zaterdag 15 augustus 2026

ENE

Na Gerard Reve heeft Willem Frederik Hermans samen met Hanny Michaelis en Johan Polak de meeste hits in het personenregister van het postuum verschenen boek Ratatouille. Literaire en academische anekdotes, verhaaltjes, vragen en opmerkingen, roddels en curiositeiten van allerlei aard. Een boek vol wetenswaardigheden van Nop Maas. Een van die vermeldingen van Hermans gaat over een sukkel, althans in de ogen van Maas, een recensent namelijk die in 1966 Nooit meer slapen niet als meesterwerk herkende. Maas geeft wat kritische citaten uit de bespreking en vindt vooral de kop leuk: ‘“Nooit meer slapen” niet om wakker van te liggen’.
Je kunt zo’n kop grappig vinden, maar uitsluitend negatief was de recensie in het Algemeen Dagblad niet, zoals te lezen valt in het nawoord bij deel 3 van de Volledige Werken van Hermans – elders in zijn boek noemt Maas de uitvoerige nawoorden, in feite overzichten over de ontstaans- en publicatiegeschiedenissen van de opgenomen titels en vaak honderd of meer pagina
s lang, een ‘opstel’. Maas noemt de recensent niet expliciet een sufferd, hij heeft het over ‘ene Anton Deering’. Dat ‘ene’ betekent vaak, en in dit geval vermoedelijk ook: ik heb geen zin om verder te zoeken. Met een beetje nieuwsgierigheid had Maas vervelendere dingen kunnen zeggen over deze criticus.

Anton Deering (1915-1995) was namelijk in zijn jonge jaren een veelbelovende letterkundige, die in de jaren dertig contact had met de belangrijke spelers in de Nederlandse literaire wereld. Maar hij vond ten onrechte dat je iets kon bereiken door je aan te sluiten bij het fascistische Zwart Front, later Nationaal Front, en tijdschriften op te richten en aan periodieken mee te werken die de fascistische  ideologie van die organisaties uitdroegen. Na het verbod van het Nationaal Front door de Duitse bezetter eind 1941 was Deering niet meer politiek actief, lees ik in een biografische schets op een website over, nota bene, scouting in oorlog en verzet. Volgens die schets was hij op het eind van de bezetting nog actief voor het Delftse illegale blad ‘Toekomst. Weekblad voor strijdend Nederland’.

Dat Nationale Front-verleden zorgde ervoor dat Deering na het einde van de bezetting met de bijzondere rechtspleging te maken kreeg, met enkele CABR-dossiers tot gevolg. Ik kan niet zo snel vinden of er sancties waren, en zo ja welke, maar op een gegeven moment ging Deering weer publiceren, maar wellicht niet op het niveau dat hij ooit voor ogen had. Hij werd toneelrecensent bij het Algemeen Dagblad (maar besprak daar dus ook wel eens niet-toneel) en bouwde als zodanig, zegt de online-Theaterencyclopedie, ‘een grote naam [op] in de theaterwereld’, hij had alleen moeite met de vernieuwingen in het toneel van de jaren 1960 en 1970, nog steeds volgens de theaterkenners. Waardevolle informatie over Deering geeft ook de Nederlandse Poëzie Encyclopedie.

