zaterdag 15 augustus 2026

ENE

Na Gerard Reve heeft Willem Frederik Hermans samen met Hanny Michaelis en Johan Polak de meeste hits in het personenregister van het postuum verschenen boek Ratatouille. Literaire en academische anekdotes, verhaaltjes, vragen en opmerkingen, roddels en curiositeiten van allerlei aard. Een boek vol wetenswaardigheden van Nop Maas. Een van die vermeldingen van Hermans gaat over een sukkel, althans in de ogen van Maas, een recensent namelijk die in 1966 Nooit meer slapen niet als meesterwerk herkende. Maas geeft wat kritische citaten uit de bespreking en vindt vooral de kop leuk: ‘“Nooit meer slapen” niet om wakker van te liggen’.
Je kunt zo’n kop grappig vinden, maar uitsluitend negatief was de recensie in het Algemeen Dagblad niet, zoals te lezen valt in het nawoord bij deel 3 van de Volledige Werken van Hermans – elders in zijn boek noemt Maas de uitvoerige nawoorden, in feite overzichten over de ontstaans- en publicatiegeschiedenissen van de opgenomen titels en vaak honderd of meer pagina
s lang, een ‘opstel’. Maas noemt de recensent niet expliciet een sufferd, hij heeft het over ‘ene Anton Deering’. Dat ‘ene’ betekent vaak, en in dit geval vermoedelijk ook: ik heb geen zin om verder te zoeken. Met een beetje nieuwsgierigheid had Maas vervelendere dingen kunnen zeggen over deze criticus.

Anton Deering (1915-1995) was namelijk in zijn jonge jaren een veelbelovende letterkundige, die in de jaren dertig contact had met de belangrijke spelers in de Nederlandse literaire wereld. Maar hij vond ten onrechte dat je iets kon bereiken door je aan te sluiten bij het fascistische Zwart Front, later Nationaal Front, en tijdschriften op te richten en aan periodieken mee te werken die de fascistische  ideologie van die organisaties uitdroegen. Na het verbod van het Nationaal Front door de Duitse bezetter eind 1941 was Deering niet meer politiek actief, lees ik in een biografische schets op een website over, nota bene, scouting in oorlog en verzet. Volgens die schets was hij op het eind van de bezetting nog actief voor het Delftse illegale blad ‘Toekomst. Weekblad voor strijdend Nederland’.

Dat Nationale Front-verleden zorgde ervoor dat Deering na het einde van de bezetting met de bijzondere rechtspleging te maken kreeg, met enkele CABR-dossiers tot gevolg. Ik kan niet zo snel vinden of er sancties waren, en zo ja welke, maar op een gegeven moment ging Deering weer publiceren, maar wellicht niet op het niveau dat hij ooit voor ogen had. Hij werd toneelrecensent bij het Algemeen Dagblad (maar besprak daar dus ook wel eens niet-toneel) en bouwde als zodanig, zegt de online-Theaterencyclopedie, ‘een grote naam [op] in de theaterwereld’, hij had alleen moeite met de vernieuwingen in het toneel van de jaren 1960 en 1970, nog steeds volgens de theaterkenners. Waardevolle informatie over Deering geeft ook de Nederlandse Poëzie Encyclopedie.

In grote lijnen kende ik het levensverhaal van Anton Deering, want ik ben een keer bij hem op bezoek geweest in zijn flat in Tilburg, volgens mij ergens in 1987, toen ik nog voorzichtig en zonder veel ervaring en in mijn vrije tijd met boeken begon te handelen. Op voorspraak van een familielid mocht ik bij Deering op bezoek om te kijken of ik wellicht belangstelling had voor zijn bibliotheek. Die boekerij was omvangrijk, met meters Nederlandse literatuur in eerste drukken, vaak met opdrachten en met correspondentie als bijlagen. Maar het bedrag dat Anton Deering in gedachten lag ver boven mijn mogelijkheden en daarom verwees ik een mij bekende antiquaar naar hem door, met de belofte van een ‘aanbrengpremie’. Ik meen te weten dat die aankoop wel doorging, maar bericht daarover en de premie heb ik nooit ontvangen. De boeken kwamen in elk geval in het antiquarische circuit terecht en op die manier belandde ook een exemplaar uit de bibliotheek-Deering bij mij. In de collectie van een bekende en beruchte, toen al lang voormalige Utrechtse antiekhandelaar vond ik het boekje Het onvolkomen huwelijk uit 1939 van Deerings ideologische geestverwant Henri Bruning (1900-1983) met een persoonlijke opdracht uit begin 1940, toen de beide heren nog vol goede moed naar de toekomst keken. De Utrechtse antiekhandelaar, een nostalgisch naar het verleden terugkijkende sympathisant van Deering, Bruning, Mussert en erger, plakte zijn lelijke stickertje net even over het randje van het exlibris van Deering.
o
Ik ging overigens niet met lege handen naar huis. Uit de bibliotheek van Anton Deering mocht ik twee boeken uit het fonds van A.A.M. Stols kopen: de Halcyon Press-uitgaven van het toneelstuk Dantons Tod en de novelle Lenz van Georg Büchner. Die kwam ik tegen op een van zijn planken en we raakten erover in gesprek. Ik was toen net bezig met een inleiding bij het Verzameld werk van Büchner, dat in het voorjaar van 1988 zou verschijnen bij de International Theatre Bookshop in Amsterdam. Ik heb de Stols-uitgaven nog steeds.

