Jan Gielkens
dinsdag 20 oktober 2026
zaterdag 26 september 2026
Het is goed dat er ook een boekenwereld bestaat buiten de hypes en ballen van de papieren en digitale recensiepagina’s, want anders zou een boek als Fontane Feuilletons van Lo van Driel nooit op deze manier zijn verschenen: als ‘gewoon’, traditioneel gemaakt en zorgvuldig vormgegeven en ingericht boek – Uitgeverij Fragment in Leiden gaf het uit.
Voor een Nederlandstalig publiek is aandacht voor Nederlandstalige publicaties van en over Theodor Fontane vanzelfsprekend onmisbaar. Voor mij nieuw waren de publicaties van twee vrouwen: Martha Leopold (1912) en Geertruida Carelsen (in haar memoires in 2 delen uit 1928 en 1933). Van Driel wijdt twee van de 22 hoofdstukjes aan Fontane en Nederland: ‘In vertaling’ en ‘In Nederland’. De eerste vertaling van een boek van Fontane in het Nederlands verscheen in 1912, het was Het huwelijk van Eefke Briëst, de vertaling door J.P. Wesselink-v. Rossum van de roman Effi Briest uit 1896, uitgever Meulenhoff. Deze vertaling beleefde enkele drukken en werd in 1918 gevolgd door Dwalen… falen. De geschiedenis van een jeugdliefde, de vertaling van Irrungen, Wirrungen uit 1888 door J. Clant van der Mijll-Piepers (ook bij Meulenhoff), en De familie Poggenpohl in 1922, de vertaling door Jo de Wit van Die Poggenpuhls. En toen was het even afgelopen.
Van Driel wijst ook nog op een blijkbaar al in 1914 verschenen nieuwe vertaling van Effi Briest door Wilhelmine van Westrheene. Die is wel te vinden (in de Koninklijke Bibliotheek) maar slechts zeer onvolledig gedocumenteerd. Dat geldt eigenlijk ook voor de geschiedenis van de vertaling van Wesselink-v. Rossum, want zowel Van Driel als de KB kennen alleen een vierde druk met de oplage-aanduiding ‘13e-20e duizend’, al dateert Van Driel hem op 1922 en de KB op 1918 (net als ik, want ik heb een exemplaar voor me). Met datzelfde exemplaar, en bovendien met een eerste, ongedateerde druk van deze vertaling, kan ik ook constateren dat Effi Briest, tot en met haar naam op de grafsteen op het eind van het boek, ‘Eefke Briëst’ heet, en niet alleen op de titelpagina, zoals Van Driel op p. 51 stelt.
Fontane Feuilletons van Lo van Driel is het persoonlijke verslag van een fascinatie, en daarom zijn een paar zaken die ik mis de auteur niet kwalijk te nemen. Ze zijn geheel voor mijn rekening. Bijvoorbeeld de verfilming van Effi Briest door Rainer Werner Fassbinder uit 1974, die tijdens mijn studie uitkwam en die een prachtige aanvulling was op de lectuur van de roman in mijn eerste literatuurcollege in 1972 door onze onvolprezen docent en Fontane-kenner Peter Wessels. Een paar jaar later was de kennis van roman en film weer de basis voor een van de weinige colleges die ik zelf aan eerstejaars studenten gaf.
Maar dat zijn mijn persoonlijke overwegingen. Die van Lo van Driel en zijn kennis van het onderwerp maken Fontane Feuilletons tot een informatief en lezenswaardig boek.
zaterdag 15 augustus 2026
Na Gerard Reve heeft Willem Frederik Hermans samen met Hanny Michaelis en Johan Polak de meeste hits in het personenregister van het postuum verschenen boek Ratatouille. Literaire en academische anekdotes, verhaaltjes, vragen en opmerkingen, roddels en curiositeiten van allerlei aard. Een boek vol wetenswaardigheden van Nop Maas. Een van die vermeldingen van Hermans gaat over een sukkel, althans in de ogen van Maas, een recensent namelijk die in 1966 Nooit meer slapen niet als meesterwerk herkende. Maas geeft wat kritische citaten uit de bespreking en vindt vooral de kop leuk: ‘“Nooit meer slapen” niet om wakker van te liggen’.
