dinsdag 1 januari 2019


‘Heb jij ooit Lampo op H2 S04 gezet?’ De vriendschap tussen Gust Gils en Willem Frederik Hermans [2015]


Het archief van Willem Frederik Hermans in het Letterkundig Museum in Den Haag en de Gust Gils-collectie in het Letterenhuis in Antwerpen bevatten de briefwisseling tussen de twee auteurs. De bewaarde brieven documenteren een vriendschap in al zijn aspecten tussen twee belangrijke auteurs met verwante opvattingen over literatuur en kunst. Dit artikel geeft een overzicht van de inhoud en de aard van de correspondentie tussen Hermans en Gils en pleit voor een wetenschappelijke editie van de volledige briefwisseling.

Op het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis in Den Haag worden de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans bezorgd (Hermans 2005).[1] Een van de belangrijke hulpmiddelen bij dat werk is het enorme archief dat Willem Frederik Hermans heeft nagelaten. In dat archief zit bijna alles wat een bezorger nodig zou kunnen hebben. Bijna, want er zijn bijvoorbeeld nauwelijks manuscripten of typoscripten bewaard, en er zijn geen dagboeken. Maar er zijn wel – en dat is belangrijk voor het documenteren van de werkwijze van Hermans en voor de tekstconstitutie van het werk – drukproeven, correctie-exemplaren enzovoort, er zijn thematische dossiers, en er is heel veel correspondentie. Het archief-Hermans bevat honderden briefwisselingen met schrijvers, wetenschappers, kunstenaars, vrienden, uitgeverijen, tijdschriftredacties, lezers, verzekeringsbedrijven, auto-importeurs, enzovoort, enzovoort, etc. Hermans schreef brieven omdat het nodig was voor zijn dagelijks leven en zijn werk, en vaak ook omdat hij het leuk vond. Voor de bezorgers van de Volledige Werken is van groot belang dat Hermans zijn correspondenties bewaarde, niet alleen de brieven die hij ontving, maar ook dat wat hij zelf verstuurde. Vanaf begin jaren veertig schreef hij zijn brieven – meestal – op een schrijfmachine, mét doorslagen, en ook van uitgaande handgeschreven brieven of briefkaarten maakte hij soms doorslagen of afschriften. Dat duidt op een journalistieke houding (Hermans legde ook een groot aantal thematische dossiers aan), maar je zou het ook als wantrouwen kunnen beschouwen. Als je ziet hoe hij dat wat hij bewaarde in polemieken en andere woordenwisselingen gebruikte, dan kun je concluderen dat hij al vroeg redenen zag om zichzelf goed te documenteren. Die houding leverde een zeer uitgebreid archief van zo’n dertig strekkende meter op.
Omdat de Volledige Werken elk deel vergezeld laten gaan van een uitgebreid nawoord over de ontstaans- en publicatiegeschiedenis van de afzonderlijke werken van Hermans is dit archief voor de bezorgers een goudmijn, en daarom ook is het correspondentiegedeelte ter voorbereiding van de editie helemaal doorgewerkt en nagekeken op nuttige informatie, vaak in de vorm van bruikbare citaten. En die citaten worden nu met vrucht en plezier gebruikt in de commentaar bij de afzonderlijke delen, waarvan er sinds 2005 twaalf zijn verschenen. Alle briefwisselingen zijn potentiële bronnen voor het Hermans-onderzoek: zelfs Hermans’ correspondenties met auto-importeurs en garagebedrijven kunnen zonder problemen in verband worden gebracht met de literatuur (zie bijvoorbeeld Gielkens 2013). Maar het zijn natuurlijk vooral de briefwisselingen met schrijvers waarvan ook het algemeen publiek veel verwacht. Een paar van dergelijke correspondenties zijn intussen verschenen: die met Gerard van het Reve (Maas e.a. 2008), met Ferdinand Bordewijk (Keja e.a. 2011) en met Rudy Kousbroek (Otterspeer 2009). Ook Hermans’ briefwisseling met uitgever Geert van Oorschot is gepubliceerd (Maas 2003, Maas 2004). Het zou goed zijn voor de literatuur en de wetenschap als daar op den duur die met Gust Gils bij zou komen, want het is om allerlei redenen een belangrijke correspondentie. In algemene termen is ze van belang omdat ze in de dertig jaar dat ze duurde een gedetailleerd beeld schetst van een vriendschap tussen twee auteurs die zich met elkaar verwant voelden en die die verwantschap in hun brieven uitvoerig met elkaar deelden, juist omdat ze vrienden waren. In het onderstaande wil ik een indruk geven van deze schrijversvriendschap, zoals ze in de briefwisseling is gedocumenteerd.[2]