vrijdag 14 augustus 2026

RATATOUILLE

Het vermakelijke postume boek Ratatouille. Literaire en academische anekdotes,verhaaltjes, vragen en opmerkingen, roddels en curiositeiten van allerlei aard.Een boek vol wetenswaardigheden van Nop Maas is vermakelijk daar waar ik het vermakelijk vind. Er staan ook stukken in die niet in mijn schoolkrant hadden gemogen, er staan teksten in die ik matig interessant vind en er staan vermakelijke stukken in. Maar Nop Maas vond dat we het allemaal mogen lezen na zijn dood, en daarom doe ik dat met plezier.
 
Zo’n korte tekst als die hieronder, inclusief de titel, vind ik nou vermakelijk. Iemand anders kan hem gemene roddel vinden, of ongepast, of wat dan ook. Natuurlijk gaf Suzanne Holtzer niet het ultieme sein voor de euthanasie van Hugo Claus, maar Nop Maas wilde vermoedelijk de al dan niet zelf ervaren frustratie verwoorden van schrijvers en andere bij het tot stand komen van boeken betrokken personen die wekenlang geen contact konden krijgen met hun redacteur omdat Claus blijkbaar wekenlang naar zijn einde moest worden begeleid met witte wijn en oesters.
Er staat nog zo’n verhaal in het boek waarover ik een beetje kan meepraten: het verslag van de presentatie van deel 1 van de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans in de Nieuwe Kerk in Amsterdam in 2005. Lees de vrij accurate beschrijving maar op de pagina’s 101-104 van het boek. Maas doet in het begin van het stuk wat mies over wat hij de ‘Verzamelde werken’ noemt, het nawoord noemt hij een ‘opstel’ en hij trekt het nut van de editie in twijfel. Bij de presentatie van een later deel liet hij mij overigens weten dat hij de nawoorden zeer waardeerde. Het verslag van de feestelijkheid daar in de Nieuwe Kerk vind ik behoorlijk herkenbaar, inclusief het oordeel over de diverse optredenden. Op het eind van het stuk vertelt Maas, ongetwijfeld omdat hij met een betrokkene daarover had gepraat, dat de vertegenwoordigers van het Literair Productiefonds niet waren genoemd door wie van de sprekers van ook, ondanks een fikse investering in het project. Maar dat niet worden genoemd hadden de mensen van het Productiefonds gemeen met de makers van de editie. Alleen onze toenmalige projectleidster mocht op de eerste rij zitten, wij op de tweede, en zij was ook de enige die bij naam werd genoemd. De rest van de makers werden gereduceerd tot ‘haar team’.
 
Ook heel deprimerend was dat de leden van dat team, inclusief de projectleidster, die avond geen exemplaar van hun boek mee naar huis kregen. Daar had Suzanne Holtzer blijkbaar geen rekening mee gehouden. Er lagen wel vele honderden exemplaren te koop voor de bezoekers van de presentatie, maar het was, zo bleek, niet mogelijk daar een paar exemplaren van weg te nemen. Wij kregen onze bewijsexemplaren een week of drie later.