In grote lijnen kende ik het levensverhaal van Anton Deering, want ik ben een keer bij hem op bezoek geweest in zijn flat in Tilburg, volgens mij ergens in 1987, toen ik nog voorzichtig en zonder veel ervaring en in mijn vrije tijd met boeken begon te handelen. Op voorspraak van een familielid mocht ik bij Deering op bezoek om te kijken of ik wellicht belangstelling had voor zijn bibliotheek. Die boekerij was omvangrijk, met meters Nederlandse literatuur in eerste drukken, vaak met opdrachten en met correspondentie als bijlagen. Maar het bedrag dat Anton Deering in gedachten lag ver boven mijn mogelijkheden en daarom verwees ik een mij bekende antiquaar naar hem door, met de belofte van een ‘aanbrengpremie’. Ik meen te weten dat die aankoop wel doorging, maar bericht daarover en de premie heb ik nooit ontvangen. De boeken kwamen in elk geval in het antiquarische circuit terecht en op die manier belandde ook een exemplaar uit de bibliotheek-Deering bij mij. In de collectie van een bekende en beruchte, toen al lang voormalige Utrechtse antiekhandelaar vond ik het boekje Het onvolkomen huwelijk uit 1939 van Deerings ideologische geestverwant Henri Bruning (1900-1983) met een persoonlijke opdracht uit begin 1940, toen de beide heren nog vol goede moed naar de toekomst keken. De Utrechtse antiekhandelaar, een nostalgisch naar het verleden terugkijkende sympathisant van Deering, Bruning, Mussert en erger, plakte zijn lelijke stickertje net even over het randje van het exlibris van Deering.
vrijdag 14 augustus 2026
Het vermakelijke postume boek Ratatouille. Literaire en academische anekdotes,verhaaltjes, vragen en opmerkingen, roddels en curiositeiten van allerlei aard.Een boek vol wetenswaardigheden van Nop Maas is vermakelijk daar waar ik het vermakelijk vind. Er staan ook stukken in die niet in mijn schoolkrant hadden gemogen, er staan teksten in die ik matig interessant vind en er staan vermakelijke stukken in. Maar Nop Maas vond dat we het allemaal mogen lezen na zijn dood, en daarom doe ik dat met plezier.
maandag 6 april 2026
Ik kwam een Practische Handleiding voor het gebruik van de Engelsche Taal in de haven tegen. Het is een boekje van ruim 120 pagina’s uit 1939, bevattende, aldus de ondertitel, ‘de meest voorkomende vragen en gesprekken aan boord van schepen en voorzien van duidelijke uitspraak’. Droogstoppel vraagt zich even af of dat betekent dat het alleen gaat om Engels dat aan boord van schepen wordt gebezigd die in havens liggen maar kijkt dan toch wie het boekje geschreven heeft: het is A. Wessels, ‘Gediplomeerd leraar – Engelsche-vertaler’ uit – niet onlogisch – Rotterdam. Dat is ook de stad waar de uitgeverij, Nijgh & Van Ditmar, nog gevestigd was toen ze het boekje publiceerde. Over A. Wessels heb ik in de gauwigheid geen verdere gegevens kunnen vinden.
Ik vermoed overigens, maar dit geheel terzijde, dat Mark Rutte uit dit soort boekjes zijn Engelse uitspraak heeft geleerd.
woensdag 4 maart 2026
Vijftig jaar geleden waren we druk
bezig in het pand Biltstraat 401 in Utrecht. Daar was in 1976 het Instituut
Frantzen voor Duitse Taal- en Letterkunde gevestigd, en vier studenten,
allemaal met hun studie begonnen in het begin van het decennium, waren behalve
met studeren ook bezig met een mooie klus: het samenstellen van een
bloemlezing met actuele Duitstalige literatuur. We hadden al een paar jaar een
instituutstijdschrift, na wat avontuurlijke en grappig bedoelde titelwijzigingen
Journal geheten, dat in de geest van de tijd opstandig was maar ook de Duitse
culturele ontwikkelingen goed bijhield.
