C 11
Jan Gielkens
maandag 31 maart 2025
donderdag 23 januari 2025
Max
Natuurlijk ben ook
ik meteen in de cabr-database gaan
zoeken. Ik begon niet met mijn eigen achternaam maar met die van onze buurman
van een aantal adressen geleden. Veel herinneringen heb ik niet aan die buurman
en zijn vrouw. Ze woonden naast ons, waren gepensioneerd en deden niet veel
anders dan voor het raam zitten. We kregen één keer een vakantiekaartje uit
Oostenrijk, De hele tekst aan de linkerkant van de adreszijde bestond uit vier
letters. ‘H.G.’ moest wel, concludeerden wij na een tijdje, ‘hartelijke
groeten’ betekenen, daaronder stonden nog twee letters, die van de
samengestelde achternaam van de buren. Ze kwamen ook één keer op visite, toen
onze zoon geboren werd namelijk. Nog vóór de muisjes kreeg de buurvrouw een
hartverzakking toen ze constateerde dat ik de baby overnam van zijn moeder –
aan haar gezicht was te zien dat ze dat niet goedkeurde. Tijdens de beschuiten
vroeg ze nog of er nog meer kinderen kwamen.
Jaren later, de buurman was al overleden of wij waren verhuisd, meende ik de buurman te herkennen op een foto in een van de delen van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van Loe de Jong, met een paar kameraden in zwart uniform stond hij voor het hoofdkwartier van de nsb aan de Maliebaan in Utrecht. Of niet natuurlijk, want misschien was het hem wel helemaal niet. Er zitten heel wat dossiers met de achternaam van mijn voormalige buurman in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, een aantal daarvan zouden best over hem kunnen gaan. Maar ik ga ze niet bekijken.
Mijn eigen achternaam levert drie hits op, maar familieleden zitten daar niet bij, wel, vermoed ik, als ik op de meisjesnaam van mijn moeder zoek. Dat zullen neven of nichten van mijn opa zijn, maar dat moet ik nog eens uitzoeken. Maar of ik hun dossiers ga lezen?
Toch zou ik het interessant vinden als er ergens een dossier over mijn vader was. Niet omdat hij fout was tijdens de Duitse bezetting, maar hij werkte wel in Duitsland in de eerste helft van de jaren 1940 – zo heb ik het tenminste altijd begrepen. Dat zat zo: mijn vader, geboren in 1915, was, net als zijn vader en verdere voorvaderen, slager in Zuid-Limburg. Na de dood van zijn vader in 1949 was de slagerij aan de Pannesheiderstraat in Kerkrade, in de wijk Bleijerheide, ook een aantal jaren die van mijn ouders. Ze woonden boven, waar twee van de drie kinderen werden geboren, het tweede, in 1952, was ik. Duitsland was niet ver, achter de slagerij lag de grens enkele tientallen meters verderop, en als je met je rug naar het pand stond en je keek naar rechts kon je bijna de grensovergang zien, zeshonderd meter is de afstand zegt Google Maps. Die kant liep of fietste mijn vader op om ergens aan de andere kant van de grens bij een slagerij of een slachthuis te gaan werken. Meer heeft hij ons kinderen nooit verteld. Gebeurde dat werken in het kader van de Arbeitseinsatz? Zou dat ergens te vinden zijn? In elk geval niet in het uiterst zuinige familiearchief, waar eigenlijk alleen het diploma ‘Vakbekwaamheid als runder-, varkens- en lamsslager’ bewaard is dat mijn vader eind 1941 behaalde.
Het enige document in
het familiearchief dat potentieel betrekking heeft op werken voor de Duitse
bezetter is een Identiteitskaart op naam van Max, geboren in 1927, een Belg
zegt de kaart, en ook dat Max een ruin was en een trekpaard. Max was de
werkknol van mijn opa van moederskant, die een café en een depot van de
Gulpener Bierbrouwerij runde. De identiteitskaart werd op 4 januari 1944
uitgereikt door de Provinciale Voedselcommissie voor Limburg namens het
Bedrijfschap voor Vee en Vleesch, ze vermeldt ook nog dat Max was opgenomen in
de registratie van de Duitse Wehrmacht. Of Max in dat verband nog actief
geworden is moet nog nader worden onderzocht.
vrijdag 13 september 2024
maandag 1 april 2024
Weg
Vandaag een jaar geleden kwam ik terug van weg geweest. Ik
had waar ik was een werkplek gevonden in een mooie, heldere en lege kamer,
zonder al het papier dat thuis altijd in de weg ligt. Alleen mijn laptop op het
bureau, vitrinekasten rondom met af en toe een smaakvol voorwerp en aan een
stuk vrij gebleven muur een abstract, monochroom kunstwerk, grijswit op
gebroken wit een cirkelvorm. Ik keek er met plezier naar en bedacht dat ik er
ook zo een wilde hebben. De volgende keer dat ik van mijn werk zou opstaan wilde
ik kijken wie de kunstenaar was.
Het was een rustige werkomgeving. Af en toe hoorde ik
gepraat ergens anders in huis. Wat een aardige mensen, dacht ik, dat ze me hier
zo in alle rust laten werken.