maandag 6 april 2026

DEMMITS

Ik kwam een Practische Handleiding voor het gebruik van de Engelsche Taal in de haven tegen. Het is een boekje van ruim 120 pagina’s uit 1939, bevattende, aldus de ondertitel, ‘de meest voorkomende vragen en gesprekken aan boord van schepen en voorzien van duidelijke uitspraak’. Droogstoppel vraagt zich even af of dat betekent dat het alleen gaat om Engels dat aan boord van schepen wordt gebezigd die in havens liggen maar kijkt dan toch wie het boekje geschreven heeft: het is A. Wessels, ‘Gediplomeerd leraar – Engelsche-vertaler’ uit – niet onlogisch – Rotterdam. Dat is ook de stad waar de uitgeverij, Nijgh & Van Ditmar, nog gevestigd was toen ze het boekje publiceerde. Over A. Wessels heb ik in de gauwigheid geen verdere gegevens kunnen vinden.
In zijn inleiding verduidelijkt de auteur: ‘Hoofdzakelijk worden behandeld de meest voorkomende gesprekken aan boord van schepen, een en ander getoetst aan de practijk.’  Die praktijk is vaak verwoord in opeenvolgende zinnetjes in drie kolommen die samen een scène vormen, de kolommen heten respectievelijk ‘Nederlandsch’, ‘Engelsch’ en ‘Uitspraak. Dat gaat bij voorbeeld zo: in kolom 1 staat: ‘Weet u waar de stuurman is?’ In kolom 2 volgt dan: ‘Do you know, where the mate is?’ Kolom 3 geeft de uitspraak: ‘Doe joe noow, wer de meet is?’ Het verhaal gaat in het Nederlands zo verder: ‘Ik denk, dat hij ergens op het dek is.’ Antwoord: ‘Dat geloof ik niet, ik heb overal naar hem gekeken, maar zag hem nergens.’ Repliek: ‘Wacht een oogenblik, misschien is hij in zijn hut’.  Wat dan weer in de derde kolom dit uitgesproken Engels wordt: ‘Weet u minnut, perheps hie is in his kebbin.’
De scènes zijn niet altijd even helder: ‘We coed not kum on bord, es noo roopledder hed bien poet out’. Iemand aan land zegt dit dus blijkbaar tegen iemand aan boord van een schip. (Het is overigens vreemd – Droogstoppel leest nog steeds mee – dat de c van ‘could’ in de oren van A. Wessels blijkbaar anders klinkt dan de c van ‘come’.) Als dit een scène uit de praktijk was, zou je een reactie van de persoon aan boord verwachten, die iets van uitleg naar de persoon aan land roept. Zo’n reactie had kunnen zijn: ‘De touwladder was stuk, dat heeft de lichtmatroos gedaan,’ maar dat staat niet in het boekje. Wel, in een ander verband, een mogelijke sanctie tegen de lichtmatroos: ‘Hie wil riepeer de demmits.’
Weer echt uit de praktijk is deze: ‘Kepten, it is verrie doutfoel, if de leiters aar kumming toedee, it mee bie troe, but Aai doe not noow for sjoer, Aai sjel meek inkweiries ubout dem.’ Helaas ontbreekt het antwoord van de kapitein, en dat leidt tot de vraag: kon de Nederlandse gesprekspartner het Engels van de buitenlandse zeeman wel verstaan als hij geen begrijpelijke transcriptie op papier had? Maar het boekje moet voldoende kopers hebben gehad, want mijn exemplaar is een tweede druk; de eerste was, vind ik met behulp van Delpher, in 1935 verschenen bij de Rotterdamse drukkerij Elba.
De uitspraak van het Engels, is, zegt A. Wessels in zijn voorwoord, ‘niet altijd zuiver in letters weer te geven,’ maar hij spreekt de hoop uit dat de lezer, door een en ander te lezen en te herlezen, ‘binnen niet al te langen tijd het Engelsch spreekt, zonder zich aan al te grove fouten schuldig te maken’. De gebruiker heeft 122 pagina’s om in zelfstudie te lezen en te herlezen, maar er is dan niemand die tegen hem zegt: ‘Aai sink, joe hev meed u misteek, Sur.’
Het is, gezien het tijdstip van verschijnen van dit boekje in de tweede helft van 1939, de vraag of de Nederlandstalige zeeman de kans kreeg om zijn Engels te oefenen, want in de toen volgende periode zal er, veronderstel ik, weinig gelegenheid zijn geweest je Engels in de praktijk te oefenen. Een ‘Practische Handleiding voor het gebruik van de Duitsche Taal in de haven’ was misschien handiger geweest, maar ik heb over een dergelijk boekje geen gegevens gevonden.
Wat ik wel vond is de aanduiding ‘K 2466’ op het achterplat van het boek, en dat past niet goed bij het verschijningsjaar van het boekje, 1939. Het K-nummer, feitelijk het kennummer, moest vanaf halverwege 1941 van overheidswege op drukwerk worden vermeld, elk nummer hoorde bij een drukkerij of een uitgeverij. K 2466 was het kennummer van drukkerij Pamco in Voorburg. Het gebruik van het kennummer hield niet op met het einde van de Duitse bezetting, ook in de jaren erna werd het nog af en toe gebruikt. Het zou dus kunnen dat dit boekje na het einde van de bezetting is herdrukt, toen er weer meer buitenlandse dan Duitse schepen Nederland aandeden. Dat laat ik maar even als hypothese zo staan, totdat iemand tegen mij zegt: ‘Aai sink, joe hev meed u misteek, Sur.’

Ik vermoed overigens, maar dit geheel terzijde, dat Mark Rutte uit dit soort boekjes zijn Engelse uitspraak heeft geleerd.

woensdag 4 maart 2026

EIN STÜCK BRACHLAND, EINE SCHRIFT HERUM  EEN HALVE EEUW OUD

Vijftig jaar geleden waren we druk bezig in het pand Biltstraat 401 in Utrecht. Daar was in 1976 het Instituut Frantzen voor Duitse Taal- en Letterkunde gevestigd, en vier studenten, allemaal met hun studie begonnen in het begin van het decennium, waren behalve met studeren ook bezig met een mooie klus: het samenstellen van een bloemlezing met actuele Duitstalige literatuur. We hadden al een paar jaar een instituutstijdschrift, na wat avontuurlijke en grappig bedoelde titelwijzigingen Journal geheten, dat in de geest van de tijd opstandig was maar ook de Duitse culturele ontwikkelingen goed bijhield.