In de loop van 1975 moet het idee zijn ontstaan – zullen we het maar toeschrijven aan onze docent Gregor Laschen (1942-2018)? – om een bloemlezing te gaan maken, maar niet een die putte uit al gepubliceerde teksten. We schreven tientallen schrijvers in alle Duitstalige landen aan met het verzoek ons ongepubliceerde teksten te sturen – het goed gevulde adresboek van Gregor kwam daarbij zeer van pas. We kregen bijna altijd antwoord en bijna altijd zat er een typoscript in de envelop. Een van de weinige mensen die antwoordden maar niets in voorraad zeiden te hebben was Elias Canetti. Ik zou zijn piepkleine briefje hier graag reproduceren, maar ik heb het niet meer in huis. Het archief van onze onderneming is lang geleden aan het Deutsche Literaturarchiv in Marbach geschonken.
Uiteindelijk waren er ruim 70 schrijvers en enkele beeldend kunstenaars vertegenwoordigd in het kloeke boek van 265 pagina’s dat in mei 1976 onder de titel Ein Stück Brachland, eine Schrift herum. Hedendaagse Duitstalige literatuur, gebundeld verscheen in het formaat A4. De illustratie voorop is van Hannelore Teutsch (*1942), in die tijd de partner van de dichter en vertaler Erich Arendt (1903-1984). We maakten 500 exemplaren en nummerden ze zelfs. Het Duitse gedeelte van de titel is een citaat uit een gedicht van Rolf Dieter Brinkmann, niet in de bloemlezing vertegenwoordigd, omdat hij een jaar eerder in Londen bij het oversteken de verkeerde kant op keek en dodelijk verongelukte.
Het maken van zo’n boek ging vijftig jaar geleden net even anders dan nu. De basis van het geheel waren namelijk stencils. Zo maakten we ons instituutstijdschrift ook, we hadden dus ervaring met het bedienen van de intussen uit de herinnering verdwenen stencilmachine. In de eerste plaats moesten alle bijdragen worden overgetikt op stencilvellen. Ik wil er nu helemaal niet over nadenken wat daar allemaal kan zijn misgegaan, maar echte klachten over geruïneerde teksten kan ik me niet herinneren. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat we van al die 265 pagina’s 500 afdrukken maakten, maar er staat toch echt: ‘in eigen beheer’, en er wordt geen drukker genoemd. Alleen het lijmen van de rug zal ergens anders gebeurd zijn.
We verspreidden het boek onder onze collega-studenten en onder de andere vakgroepen Duits in Nederland, bovendien kregen we een aantal signalementen in landelijke dagbladen, waardoor we ook van particulieren behoorlijk wat bestellingen kregen, zodanig dat de oplage binnen de kortste keren was uitverkocht. De redactie, op een vage foto achterin het boek te zien, kon trots zijn: van links naar rechts waren dat Ton Naaijkens, Joan Kooyman, Gregor Laschen, ondergetekende en Wilfried Hövener. We hadden een eigen ruimte tot onze beschikking, en als we buiten kantooruren kwamen zelfs een heel gebouw. In mijn herinnering was de deur van Biltstraat 401 altijd open, niemand sloot zijn kamer af, we konden zonder enige beperking telefoneren en we hadden bovendien toegang tot de grote drankvoorraad van een van de hoogleraren, die zijn flessen bewaarde waar anderen hun archief opborgen.
