‘Correct citeren’ heet. Het is een ‘Briefadvies’ van de KNAW, de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, uitgebracht in 2014: ‘Op verzoek van het KNAW-bestuur stelde de commissie Citeren […] een advies op om meer duidelijkheid te verschaffen over correct hergebruik van eerder gepubliceerde teksten, ideeën en onderzoeksresultaten. Aanleiding voor dit advies is de begripsverwarring die recent ontstond over het begrip “zelfplagiaat” en de brede discussie die werd gevoerd over wat wel en niet toelaatbaar is bij hergebruik van eerder gepubliceerd materiaal.’ (https://www.knaw.nl/nl/actueel/publicaties/correct-citeren). Het ‘Briefadvies’ gaat, dat blijkt al snel, helemaal niet over correct citeren, maar meer over plagiaat en het vermijden daarvan door het correct verantwoorden van citaten. Het woord ‘citeren’ komt in het stuk van negen pagina’s achttien keer voor, het woord ‘plagiaat’ dubbel zo vaak.

Het ‘Briefadvies’ wordt voorafgegaan door een foto van een plafondschildering in het Trippenhuis in Amsterdam, waar de KNAW is gevestigd. Ter verklaring staat bij de afbeelding: ‘De voorstelling past vermoedelijk in de fabel van Zeus en de trotse raaf, naar Aesopus (ca. 620 v.Chr. – ca. 560 v.Chr. – zie voor verantwoording op www.knaw.nl/correct-citeren.’ Ik citeer hier, knippend en plakkend, correct, mocht het iemand opvallen dat er ergens een afsluitend haakje ontbreekt. De link die is toegevoegd verwijst naar een pagina die niet meer bestaat. Na deze dode link staat een tekst die, moet ik aannemen, een vertaling is van de fabel van Aesopus waarnaar werd verwezen. De tekst staat tussen aanhalingstekens en is dus een citaat. Maar een citaat van welke vertaling of bewerking? Een bron ontbreekt, en dat is vreemd in een advies over het correct verantwoorden van citaten.

Als ik aan het googelen sla met de eerste acht woorden van het citaat krijg ik drie hits: twee keer het briefadvies, via de derde kom ik terecht in een afstudeerscriptie van een Belgische studente met de titel ‘Het zeventiende-eeuwse Zuidnederlandse vogelconcert. Een genre vol betekenis’ uit 2014 (https://libstore.ugent.be/fulltxt/RUG01/002/162/374/RUG01-002162374_2014_0001_AC.pdf). Aesopus en zijn fabels spelen een belangrijke rol in de scriptie, maar vreemd genoeg niet in Nederlandse vertalingen; er wordt wel verwezen naar Engelse. Behalve in het geval van de tekst uit het ‘Briefadvies’ van de KNAW, en dat is dan ook de bron die de studente geeft. Dat het ‘Briefadvies’ over citeren en plagiaat gaat heeft ze niet gemerkt, want ze neemt zonder aanhalingstekens de KNAW-versie van de fabel voor een groot deel letterlijk over, om na een paar zinnen een beetje te gaan afwijken, zonder dat je het een parafrase kunt noemen. De begeleider van de masterscriptie heeft het blijkbaar over het hoofd gezien, en hij vond het ook niet verontrustend dat op de 120 pagina’s van de scriptie vier keer wordt vermeld dat Aesopus een Griekse fabeldichter was, waarvan twee keer binnen vier regels.