In de loop van 1975 moet het idee zijn ontstaan – zullen we het maar toeschrijven aan onze docent Gregor Laschen (1942-2018)? – om een bloemlezing te gaan maken, maar niet een die putte uit al gepubliceerde teksten. We schreven  tientallen schrijvers in alle Duitstalige landen aan met het verzoek ons ongepubliceerde teksten te sturen – het goed gevulde adresboek van Gregor kwam daarbij zeer van pas. We kregen bijna altijd antwoord en bijna altijd zat er een typoscript in de envelop. Een van de weinige mensen die antwoordden maar niets in voorraad zeiden te hebben was Elias Canetti. Ik zou zijn piepkleine briefje hier graag reproduceren, maar ik heb het niet meer in huis. Het archief van onze onderneming is lang geleden aan het Deutsche Literaturarchiv in Marbach geschonken.

Uiteindelijk waren er ruim 70 schrijvers en enkele beeldend kunstenaars vertegenwoordigd in het kloeke boek van 265 pagina’s dat in mei 1976 onder de titel Ein Stück Brachland, eine Schrift herum. Hedendaagse Duitstalige literatuur, gebundeld verscheen in het formaat A4. De illustratie voorop is van Hannelore Teutsch (*1942), in die tijd de partner van de dichter en vertaler Erich Arendt (1903-1984). We maakten 500 exemplaren en nummerden ze zelfs. Het Duitse gedeelte van de titel is een citaat uit een gedicht van Rolf Dieter Brinkmann, niet in de bloemlezing vertegenwoordigd, omdat hij een jaar eerder in Londen bij het oversteken de verkeerde kant op keek en dodelijk verongelukte.

Het maken van zo’n boek ging vijftig jaar geleden net even anders dan nu. De basis van het geheel waren namelijk stencils. Zo maakten we ons instituutstijdschrift ook, we hadden dus ervaring met het bedienen van de intussen uit de herinnering verdwenen stencilmachine. In de eerste plaats moesten alle bijdragen worden overgetikt op stencilvellen. Ik wil er nu helemaal niet over nadenken wat daar allemaal kan zijn misgegaan, maar echte klachten over geruïneerde teksten kan ik me niet herinneren. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat we van al die 265 pagina’s 500 afdrukken maakten, maar er staat toch echt: ‘in eigen beheer’, en er wordt geen drukker genoemd. Alleen het lijmen van de rug zal ergens anders gebeurd zijn.

We verspreidden het boek onder onze collega-studenten en onder de andere vakgroepen Duits in Nederland, bovendien kregen we een aantal signalementen in landelijke dagbladen, waardoor we ook van particulieren behoorlijk wat bestellingen kregen, zodanig dat de oplage binnen de kortste keren was uitverkocht. De redactie, op een vage foto achterin het boek te zien, kon trots zijn: van links naar rechts waren dat Ton Naaijkens, Joan Kooyman, Gregor Laschen, ondergetekende en Wilfried Hövener. We hadden een eigen ruimte tot onze beschikking, en als we buiten kantooruren kwamen zelfs een heel gebouw. In mijn herinnering was de deur van Biltstraat 401 altijd open, niemand sloot zijn kamer af, we konden zonder enige beperking telefoneren en we hadden bovendien toegang tot de grote drankvoorraad van een van de hoogleraren, die zijn flessen bewaarde waar anderen hun archief opborgen.

Het volgende studiejaar begonnen we aan een tweede druk. Er werden nog meer mensen aangeschreven, sommigen waren we ondertussen bij lezingen of elders tegengekomen, weer anderen, meen ik me te herinneren, meldden zichzelf, maar wij waren niet kieskeurig. De tweede druk, die in mei 1977 verscheen, bevatte bijdragen van bijna 95 schrijvers en beeldend kunstenaars. Nieuw waren bijvoorbeeld Wolf Biermann, Peter Rühmkorf en Günter Wallraff, Er waren ook schrijvers die meer of andere teksten stuurden. We, en dan in het bijzonder Gregor Laschen, waren ook niet vies van een mystificatie. Er zijn in druk 2 gedichten opgenomen van ene ‘Bastian Poolman’, die volgens zijn biografie achterin het boek in 1975 in de Himalaya spoorloos was verdwenen. In feite zijn de gedichten van een nog steeds levende studievriend van Gregor.

De productie van deel 2, 358 pagina’s dik, was overigens al iets minder handmatig. We maakten wel nog stencils, maar die werden offset gedrukt en gebonden bij de Stichting Pressa Trajectina, een intussen verdwenen studentendrukkerij annex -uitgeverij. Opnieuw was de oplage 500, en weer raakten we ze gemakkelijk kwijt. We kregen onder andere financiële steun van het Goethe Institut via een advertentie in het boek, en we verkochten de exemplaren zo dat we op het eind een aardig bedrag overhielden. Dat we nooit hebben afgedragen.