Het volgende studiejaar begonnen we
aan een tweede druk. Er werden nog meer mensen aangeschreven, sommigen waren we
ondertussen bij lezingen of elders tegengekomen, weer anderen, meen ik me te
herinneren, meldden zichzelf, maar wij waren niet kieskeurig. De tweede druk,
die in mei 1977 verscheen, bevatte bijdragen van bijna 95 schrijvers en
beeldend kunstenaars. Nieuw waren bijvoorbeeld Wolf Biermann, Peter Rühmkorf en
Günter Wallraff, Er waren ook schrijvers die meer of andere teksten stuurden.
We, en dan in het bijzonder Gregor Laschen, waren ook niet vies van een
mystificatie. Er zijn in druk 2 gedichten opgenomen van ene ‘Bastian Poolman’,
die volgens zijn biografie achterin het boek in 1975 in de Himalaya spoorloos was
verdwenen. In feite zijn de gedichten van een nog steeds levende studievriend
van Gregor.
De productie van deel 2, 358
pagina’s dik, was overigens al iets minder handmatig. We maakten wel nog
stencils, maar die werden offset gedrukt en gebonden bij de Stichting Pressa
Trajectina, een intussen verdwenen studentendrukkerij annex -uitgeverij. Opnieuw
was de oplage 500, en weer raakten we ze gemakkelijk kwijt. We kregen onder
andere financiële steun van het Goethe Institut via een advertentie in het
boek, en we verkochten de exemplaren zo dat we op het eind een aardig bedrag
overhielden. Dat we nooit hebben afgedragen.
Een van de bijzondere aspecten van
onze bloemlezing was de aanwezigheid van schrijvers uit de DDR. In die tijd was
het niet vanzelfsprekend dat schrijvers uit de DDR vrijelijk in het westen
konden publiceren. Er waren licentieovereenkomsten, waardoor boeken zowel in oost
als in west verschenen, maar er waren ook schrijvers die buiten zo’n licentie om
en zonder toestemming in het westen werden gepubliceerd. Voor onze bloemlezing
vroeg, denk ik, niemand toestemming. Ik kan me niet meer herinneren hoe we de
bewijsexemplaren over de grens kregen. Stuurden we ze gewoon? Of gaven we ze
mee via de diplomatieke route, want dat kon ook: de Bondsrepublikeinse vertegenwoordiger
in Oost-Berlijn bijvoorbeeld woonde in de jaren zeventig in West-Berlijn en hij
en zijn echtgenote reden ongecontroleerd heen en weer met de betere
levensmiddelen, weet ik uit betrouwbare bron, want ik heb daar wel eens van
meegegeten en -gedronken bij wederzijdse vrienden. Ze namen ongetwijfeld ook
boeken mee.
Een paar bewijsexemplaren van de
eerste druk konden we in juni 1976 persoonlijk overhandigen aan enkele Duitse
deelnemers van Poetry International. Nicolas Born (1937-1979) was er uit West-Duitsland,
van wie Ton Naaijkens en ik na zijn dood nog een roman en een novelle zouden
vertalen, maar ook Reiner Kunze (*1933) en Sarah Kirsch (1935-2013). Ook van
Kirsch zouden Ton en ik werk vertalen. Van deze drie auteurs staan
handtekeningen in mijn exemplaar van Brachland, die van Kunze met een
opdracht expliciet in Rotterdam gesitueerd. Een half jaar na Poetry zouden zowel
Kunze als Kirsch bezwaar maken tegen de uitburgering van de schrijver en zanger
Wolf Biermann, die in november 1976 toestemming kreeg om concerten in
West-Duitsland te geven maar vervolgens niet mee terug mocht naar de DDR. Kirsch
emigreerde in 1977 naar de Bondsrepubliek.
Zelf nam ik in de zomer van 1977 een paar exemplaren mee over de grens. Bij de S-Bahn-overgang Friedrichstrasse in Berlijn werd ik, naar verwachting, apart genomen, ik moest mee naar een hokje om te worden ondervraagd over de cadeautjes die ik bij me had – Nederlandse koffie, een paar pakken mooi helder schrijfpapier, een paar Brachlanden en nog het een en ander. De koffie werd door een röntgenapparaat gehaald, het papier was geen probleem en de exemplaren van Brachland uiteindelijk ook niet. Ik beantwoordde netjes alle vragen en de dienstdoende geuniformeerde bladerde er een aantal keren doorheen om te zien of er zaken in stonden die het DDR-oog niet kon verdragen, maar blijkbaar sloeg hij de pagina’s met Biermann, Kunze, Kirsch en anderen over.