Terug naar het ‘Briefadvies’ van de KNAW over het correct citeren en verantwoorden van bronnen. Het citeert dus een tekst, maar stopt de belofte van een bron in een dode link. Het stuk met bronnen waarnaar ze met die dode link willen verwijzen is overigens wel elders te vinden (weer hier: https://www.knaw.nl/nl/actueel/publicaties/correct-citeren), via de link naar een stuk ‘Verantwoording KNAW-commissie “Citeren”’. Dat stuk bevat heel veel verantwoording en heel veel bronnen, waaronder een verwijzing naar weer een separaat stuk, zonder link, maar het is via de laatste link hierboven te vinden. Dat stuk is een ‘poster’, met de titel ‘Pronken met andermans veren’. Die poster bevat interessante informatie, veel foto’s en weer de tekst van de fabel. Maar geen bronvermeldingen of een andersoortige verantwoording, maar daar is het ook een poster voor. Mocht je bronnen voor de poster willen kennen, moet je toevallig, zoals ik, gezien hebben dat ze onderaan het stuk ‘Verantwoording KNAW-commissie “Citeren”’ staan. Een van de drie daar genoemde bronnen is de Vorstelijcke warande der dieren van Joost van den Vondel uit 1682, en omdat Vondel ook fabels bewerkte, zou je kunnen denken dat je daar beet had. Maar dat is, had ik de indruk, niet zo.

Dit is de fabel in het ‘Briefadvies’: ‘Op een goede dag vatte Zeus het voornemen op om een koning onder de vogels te benoemen. Als alle soorten zich aan hem gepresenteerd hadden, zou hij de fraaiste tot vorst kronen. Alle vogels verzamelden zich bij de waterkant om daar hun gevederte te poetsen en zich op te doffen. De raaf wist dat hij met zijn schrale verentooi geen kans maakte. Dus wachtte hij tot de anderen klaar waren en raapte hij toen de mooiste veren op die zij hadden achtergelaten. Daarmee tooide hij zichzelf tot de prachtigste vogel van het rijk. En zie, Zeus wilde hem inderdaad tot koning kronen. Toen kwamen de andere vogels in opstand. Zij pikten de raaf de gestolen veren uit. Uiteindelijk was hij weer even saai als voorheen.’

De vraag – die toch elke lezer zich mag stellen – is: waar komt deze tekst vandaan? In mijn boekenkast staan – het is een schande, ik weet het – geen uitgaven met fabels van Aesopus (of Aisopos, Esopus, Ezopus, Aesop, Äsop, Ésope) of bewerkingen door anderen etc., ik moet het dus met wat gegoogel doen, en dat – het zal het aan mij liggen – levert niet veel op. Tekstueel erg dicht in de buurt komt een Engelse versie met de titel ‘The Vain Jackdaw’ (en varianten daarop). De raaf is een kauw geworden en Zeus Jupiter, maar dat mag de pret niet drukken. Ik geef hier de bron van die tekst: https://www.infoplease.com/primary-sources/fables-fairytales/aesops-fables/aesops-fables-266#:~:text=Jupiter%20announced%20that%20he%20intended,all%20to%20be%20their%20ruler. U zult zien, dat de betreffende Engelse tekst geen bron vermeldt.

donderdag 11 maart 2021

Majoranaise

Interessant artikel in NRC Handelsblad van gisteren. Het gaat over het onderzoek naar majoranadeeltjes. Ik wist niet dat ze bestonden, maar dat heb ik – soort van – gemeen met de onderzoekers. Die zijn namelijk op zoek naar die tot nu toe niet gevonden deeltjes, en beweerden in een artikel in Nature dat ze het bestaan ervan hadden aangetoond. Maar dat bleek niet zo, het artikel werd teruggetrokken en er kwam een integriteitsklacht wegens fraude.
De onderzoekers hadden, zo meldt het rapport dat een onafhankelijke commissie van ‘vier hoogleraren van buitenlandse universiteiten’ naar aanleiding van de klacht heeft opgesteld, een ‘kalibratiefout’ hadden gemaakt. Doen we allemaal wel eens. Maar er was volgens de commissie meer aan de hand: de onderzoekers selecteerden metingen ‘waarin gedrag te zien is dat lijkt op wat je verwacht voor majorana’s. Tegelijkertijd lieten ze metingen weg die twijfel hierover zouden kunnen opwekken. Er waren namelijk veel meer metingen die dit gedrag niet lieten zien, dan metingen die het wél lieten zien. De auteurs hadden moeten vermelden dat ze deze metingen weglieten. Verder is er bij een aantal metingen dat wel gepresenteerd werd, een deel van de data weggelaten – weer zonder dit te melden. Hierdoor zagen de metingen er mooier en stabieler uit dan ze in werkelijkheid waren.’ De experts concluderen dat de Delftse onderzoekers ‘met de metingen die beschikbaar waren tot dezelfde conclusie had kunnen komen’.
Een vernietigend oordeel, zou je denken, over een klassiek geval van wetenschapsfraude. Maar nee: ‘Volgens de experts,’ schrijft NRC Handelsblad, ‘was er geen bewijs dat de onderzoekers opzettelijk de metingen hadden geselecteerd om twijfel over hun succesverhaal weg te nemen. Door hun enthousiasme waren ze blind “voor de metingen die niet pasten bij het doel dat ze nastreefden”.
Het is een verheugende mededeling voor iedereen die nu met zijn proefschrift of met een wetenschappelijk artikel bezig is. Blijf niet zwoegen, laat die puntjes op de i zitten, schrijf maar wat op, beweer onzin, belazer de boel – als je maar enthousiast bent, dan komt het allemaal in orde. Als iemand begint te miepen, verwijs je gewoon naar de Delftse majoranadeeltjes.