Een van de bijzondere aspecten van onze bloemlezing was de aanwezigheid van schrijvers uit de DDR. In die tijd was het niet vanzelfsprekend dat schrijvers uit de DDR vrijelijk in het westen konden publiceren. Er waren licentieovereenkomsten, waardoor boeken zowel in oost als in west verschenen, maar er waren ook schrijvers die buiten zo’n licentie om en zonder toestemming in het westen werden gepubliceerd. Voor onze bloemlezing vroeg, denk ik, niemand toestemming. Ik kan me niet meer herinneren hoe we de bewijsexemplaren over de grens kregen. Stuurden we ze gewoon? Of gaven we ze mee via de diplomatieke route, want dat kon ook: de Bondsrepublikeinse vertegenwoordiger in Oost-Berlijn bijvoorbeeld woonde in de jaren zeventig in West-Berlijn en hij en zijn echtgenote reden ongecontroleerd heen en weer met de betere levensmiddelen, weet ik uit betrouwbare bron, want ik heb daar wel eens van meegegeten en -gedronken bij wederzijdse vrienden. Ze namen ongetwijfeld ook boeken mee.

Een paar bewijsexemplaren van de eerste druk konden we in juni 1976 persoonlijk overhandigen aan enkele Duitse deelnemers van Poetry International. Nicolas  Born (1937-1979) was er uit West-Duitsland, van wie Ton Naaijkens en ik na zijn dood nog een roman en een novelle zouden vertalen, maar ook Reiner Kunze (*1933) en Sarah Kirsch (1935-2013). Ook van Kirsch zouden Ton en ik werk vertalen. Van deze drie auteurs staan handtekeningen in mijn exemplaar van Brachland, die van Kunze met een opdracht expliciet in Rotterdam gesitueerd. Een half jaar na Poetry zouden zowel Kunze als Kirsch bezwaar maken tegen de uitburgering van de schrijver en zanger Wolf Biermann, die in november 1976 toestemming kreeg om concerten in West-Duitsland te geven maar vervolgens niet mee terug mocht naar de DDR. Kirsch emigreerde in 1977 naar de Bondsrepubliek.

Zelf nam ik in de zomer van 1977 een paar exemplaren mee over de grens. Bij de S-Bahn-overgang Friedrichstrasse in Berlijn werd ik, naar verwachting, apart genomen, ik moest mee naar een hokje om te worden ondervraagd over de cadeautjes die ik bij me had – Nederlandse koffie, een paar pakken mooi helder schrijfpapier, een paar Brachlanden en nog het een en ander. De koffie werd door een röntgenapparaat gehaald, het papier was geen probleem en de exemplaren van Brachland uiteindelijk ook niet. Ik beantwoordde netjes alle vragen en de dienstdoende geuniformeerde bladerde er een aantal keren doorheen om te zien of er zaken in stonden die het DDR-oog niet kon verdragen, maar blijkbaar sloeg hij de pagina’s met Biermann, Kunze, Kirsch en anderen over.

Een mooi eerbetoon aan onze onderneming was in het jaar van de tweede druk het verschijnen van Nieuwe Gronden. Hedendaagse nederlandstalige literatuur, gebundeld. Drie Berlijnse studenten Nederlands, Rolf Brockschmidt, Ute Grauerholz en Marlene Müller (ze hadden alle drie een deel van hun studie in Utrecht doorgebracht), deden wat wij met Duitstalige schrijvers hadden gedaan en maakten er een boek van dat mooi bij onze twee drukken paste.

zaterdag 20 december 2025

Moedwil en onverstand [2011]

Op 17 juni 2011 werden in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag twee boeken gepresenteerd: deel 14 van de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans, bezorgd door het Huygens ING, en Een onmiskenbare verwantschap, de briefwisseling tussen Hermans en F. Bordewijk, bezorgd door Marsha Keja (Letterkundig Museum) en Arno Kuipers (Koninklijke Bibliotheek). Beide boeken zijn uitgaven van De Bezige Bij. Kopen!

Een van de sprekers van de middag was de schrijver Christiaan Weijts, die ook, om onduidelijke redenen, de inleiding bij de correspondentie Bordewijk/Hermans mocht schrijven. In zijn praatje gaf hij niet echt blijk van inzicht in en respect voor maken van dit soort boeken. Hij citeerde een willekeurige, zeer nauwkeurig een bron beschrijvende zin uit een van de apparaten van de Volledige Werken en wist daarmee een paar mensen in de zaal aan het lachen te krijgen. Verder toonde hij niet veel begrip voor het bewaren van manuscripten en dergelijke, hoewel hij van de andere kant ook wel gepikeerd was bij het idee dat het Letterkundig Museum misschien wel een digitaal bestand van een van zijn romans niet had geaccepteerd toen de uitgeverij dat aan het LM aanbood.