Een mooi eerbetoon aan onze onderneming was in het jaar van de tweede druk het verschijnen van Nieuwe Gronden. Hedendaagse nederlandstalige literatuur, gebundeld. Drie Berlijnse studenten Nederlands, Rolf Brockschmidt, Ute Grauerholz en Marlene Müller (ze hadden alle drie een deel van hun studie in Utrecht doorgebracht), deden wat wij met Duitstalige schrijvers hadden gedaan en maakten er een boek van dat mooi bij onze twee drukken paste.
zaterdag 20 december 2025
Moedwil en onverstand [2011]
Op 17 juni 2011 werden in de
Koninklijke Bibliotheek in Den Haag twee boeken gepresenteerd: deel 14 van de Volledige
Werken van Willem Frederik Hermans, bezorgd door het Huygens ING, en Een
onmiskenbare verwantschap, de briefwisseling tussen Hermans en F. Bordewijk,
bezorgd door Marsha Keja (Letterkundig Museum) en Arno Kuipers (Koninklijke
Bibliotheek). Beide boeken zijn uitgaven van De Bezige Bij. Kopen!
Een van de sprekers van de middag
was de schrijver Christiaan Weijts, die ook, om onduidelijke redenen, de
inleiding bij de correspondentie Bordewijk/Hermans mocht schrijven. In zijn
praatje gaf hij niet echt blijk van inzicht in en respect voor maken van dit
soort boeken. Hij citeerde een willekeurige, zeer nauwkeurig een bron
beschrijvende zin uit een van de apparaten van de Volledige Werken en
wist daarmee een paar mensen in de zaal aan het lachen te krijgen. Verder
toonde hij niet veel begrip voor het bewaren van manuscripten en dergelijke,
hoewel hij van de andere kant ook wel gepikeerd was bij het idee dat het
Letterkundig Museum misschien wel een digitaal bestand van een van zijn romans
niet had geaccepteerd toen de uitgeverij dat aan het LM aanbood.
Weijts’ standpunt is dit: er is een
gedrukt boek, en dat is het. Andere getuigen van een schrijfproces zijn daarom
onbelangrijk, en het bestuderen daarvan is onzin, op zijn hoogst nuttig voor
middeleeuwse teksten: ‘Al die manuscripten, drukproeven, kladjes en droedels
willen redden van de vernietiging is even absurd als het omkiepen van een
vuilnisbak van een schilder, om er penselen en de leeg geknepen tubes verf uit
te vissen. Het is maar gereedschap, zou je zeggen, en restafval.’ Weijts zegt
ook: ‘Dikke tekstedities samenstellen […] gebeurt al lang niet meer, althans
niet bij eigentijdse auteurs.’ Hij zegt dat dus bij de presentatie van een deel
van een dikke teksteditie van een eigentijdse auteur, een editie die aantoont
dat het zeer interessant en vruchtbaar is schrijfprocessen en het uiteindelijke
resultaat ervan wetenschappelijk te documenteren. Is het niet willen inzien of
op zijn minst respecteren daarvan moedwil of onverstand?