vrijdag 26 februari 2021

 

WVTTK

Mijn kleindochter is nog geen vijf maanden oud, maar zodra ze er klaar voor is, ga ik haar allerlei nuttige dingen leren. Zoals het maken van een goed afkortingenregister voor een boek met veel afkortingen. Ik ga haar dan uitleggen dat een boek met veel afkortingen zo’n register goed kan gebruiken, omdat je zo’n voorkomende afkorting wel eens kunt vergeten en dan snel achterin het boek kunt opzoeken wat ze ook weer betekende. Zoals, bijvoorbeeld, ik noem maar wat, KVP. Ik zou haar dan uitleggen dat dat ooit een politieke partij was die lang geleden, veertig jaar vóór haar geboorte, fuseerde met andere partijen, waarna er een andere afkorting ontstond.

Wanneer je zo’n afkorting, zou ik mijn kleindochter uitleggen, in een boek tegenkomt en vergeten bent wat ze ook weer betekende (of wanneer de schrijver van het boek is vergeten je dat uit te leggen), dan is het handig als je snel kunt opzoeken hoe het ook weer zat. En daarvoor is zo’n register. Dat bevat een alfabetische lijst van voorkomende afkortingen en daarachter de oplossing van de afkorting. In het geval van KVP is dat: Katholieke Volkspartij. Na een paar andere voorbeelden snapt mijn kleindochter dat wel, want zo moeilijk is dat niet.

Het zal haar dan ook zeer verbazen als ik vertel dat niet iedereen het principe van het afkortingenregister snapt. Dat er ook schrijvers van boeken zijn die denken dat de lezer van hun boek tijdens het lezen denkt: ‘Hier zie ik staan: Katholieke Volkspartij. Wat was daarvan de afkorting ook alweer?’ En dan maken ze een ‘Register van afkortingen’ dat er zo uitziet:

Mijn kleindochter zal het hoofdschuddend bekijken, want het sceptische schudden met het hoofd heb ik haar al eerder geleerd. Ik zou haar dan nog lastig kunnen vallen met opmerkingen over de juiste spelling van een en ander: AJC bijvoorbeeld is de afkorting van Arbeiders Jeugd Centrale, met varianten in verbindingsstreepjes, maar het is nooit één woord. Komintern is natuurlijk niet de afkorting van ‘Internationaal samenwerkingsverband van communistische partijen’ en de NSDAP was toch echt een Duitse partij. En wat die Duitse geschiedenis betreft: de SS, afkorting van Schutzstaffel, was geen onderdeel van het Duitse leger, ook niet ‘in WO II’. Even ergens opzoeken wat die afkorting ook weer betekent.

zondag 6 december 2020

 

Vliegende Hollander (8): Eén grote ramp

De luchtvaartpionier in mijn schoonfamilie, Co van Tijen (1897-1958), dat wil zeggen: zijn personage in de serie Vliegende Hollanders, is nu in drie afleveringen in beeld geweest, en in totaal heeft die arme Eelco Smits, de acteur die Oom Co uitbeeldt, een zin of acht gezegd. Het zou natuurlijk kunnen dat aflevering 8, de laatste, nog een heldenrol in petto heeft voor Oom Co. Omdat de serie intussen met de historische werkelijkheid nauwelijks nog iets te maken heeft, waag ik me niet aan voorspellingen. Ik zie bij de informatie over deze aflevering 8 op IMDB.com dat Hermann Göring weer meedoet, en dat hij dan wordt gespeeld door een Duitse acteur, zodat hij waarschijnlijk niet Duits praat met een Nederlands accent, zoals de jongere Göring uit aflevering 1.