Weijts’ standpunt is dit: er is een gedrukt boek, en dat is het. Andere getuigen van een schrijfproces zijn daarom onbelangrijk, en het bestuderen daarvan is onzin, op zijn hoogst nuttig voor middeleeuwse teksten: ‘Al die manuscripten, drukproeven, kladjes en droedels willen redden van de vernietiging is even absurd als het omkiepen van een vuilnisbak van een schilder, om er penselen en de leeg geknepen tubes verf uit te vissen. Het is maar gereedschap, zou je zeggen, en restafval.’ Weijts zegt ook: ‘Dikke tekstedities samenstellen […] gebeurt al lang niet meer, althans niet bij eigentijdse auteurs.’ Hij zegt dat dus bij de presentatie van een deel van een dikke teksteditie van een eigentijdse auteur, een editie die aantoont dat het zeer interessant en vruchtbaar is schrijfprocessen en het uiteindelijke resultaat ervan wetenschappelijk te documenteren. Is het niet willen inzien of op zijn minst respecteren daarvan moedwil of onverstand?

Die scepsis over het bewaren van spullen hadden we overigens al eerder, maar iets genuanceerder, te horen gekregen op een openbare manifestatie van het – toen nog – Constantijn Huygens Instituut. Tijdens haar praatje bij het tienjarig jubileum in 2002 zei Nelleke Noordervliet: ‘Ik bewaar […] helemaal niets van mezelf. Geen interview, geen recensie, ik heb geen plakboek, geen rijtje videobanden. Ik heb hoogstwaarschijnlijk niet eens een compleet overzicht van alles wat ik de afgelopen jaren heb gepubliceerd en geschreven. Ik heb een la waarin ik correspondentie mik. Is die la vol, doe ik de inhoud in een doos. Is die doos vol, koop ik een nieuwe doos. Maar of ik die dozen naar het Letterkundig Museum doe als ik tachtig ben: ik denk het niet. Ik denk dat ik tijdig de fik erin zal steken. Niet omdat ik de lateren de pas naar mij wil afsnijden maar omdat ik het van een onverdraaglijke ijdelheid en zelfgenoegzaamheid vind getuigen jezelf aan dat nageslacht op te dringen. Het is niet belangrijk. Het doet er niet toe. Als iemand nog de moeite wil nemen mijn boeken te lezen en daar een geleerde studie aan te wijden dan is hij welkom, maar niet postuum in mijn privé-leven rommelen. Dat nooit.’

Het lijkt wel alsof sommige schrijvers spontaan peentjes gaan zweten wanneer ze geconfronteerd worden met de mogelijkheid dat iemand later in hun spullen gaat neuzen. Dat in de fik steken van Noordervliet is trouwens interessant, want precies datzelfde suggereerde Weijts. Hij beriep zich daarbij op Vladimir Nabokov, die volgens Weijts ook niet van bewaren was en die de systeemkaarten waarop Lolita was geschreven in zijn tuin in brand stak. Ik denk dat Weijts het een en ander door elkaar haalde. Nabokov was wel degelijk van bewaren: in 1959 schonk hij een groot deel van zijn archief (7000 items, bijna 2,6 strekkende meter) aan de Library of Congress in Washington D,C., met de bepaling dat het vanaf vijftig jaar daarna voor iedereen toegankelijk zou zijn. En dat is zo, want een paar maanden geleden heb ik dat archief daar geraadpleegd. Ook de New York Public Library heeft een Nabokov-collectie, en bij zoon Dmitri Nabokov is nog het een en ander – dat hij, zoals The Original of Laura, tegen de wens van zijn vader in publiceert, en wel op een nogal harteloze manier. Daarover een andere keer.

Het beeld van een systeemkaarten verbrandende auteur zal Weijts hebben uit Nabokovs Pale Fire, in het Nederlands Bleek vuur, een roman in de vorm van een editie: het is een 999 regels lang episch gedicht dat wordt begeleid door een nawoord en annotaties. In het nawoord beschrijft de editeur uit de roman, Charles Kinbote, hoe zijn voormalige buurman John Shade, de schrijver van het gedicht dat hij bezorgt, systeemkaarten verbrandt. In de vertaling van Peter Verstegen: ‘Shade had de gewoonte zijn kladjes te vernietigen zodra hij ze niet meer nodig had: ik weet nog goed dat ik hem vanaf mijn veranda op een stralende morgen een keer een hele stapel kaarten zag verbranden in het bleke vuur van de vuilnisoven’. Maar dat is dus fictie.

Weijts publiceerde zijn presentatiepraatje als column in De Groene Amsterdammer, maar met weglating van de passages over Nabokov en ook zonder welke verwijzing naar Bordewijk en Hermans dan ook. Maar hoe zit dat dan intussen met dat praatje dat hij in de aula van de Koninklijke Bibliotheek hield? Is dat nu, zie boven, restafval geworden? Heeft Weijts dus restafval aan ons voorgelezen?

