ENE
Na Gerard Reve heeft Willem Frederik Hermans samen met Hanny Michaelis en Johan Polak de meeste hits in het personenregister van het postuum verschenen boek Ratatouille. Literaire en academische anekdotes, verhaaltjes, vragen en opmerkingen, roddels en curiositeiten van allerlei aard. Een boek vol wetenswaardigheden van Nop Maas. Een van die vermeldingen van Hermans gaat over een sukkel, althans in de ogen van Maas, een recensent namelijk die in 1966 Nooit meer slapen niet als meesterwerk herkende. Maas geeft wat kritische citaten uit de bespreking en vindt vooral de kop leuk: ‘“Nooit meer slapen” niet om wakker van te liggen’.
Je kunt zo’n kop grappig vinden, maar
uitsluitend negatief was de recensie in het Algemeen Dagblad niet, zoals
te lezen valt in het nawoord bij deel 3 van de Volledige Werken van
Hermans – elders in zijn boek noemt Maas de uitvoerige nawoorden, in feite overzichten over de ontstaans- en publicatiegeschiedenissen van de opgenomen titels en vaak honderd of meer pagina’s lang, een ‘opstel’.
Maas noemt de recensent niet expliciet een sufferd, hij heeft het over ‘ene Anton
Deering’. Dat ‘ene’ betekent vaak, en in dit geval vermoedelijk ook: ik heb
geen zin om verder te zoeken. Met een beetje nieuwsgierigheid had Maas vervelendere
dingen kunnen zeggen over deze criticus.
Anton Deering (1915-1995) was
namelijk in zijn jonge jaren een veelbelovende letterkundige, die in de jaren
dertig contact had met de belangrijke spelers in de Nederlandse literaire
wereld. Maar hij vond ten onrechte dat je iets kon bereiken door je aan te
sluiten bij het fascistische Zwart Front, later Nationaal Front, en
tijdschriften op te richten en aan periodieken mee te werken die de fascistische ideologie van die organisaties uitdroegen. Na het verbod van het Nationaal Front door de Duitse bezetter eind
1941 was Deering niet meer politiek actief, lees ik in een biografische schets op
een website over, nota bene, scouting in oorlog en verzet. Volgens die
schets was hij op het eind van de bezetting nog actief voor het Delftse illegale
blad ‘Toekomst. Weekblad voor strijdend Nederland’.
In grote lijnen kende ik het levensverhaal van Anton Deering, want ik ben een keer bij hem op bezoek geweest in zijn flat in Tilburg, volgens mij ergens in 1987, toen ik nog voorzichtig en zonder veel ervaring en in mijn vrije tijd met boeken begon te handelen. Op voorspraak van een familielid mocht ik bij Deering op bezoek om te kijken of ik wellicht belangstelling had voor zijn bibliotheek. Die boekerij was omvangrijk, met meters Nederlandse literatuur in eerste drukken, vaak met opdrachten en met correspondentie als bijlagen. Maar het bedrag dat Anton Deering in gedachten lag ver boven mijn mogelijkheden en daarom verwees ik een mij bekende antiquaar naar hem door, met de belofte van een ‘aanbrengpremie’. Ik meen te weten dat die aankoop wel doorging, maar bericht daarover en de premie heb ik nooit ontvangen. De boeken kwamen in elk geval in het antiquarische circuit terecht en op die manier belandde ook een exemplaar uit de bibliotheek-Deering bij mij. In de collectie van een bekende en beruchte, toen al lang voormalige Utrechtse antiekhandelaar vond ik het boekje Het onvolkomen huwelijk uit 1939 van Deerings ideologische geestverwant Henri Bruning (1900-1983) met een persoonlijke opdracht uit begin 1940, toen de beide heren nog vol goede moed naar de toekomst keken. De Utrechtse antiekhandelaar, een nostalgische terugkijkende sympathisant van Deering, Bruning, Mussert en erger, plakte zijn lelijke stickertje net even over het randje van het exlibris van Deering.
Ik ging overigens niet met lege
handen naar huis. Uit de bibliotheek van Anton Deering kocht ik twee boeken uit
het fonds van A.A.M. Stols: de Halcyon Press-uitgaven van het toneelstuk Dantons
Tod en de novelle Lenz van Georg Büchner. Die kwam ik tegen op een
van zijn planken en we raakten erover in gesprek. Ik was toen net bezig met een
inleiding bij het Verzameld werk van Büchner, dat in het voorjaar van
1988 zou verschijnen bij de International Theatre Bookshop in Amsterdam. Ik heb
de Stols-uitgaven nog steeds.