Die scepsis over het bewaren van
spullen hadden we overigens al eerder, maar iets genuanceerder, te horen
gekregen op een openbare manifestatie van het – toen nog – Constantijn Huygens
Instituut. Tijdens haar praatje bij het tienjarig jubileum in 2002 zei Nelleke
Noordervliet: ‘Ik bewaar […] helemaal niets van mezelf. Geen interview, geen
recensie, ik heb geen plakboek, geen rijtje videobanden. Ik heb
hoogstwaarschijnlijk niet eens een compleet overzicht van alles wat ik de
afgelopen jaren heb gepubliceerd en geschreven. Ik heb een la waarin ik
correspondentie mik. Is die la vol, doe ik de inhoud in een doos. Is die doos
vol, koop ik een nieuwe doos. Maar of ik die dozen naar het Letterkundig Museum
doe als ik tachtig ben: ik denk het niet. Ik denk dat ik tijdig de fik erin zal
steken. Niet omdat ik de lateren de pas naar mij wil afsnijden maar omdat ik
het van een onverdraaglijke ijdelheid en zelfgenoegzaamheid vind getuigen
jezelf aan dat nageslacht op te dringen. Het is niet belangrijk. Het doet er
niet toe. Als iemand nog de moeite wil nemen mijn boeken te lezen en daar een
geleerde studie aan te wijden dan is hij welkom, maar niet postuum in mijn
privé-leven rommelen. Dat nooit.’
Het lijkt wel alsof sommige
schrijvers spontaan peentjes gaan zweten wanneer ze geconfronteerd worden met
de mogelijkheid dat iemand later in hun spullen gaat neuzen. Dat in de fik
steken van Noordervliet is trouwens interessant, want precies datzelfde suggereerde
Weijts. Hij beriep zich daarbij op Vladimir Nabokov, die volgens Weijts ook
niet van bewaren was en die de systeemkaarten waarop Lolita was
geschreven in zijn tuin in brand stak. Ik denk dat Weijts het een en ander door
elkaar haalde. Nabokov was wel degelijk van bewaren: in 1959 schonk hij een
groot deel van zijn archief (7000 items, bijna 2,6 strekkende meter) aan de
Library of Congress in Washington D,C., met de bepaling dat het vanaf vijftig
jaar daarna voor iedereen toegankelijk zou zijn. En dat is zo, want een paar
maanden geleden heb ik dat archief daar geraadpleegd. Ook de New York Public
Library heeft een Nabokov-collectie, en bij zoon Dmitri Nabokov is nog het een
en ander – dat hij, zoals The Original of Laura, tegen de wens van zijn
vader in publiceert, en wel op een nogal harteloze manier. Daarover een andere
keer.
Het beeld van een systeemkaarten
verbrandende auteur zal Weijts hebben uit Nabokovs Pale Fire, in het
Nederlands Bleek vuur, een roman in de vorm van een editie: het is een
999 regels lang episch gedicht dat wordt begeleid door een nawoord en
annotaties. In het nawoord beschrijft de editeur uit de roman, Charles Kinbote,
hoe zijn voormalige buurman John Shade, de schrijver van het gedicht dat hij
bezorgt, systeemkaarten verbrandt. In de vertaling van Peter Verstegen: ‘Shade
had de gewoonte zijn kladjes te vernietigen zodra hij ze niet meer nodig had:
ik weet nog goed dat ik hem vanaf mijn veranda op een stralende morgen een keer
een hele stapel kaarten zag verbranden in het bleke vuur van de vuilnisoven’.
Maar dat is dus fictie.
Weijts publiceerde zijn
presentatiepraatje als column in De Groene Amsterdammer, maar met
weglating van de passages over Nabokov en ook zonder welke verwijzing naar
Bordewijk en Hermans dan ook. Maar hoe zit dat dan intussen met dat praatje dat
hij in de aula van de Koninklijke Bibliotheek hield? Is dat nu, zie boven,
restafval geworden? Heeft Weijts dus restafval aan ons voorgelezen?
Eerder, op 17 juni 2011, gepubliceerd op de intussen morsdode maar nog steeds online te vinden textualscholerschip.nl van wat toen nog Huygens ING heette en nu Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis en Cultuur. Het Letterkundig Museum heet nu Literatuurmuseum, Christiaan Weijts heet nog steeds Christiaan Weijts. De Volledige Werken van Willem Frederik Hermans zijn intussen volledig verschenen, 24 delen breed.




.jpg)