Eerder, op 17 juni 2011, gepubliceerd op de intussen morsdode maar nog steeds online te vinden textualscholerschip.nl van wat toen nog Huygens ING heette en nu Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis en Cultuur. Het Letterkundig Museum heet nu Literatuurmuseum, Christiaan Weijts heet nog steeds Christiaan Weijts. De Volledige Werken van Willem Frederik Hermans zijn intussen volledig verschenen, 24 delen breed. 

vrijdag 7 november 2025

De rechtsche partij

Mijn grootvader Jan Louis Gielkens (Amstenrade 1879 – Kerkrade 1949), die ik nooit heb gekend, zat in de politiek. Hij was ook slager en had een katholieke hoeveelheid kinderen samen met zijn vrouw Anna Maria Mechtildis Bemelmans (Kerkrade 1885 – Kerkrade 1943). Op de foto staat mijn vader achter mijn oma, die ik dus ook niet heb gekend. Dat mijn grootvader in de politiek zat heb ik nog niet zo heel lang geleden ontdekt. Er zijn nauwelijks familiepapieren, en mijn vader of zijn vele broers en zuster (die mijn peettante was) hebben er nooit iets over verteld.

Wat ik in elk geval vond, is dat mijn grootvader in 1919 kandidaat was bij de gemeenteraadsverkiezingen van Kerkrade, en dat hij nog gekozen werd ook. Hij was kandidaat namens de Algemeene Bond van RK-Kiesvereenigingen, in de krant kortweg de Katholieke Kiesvereeniging, die in de gemeente blijkbaar 4 lijsten had, mijn grootvader stond op lijst 2. In De Zuid-Limburger van 22 mei 1919 staat de uitslag (‘Niet officieel’). In totaal werden er 3214 stemmen uitgebracht, waarvan mijn grootvader er 47 kreeg – en daarmee kwam hij in de gemeenteraad. De meeste stemmen, 36, kreeg hij bij zijn eigen stembureau in het Patronaat Bleijerheide, bekend van Het hout van Jeroen Brouwers. Mijn grootvader had zijn slagerij (ik werd erboven geboren) verderop in de Pannesheiderstraat.

De krant analyseert: ‘De verhoudingen in den nieuwen raad zal dus zijn 9 rechts, tegen 8 links. / De Katholieken verloren 2 zetels aan de Vrijzinnige partij en de S.D.A.P.’ Er wordt ook geschiedenis geschreven: ‘Met de heer Menting doet de eerste socialist zijn intrede in den raad.’ Maar: ‘Als “arbeiders”-raad heeft de nieuwe raad, die in September zitting zal nemen, feitelijk afgedaan. Het arbeiders-element zal bij de rechtsche partij nog uitsluitend door dhr. Koken worden vertegenwoordigd, bij de vrijzinnige partij door dhrn. Smeijsters en Essers.’

Mijn grootvader was inderdaad geen arbeider, maar een middenstander, want slager. Een jaar voor de verkiezingen, in augustus 1918, de wereldoorlog was nog niet afgelopen, had hij met enkele collega’s de volgende brief aan De Zuid-Limburger gestuurd:

Hoe dat allemaal zat, hoe lang mijn grootvader in de politiek zat en wat hij er allemaal uitspookte – ik moest het maar eens gaan uitzoeken.

woensdag 5 november 2025

Een diksap van verkenspis. Over een raadselachtig boek

Willem Frederik Hermans (1921-1995) stuurde ooit, wanneer precies is niet bekend, een gestempelde tekst met de titel ‘GEDICHT’* aan zijn Vlaamse collega Gust Gils (1924-2002):

Het zal een bijlage bij een brief zijn geweest, want Hermans en Gils wisselden tussen 1955 en 1984 een groot aantal brieven, die een uitgave meer dan verdienen. Onder de titel ‘GEDICHT’ typte Hermans: ‘(is het eerder gedaan?)’. Ik persoonlijk vermoed van wel: het wachten is op een standaardwerk over dit soort literaire teksten.

Ik vond een soortgelijke gestempelde tekst, veel langer, vijfenzestig regels namelijk, die, daar wijst alles op, van later datum is dan de tekst van Hermans. Of de tekst van een literaire auteur is weten we niet, maar het is wel, met permissie, een tekst met wat meer literaire ambitie en kwaliteit dan die van Hermans. Hieronder zal ik de tekst in zijn geheel citeren, maar eerst moeten we de bron bekijken en zien of we iets meer te weten kunnen komen.

Die bron is een boek uit een doos met ongesorteerd drukwerk zoals ze bij sommigen van ons af en toe terechtkomen. Aan de blinde band met gemarmerde platten is te zien dat hier geen meesterbinder aan het werk was. De titelpagina vertelt ons dat we hebben te maken met de vierde druk van het De boomteelt of gids bij de openbare leergangen van boomsnoei en dat we, behalve met de vierde druk, te maken hebben met een ‘Gansch omgewerkte nieuwe uitgave’ die ‘met bijzondere zorg [is] opgesteld voor het Lager Onderwijs’  door H.J. Van Hulle, die ’s Rijks hortolanus is ten tijde van het verschijnen van het boek in 1870, en wel bij de uitgeverijen J.B.D. Hemelsoet in Gent en Noordendorp in Amsterdam. Zoeken naar verdere gegevens over uitgevers, drukken etc. laat ik achterwege, ze zijn hier minder relevant.