Wat zou Eelco Smits hebben gedaan om zich op zijn acht zinnen in de rol van Oom Co voor te bereiden? Ik geloof niet dat hij bij familieleden langs is geweest. Er zijn nog een paar achternichten die iets zouden kunnen vertellen, maar die desondanks niet veel kunnen vertellen, want Oom Co was een tamelijk gesloten boek. Zijn luchtvaart- en andere beroepsactiviteiten zijn wat de uiterlijke feitelijkheden betreft wel te volgen, maar er heeft, volgens mij, nog nooit iemand een goede duik in de archieven genomen om zijn leven goed in kaart te brengen. Mijn schoonvader, getrouwd met een nichtje van Oom Co, vertelde ooit de anekdote dat de Fokker-directeur graag door zijn fabriek liep en deze en gene aansprak om te vragen wat precies zijn taak was; en als die persoon die vraag niet goed kon beantwoorden, kon hij vertrekken. Dat beeld van een strenge werkgever krijgen we in elk geval niet als we het timide mannetje met zijn acht zinnen uit de serie zien.

Aflevering 7 van Vliegende Hollanders was getiteld ‘De rampweek’, want gewijd aan de – historisch echt gebeurde – drie ongelukken met KLM-toestellen tussen 14 en 20 juli 1935. Maar de makers van Vliegende Hollanders vonden dat niet erg genoeg: ze verzonnen er een ramp bij. En niet zomaar een: zoon Jan van Albert Plesman stortte zogenaamd neer en kwam om. Reden voor Plesman om korte tijd later met zijn secretaresse – die nog NSB-lid is ook – te gaan rampetampen. Dat is nogal wrang, dat verzinsel van die dood van Jan, want in werkelijkheid werd hij in 1944 als RAF-piloot boven Frankrijk door de Duitsers neergehaald; hij werd postuum voor zijn dienst voor het vaderland onderscheiden. En dan laten ze in de serie Jan ook nog eens grote moeite hebben met die NSB-juf van zijn vader. Laten die makers van Vliegende Hollanders maar eens uitleggen wat ze hiermee bedoelen.

Het is vreemd dat de makers van de Vliegende Hollanders denken dat de wederwaardigheden van Fokker en Plesman niet spannend genoeg zijn om drama mee te maken. In eerdere aflevering antedateerden ze al een vliegramp om de zelfmoord van Fokkers vrouw Violet aan te kleden – nergens voor nodig. En nu een verzonnen ramp en een Hijgende Hollander. Ik kijk reikhalzend uit naar vanavond: zouden onze twee nationale helden dan eindelijk vriendschap sluiten en samen verhinderen dat de Tweede Wereldoorlog uitbreekt? Fokker blijkt namelijk niet echt in 1939 te zijn overleden. En wist u dat de twee heren later samen de Efteling hebben opgericht? Fokker heeft het Vliegend Tapijt ontworpen.



zondag 22 november 2020

 

Vliegende Hollander (7): Waar of niet waar

De luchtvaartpionier in mijn schoonfamilie, Co van Tijen (1897-1958), maakte afgelopen zondag 15 november 2020 zijn opwachting in aflevering 5 van de televisieserie Vliegende Hollanders. Tenminste: voor degenen die braaf elke zondagavond voor de tv gaan zitten kijken; de vooruitkijkers hadden hem allang gezien – ook goed. Oom Co was maar een paar keer even in beeld. Zo werd hij aan iemand voorgesteld met naam en functie en ook rolde hij al vechtend met de Fokker-ingenieur Reinhold Platz over de werkvloer. Qua uiterlijk zit het wel goed: Co van Tijen was een niet al te grote man met gepommadeerd haar, en zo hebben ze acteur Eelco Smits ook uitgedost.