Van het kunstwerk maakte ik ook een paar foto’s, maar dat
was veel later, een paar dagen nadat ik uit het kunstmatige coma was ontwaakt
waarin ik had verkeerd nadat er op 23 maart 2023 iets verkeerd was gegaan bij
een darmoperatie. Negen dagen later, op 1 april dus, werd ik weer wakker en leek
ik, ondanks mijn afwezigheid, toch van alles te hebben meegemaakt. Zoals het
verblijf in die prettige werkruimte. Ik had het daar vreemd gevonden dat er af
en toe opeens een paar dames in witte kleren de kamer binnenkwamen en rustig
overleggend via een andere deur weer verdwenen, maar na 1 april begreep ik
waarom dat was: ik lag nu in een rustige, wit geschilderde en vrij lege kamer
op de intensive care. Omdat ik alleen lag gebeurde er weinig, af en toe kwam er
verplegend personeel binnen dat even keek of alles in orde was.
Het mooie kunstwerk bleek ook hier aanwezig: het ventilatierooster
hing boven mijn bed.
dinsdag 12 maart 2024


zaterdag 16 september 2023
Onze kleindochter van bijna drie struint graag door onze kamers boven om dingen te bekijken en te bevragen die ze ergens anders niet tegenkomt. Zoals de spaarpot die ergens een beetje aan het oog onttrokken een curiosum met een verhaal staat te wezen.
Dat verhaal is dit: in onze katholieke jeugd hadden wij een heeroom, die geen echte heeroom was maar een vriend van de familie die zo genoemd werd. Eerst was hij missionaris in Afrika, hij stuurde eind jaren vijftig, begin jaren zestig brieven met mooie postzegels, eerst van de Gold Coast, later stond er de mededeling op dat Ghana in 1957 onafhankelijk was geworden, nog later stond er alleen maar Ghana op de zegels.
Heeroom kwam terug uit Afrika en werd pastoor in een Duits dorp, niet ver van Zuid-Limburg. Daar gingen we af en toe op bezoek. Bij een van die bezoeken kregen wij kinderen een missiespaarpot van hem. Omdat het een Duitse pastorie was en de spaarpot de vorm had van een zittend zwart jongetje met een mand met een gleuf op zijn schoot en een hoofd dat loszat en bewoog als je een munt in de gleuf stopte, heette zo’n spaarpot een ‘Nickneger’. En zo heet het ding ook sinds de jaren zestig bij ons in de familie, al zeggen we het woord, als we het al zeggen, heel zachtjes en beschroomd.
Als onze kleindochter er is noemen we het ding gewoon een spaarpot. Zij ziet nergens kwaad in. Het jongetje lijkt sterk op een van de poppen waar ze thuis mee speelt. Uiteraard vindt ze het leuk om een munt in de gleuf te stoppen en het hoofd te zien bewegen. Ze vindt het wel vreemd dat dat hoofd alleen maar naar voren en achteren kan knikken. Ze zou graag willen dat het mannetje niet alleen ‘ja’ maar ook ‘nee’ kon zeggen. En wie zou dat nou niet willen, historisch gezien.
donderdag 7 september 2023
Het is, ik geef het meteen toe, niet iedereen gegeven, het lezen van Duitse teksten die in Fraktur zijn gezet, de letters die ze hier meestal ‘Gotisch’ noemen. Als je teksten in Fraktur niet hoeft te lezen, moet je het ook niet doen, maar als het wel moet, beroepshalve bijvoorbeeld, is het handig om het ook te kunnen.
Maar het is niet waarschijnlijk dat een Duitse uitgever zichzelf een ‘Verlagsgefellichatt’ noemt en een al even niet-bestaand woord als ‘geldgunen’ op de titelpagina zet, ook niet als het ‘lieben geldgunen’ zijn. Wat er wel staat, kunnen we op de titelpagina zien: het is een ‘romantische Liebesgeschichte in sieben Gesängen’, uitgegeven door de Berlijnse uitgeverij Harmonie, een ‘Verlagsgesellschaft für Literatur und Kunst’. Met een paar hoofdletters meer dan in de titelbeschrijving. Rideamus – ik zou dat, als ik dit boek zou aanbieden, vermelden – is het pseudoniem van de Duitse schrijver Fritz Oliven (1874-1956). Ook zou ik laten weten dat de illustrator leefde van 1882 tot 1939. Het zou bij de verkoop kunnen helpen. En dat de tekst een libretto is voor een compositie van Oscar Strauss (1870-1954).
Die informatie is, als je een paar minuten moeite doet, niet zo moeilijk te vinden. Dat geldt minder voor de vaststelling wanneer van dit boek nu de eerste druk is verschenen. De verkoper lijkt te suggereren dat het hier om zo’n eerste druk gaat, hij leest ‘zwei tausend’ op de titelpagina en presenteert dat, zo lijkt het, als de grootte van de oplage van de eerste druk, maar er staat in feite ‘Zwanzigstes Tausend’ – het is dus geen eerste druk. De verkoper geeft 1914 als jaar van verschijnen aan, en misschien staat dat wel ergens in het boek, maar dat mogen we ook weer betwijfelen omdat we, met weer een minuut tijdsinvestering, in de catalogus van de Deutsche Nationalbibliotheek zien dat in 1914 de oplage al boven de 40 duizend was gestegen. Het exacte jaar van de eerste publicatie moet ik u schuldig blijven: dat kost te veel zoektijd voor een stukje als dit. In de gauwigheid kan ik kiezen uit een aantal jaartallen aan het begin van de twintigste eeuw.