Tegenover de titelpagina staat de handtekening van de schrijver, een Gentenaar die voluit Hubert Jean van Hulle heette en leefde van 1827 tot 1900. Die handtekening bekrachtigt de gedrukte regel erboven: ‘Geene afdruksels zullen voor echt erkend worden, dan degene die de naamtekening des schrijvers dragen.’ Mijn exemplaar is honderdvijfentwintig jaar na verschijnen ook nog door iemand anders gesigneerd, zij het met een stempel: ‘M. Schoenmakers’. Met dezelfde stempelset dateerde hij of zij haar of zijn activeit ook op het schutblad voorin: ’23 sep 1994’ – ruim na Hermans dus, want die schreef in 1984 zijn laatste brief aan Gust Gils.

De datering van M. Schoenmakers staat onder het eveneens, maar met een andere stempelset, gefabriceerde woord ‘Queekhoven’. We zouden kunnen denken dat we dichter bij een oplossing komen, maar dat is niet zo. Ik leer van Wikipedia dat Queekhoven een buitenplaats uit de zeventiende eeuw in Breukelen aan de Utrechtse Vecht is, die onder andere gebruikt is als jongenskostschool. Van 1963 tot 1983 was de Eduard van Beinum Stichting in het kasteel gevestigd, er werd muziek gemaakt, onderwezen en bestudeerd. Op een zeker moment verliet ons exemplaar van Boomteelt Queekhoven.

Wat heeft M. Schoenmakers precies met het boek gedaan? Hij stempelde met de letters waarmee zij ook ‘Queekhoven’ voorin zette op 37 bladzijden van Boomteelt woorden die hij niet zelf bedacht maar die zij uit het boek haalde. Pagina 133 is de laatste van de 288 pagina’s van dit – incomplete, 4 pagina’s achterin missende – exemplaar die hij bestempelde. Opvallend is dat M. Schoenmakers zo netjes werkte. De letters en woorden zijn erg schoon en zonder uitloop gestempeld en na elke stempelgang moet hij of zij de pagina eerst hebben laten drogen voordat de volgende pagina aan de beurt was, want er zijn geen afdrukken op er tegenover liggende bladzijden. Met welke focus en met welke gemoedsinstelling M. Schoenmaker Boomteelt verfraaide mag de lezer zelf bedenken.

Queekhoven

voorttelende zintuigen

een stofbeursje welk zich ten bekwamen tijde opent

met de buitenlucht in gemeenschap gebracht

opgeslorpte zelfstandigheden

in het donker doen de zaken zich geheel anders voor

vernielende invloeden die nooit ophouden te worstelen tegen alle zintuiglijke wezens

neiging om tot in het oneindige te blijven spelen

wildelingen

voetoogen voorhanden

dit dalend sap traant er uit

schorslippen

voorwaarden tot wellukken

huwelingsgriffel

diepgronding

alleenlijk kan men niet altijd zoo lang naar zijn land wachten

wat de boomen langs openbare wegen ook grootelijks verhindert, zijn zonneslagen, wonden, stooten en stampen aan welke zij daar zijn blootgesteld

smoorhoop

doordringbare zelfstandigheden

enkel langs openbare wegen plant men wat op het diepst

besloten stedelucht

soms spant men enkel doeken over de boomen

beschaduwen

want vergeten wij niet dat de vruchten zeer uitputtende organen zijn

gedraagzaam

kunstmatige vruchtplukkers

zachte schavelingen

als hun vleesch weeker wordt

het zweeten der vruchten

verneutelde

aangedaane deelen

misbloeiing

aangedane boomen

wollige kusjes

stinkende zelfstandigheden

in welke zij komen verdrinken

een diksap van verkenspis gemengd met tabakssap solfer kalk en ossegal

schrijfworm

weldoende diertjes

zijoogen

kroonogen

voetoogen

slapende oogen

toevallige oogen

tweesoortige oogen

worteloogen

de beurs welke anders niet is dan dat vleeschachtig gezwel

de losmaking

de twijgsnijding

de breking

de oogwegsnijding

de insneden

de inkervingen

de bijeenbrenging

de afkorting

de afhouting

de opleiding

de wortelsnoei

de sleuning

verborgen oogen

die geene aantrekkingskracht genoeg hebben

nijping

zomerbreking

omwringing

afschorsingen

vruchtdunning


*Bewaard in het archief-Gils in het Letterenhuis in Antwerpen, afgebeeld in Jan Gielkens, ‘“Heb jij ooit Lampo op H2 SO4 gezet?” De vriendschap tussen Gust Gils en Willem Frederik Hermans’. In: Matthias Velle [e.a.] (red.), Gust Gils in zijn experiment. Gent: Academia Press, 2015, pp. 251-267, afbeelding p. 259, herplaatst op: https://jangielkens.blogspot.com/2019/01/heb-jij-ooit-lampo-op-h2-s04-gezet-de.html.