In grote lijnen kende ik het levensverhaal van Anton Deering, want ik ben een keer bij hem op bezoek geweest in zijn flat in Tilburg, volgens mij ergens in 1987, toen ik nog voorzichtig en zonder veel ervaring en in mijn vrije tijd met boeken begon te handelen. Op voorspraak van een familielid mocht ik bij Deering op bezoek om te kijken of ik wellicht belangstelling had voor zijn bibliotheek. Die boekerij was omvangrijk, met meters Nederlandse literatuur in eerste drukken, vaak met opdrachten en met correspondentie als bijlagen. Maar het bedrag dat Anton Deering in gedachten lag ver boven mijn mogelijkheden en daarom verwees ik een mij bekende antiquaar naar hem door, met de belofte van een ‘aanbrengpremie’. Ik meen te weten dat die aankoop wel doorging, maar bericht daarover en de premie heb ik nooit ontvangen. De boeken kwamen in elk geval in het antiquarische circuit terecht en op die manier belandde ook een exemplaar uit de bibliotheek-Deering bij mij. In de collectie van een bekende en beruchte, toen al lang voormalige Utrechtse antiekhandelaar vond ik het boekje Het onvolkomen huwelijk uit 1939 van Deerings ideologische geestverwant Henri Bruning (1900-1983) met een persoonlijke opdracht uit begin 1940, toen de beide heren nog vol goede moed naar de toekomst keken. De Utrechtse antiekhandelaar, een nostalgische terugkijkende sympathisant van Deering, Bruning, Mussert en erger, plakte zijn lelijke stickertje net even over het randje van het exlibris van Deering.
Ik ging overigens niet met lege handen naar huis. Uit de bibliotheek van Anton Deering kocht ik twee boeken uit het fonds van A.A.M. Stols: de Halcyon Press-uitgaven van het toneelstuk Dantons Tod en de novelle Lenz van Georg Büchner. Die kwam ik tegen op een van zijn planken en we raakten erover in gesprek. Ik was toen net bezig met een inleiding bij het Verzameld werk van Büchner, dat in het voorjaar van 1988 zou verschijnen bij de International Theatre Bookshop in Amsterdam. Ik heb de Stols-uitgaven nog steeds.

vrijdag 14 augustus 2026

RATATOUILLE

Het vermakelijke postume boek Ratatouille. Literaire en academische anekdotes,verhaaltjes, vragen en opmerkingen, roddels en curiositeiten van allerlei aard.Een boek vol wetenswaardigheden van Nop Maas is vermakelijk daar waar ik het vermakelijk vind. Er staan ook stukken in die niet in mijn schoolkrant hadden gemogen, er staan teksten in die ik matig interessant vind en er staan vermakelijke stukken in. Maar Nop Maas vond dat we het allemaal mogen lezen na zijn dood, en daarom doe ik dat met plezier.
 
Zo’n korte tekst als die hieronder, inclusief de titel, vind ik nou vermakelijk. Iemand anders kan hem gemene roddel vinden, of ongepast, of wat dan ook. Natuurlijk gaf Suzanne Holtzer niet het ultieme sein voor de euthanasie van Hugo Claus, maar Nop Maas wilde vermoedelijk de al dan niet zelf ervaren frustratie verwoorden van schrijvers en andere bij het tot stand komen van boeken betrokken personen die wekenlang geen contact konden krijgen met hun redacteur omdat Claus blijkbaar wekenlang naar zijn einde moest worden begeleid met witte wijn en oesters.
Er staat nog zo’n verhaal in het boek waarover ik een beetje kan meepraten: het verslag van de presentatie van deel 1 van de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans in de Nieuwe Kerk in Amsterdam in 2005. Lees de vrij accurate beschrijving maar op de pagina’s 101-104 van het boek. Maas doet in het begin van het stuk wat mies over wat hij de ‘Verzamelde werken’ noemt, het nawoord noemt hij een ‘opstel’ en hij trekt het nut van de editie in twijfel. Bij de presentatie van een later deel liet hij mij overigens weten dat hij de nawoorden zeer waardeerde. Het verslag van de feestelijkheid daar in de Nieuwe Kerk vind ik behoorlijk herkenbaar, inclusief het oordeel over de diverse optredenden. Op het eind van het stuk vertelt Maas, ongetwijfeld omdat hij met een betrokkene daarover had gepraat, dat de vertegenwoordigers van het Literair Productiefonds niet waren genoemd door wie van de sprekers van ook, ondanks een fikse investering in het project. Maar dat niet worden genoemd hadden de mensen van het Productiefonds gemeen met de makers van de editie. Alleen onze toenmalige projectleidster mocht op de eerste rij zitten, wij op de tweede, en zij was ook de enige die bij naam werd genoemd. De rest van de makers werden gereduceerd tot ‘haar team’.
 
Ook heel deprimerend was dat de leden van dat team, inclusief de projectleidster, die avond geen exemplaar van hun boek mee naar huis kregen. Daar had Suzanne Holtzer blijkbaar geen rekening mee gehouden. Er lagen wel vele honderden exemplaren te koop voor de bezoekers van de presentatie, maar het was, zo bleek, niet mogelijk daar een paar exemplaren van weg te nemen. Wij kregen onze bewijsexemplaren een week of drie later.