Het probleem met deze vechtscène: in werkelijkheid heeft ze nooit plaatsgevonden. Platz werd per 1 april 1931 ontslagen, van Tijen ging in het najaar van 1934 als adjunct-directeur bij Fokker aan de slag. Deze beide feiten lees ik in Marc Dierikx’ biografie Anthony Fokker. Een vervlogen leven (2014), en dan kan ik met een gerust hart aannemen dat dat klopt. Het is duidelijk wat de makers van de Vliegende Hollanders beogen: compact vertellen wat er in werkelijkheid ook aan de hand was: de Fokker-vliegtuigen, onder andere ontworpen door Spatz, liepen technisch achter op de concurrentie, en dat moest veranderen; Van Tijen werd aangetrokken om de Fokker-fabriek te moderniseren.

Uit De Groene Amsterdammer van 30 oktober 1937

Ik heb niets tegen dat soort ingrepen in de feiten, als ze een hoger doel dienen. Met veel plezier kijk ik naar The Crown, waar dat aan de lopende band gebeurt. Maar daar, heb ik de indruk, wordt er toch behoedzamer en verstandiger een verhaal geconstrueerd dat zowel verzonnen als ook echt gebeurd is. En dan in een historische aankleding die weergaloos is; de manier waarop in aflevering 2 van The Crown wordt ingezoemd op de belknop waarmee Elizabeth II aan haar lakeien duidelijk maakt dat de verse premier Thatcher de koninklijke vertrekken mag betreden wil ons vertellen: kijk, wij weten hoe die bel er uitziet, en als we het niet weten, geloven jullie het toch.

In de Vliegende Hollanders zitten wel meer historische feiten die wat ruw met elkaar in verband worden gebracht. In aflevering 4 pleegt Fokkers vrouw Violet Austman zelfmoord door in New York uit het raam te springen. Ze is dan net van een verblijf in een sanatorium op het platteland teruggekeerd. Daar zat ze wegens ‘nerveuze spanningen’, veroorzaakt door de algemene verwaarlozing door Fokker. De directe aanleiding volgens de Vliegende Hollanders is dat Fokker wil slapen in plaats van praten omdat net iets ergs is gebeurd: een van zijn vliegtuigen is net in Kansas neergestort met een beroemde football-coach als een van de dodelijke slachtoffers – en dat is slecht voor de naam van het bedrijf. Maar: die crash met Knute Rockne aan boord vond plaats op 31 maart 1931, en Violet was op 8 februari 1929 gesprongen. Ik vind het maar niks, dat klonteren op die manier.

Dit en andere gevallen komen vast nog wel eens terecht in een van mijn favoriete onderdelen van filmwebsite IMDB: de ‘goofs’. Daar zijn de feitencheckers aan het werk, die in de gaten houden of de petten van politieagenten in een film die zich in 1947 in Missouri afspeelt ook echt in 1947 in Missouri bij het politie-uniform hoorden. Dit verzin ik nu, maar sinds een paar dagen, kort na de première van The Queen’s Gambit, staan bij de goofs daar prachtige opmerkingen als deze: ‘Much of the music played on the piano by the stepmother is by French composer Erik Satie. Although Satie had died in the 1920s, his music went into obscurity until it was rediscovered in the mid-1960s. It is highly unlikely that the character would have been able to find his music in a Kentucky music store in the 1950s.’ En uiteraard kijken er ook mensen kritisch naar het schaken: ‘Algebraic chess notation (i.e. a1-h8), which appears frequently throughout the series, was extremely rare in the 1960s. It did not become the official chess nomenclature until 20 years later. At the time, descriptive notation (e.g. P-K4, N-KB3) was by far the predominant notation.

Filmmakers moeten er altijd voor zorgen dat er geen goofs in hun film zitten, want er zijn altijd mensen als ik.