Vriendschap
Er heeft al iemand geschreven over de relatie Gils-Hermans. Willem Otterspeer, de biograaf van Willem Frederik Hermans (Otterspeer 2013),[3] liet in 2012 zijn licht schijnen over de briefwisseling naar aanleiding van een bezoek aan de Antwerpse Gils-collectie (Otterspeer 2012). Uiteraard thematiseert hij de term ‘vriendschap’. Volgens Otterspeer openbaart de briefwisseling Gils-Hermans ‘iets wat je moeilijk met het gewone stervelingenwoord “vriendschap” kunt noemen’, en hij voegt daar aan toe: ‘maar wel een openheid die vrijwel uniek is in de analen[sic!] van de paranoia’. Otterspeer citeert ter ondersteuning Hermans’ essay ‘Snerpende critiek’ uit 1946: ‘Hoe meer men literator is, hoe meer men bevriend zal zijn met de mensen om de ideeën die zij belichamen; de anderen zijn niet meer dan “materiaal”’ (Hermans 1946b, 707). Dat citaat kan scherper overigens, en Hermans zou ook liever hebben gehad dat we die versie citeerden, want hij herschreef ‘Snerpende critiek’, nu ‘Snerpende kritiek’ getiteld, niet voor niets in 1964 voor Mandarijnen op Zwavelzuur, zijn afrekening met de Nederlandse literaire wereld: ‘Hoe meer iemand een schrijver is, hoe meer hij met anderen bevriend zal zijn om hun ideeën. De rest van de mensheid interesseert hem hoogstens als materiaal’ (Hermans 1964).[4] Otterspeer concludeert in elk geval: ‘Gils had het dus kunnen weten.’ Hij bedoelt: Hermans zag Gils alleen als werkmateriaal en nam hem daarom niet al te serieus, en Gils was te dom om dat te begrijpen. Dat Gils volgens Otterspeer bij voorbaat aan de verliezende kant staat moet ook uit de titel van het artikel blijken: ‘Hermans en de goede Gust’. Maar ik deel die visie niet. Ik ben van mening dat er sprake was van een gelijkwaardige vriendschap.
Hermans heeft zich in enkele interviews over het thema van de vriendschap uitgelaten. In 1973 zei hij, geheel in lijn met zijn uitspraak uit ‘Snerpende kritiek’: Vrienden heb ik nauwelijks. Iedereen weet dat. Het is voor veel mensen moeilijk bevriend te zijn met een auteur. Alles wat zij zeggen, kan ten slotte in een roman terechtkomen. Mijn goede raad: zoek nooit vriendschap met auteurs. Zij dragen een aureool van verraad. Zij moeten terwille van hun kunst rücksichtslos zijn’ (De Mari e.a. 1973). In 1969 was hij milder geweest, maar dat was dan ook op Curaçao, tijdens een verblijf in Caraïbisch Nederland, waarover hij met De laatste resten tropisch Nederland zijn meest empathische en vriendelijke non-fictieboek schreef, al klaagde hij vóór de reis wel in een brief aan Gils over het feit dat hij moest worden ingeënt ‘tegen de pokken, de kinkhoest, de mazelen, de dysenterie, de zwarte pest, de builenpest, de cholera, de witte tornado, de blauwe koorts, de gele koorts, de rode koorts, de tyfus en de goudkoorts.’[5] Op de vraag van een interviewster aan Hermans of hij over iemand om wie hij gaf ironisch zou kunnen schrijven zei hij daar op Curaçao: ‘Ik geloof het niet,’ en datzelfde antwoord kwam op de vervolgvraag, of hij ‘[ü]berhaupt niet [zou] kunnen schrijven over mensen op wie u gesteld bent?’ (Snijders 1969). Hermans heeft in elk geval Gust Gils nooit literair verwerkt. Hermans op zijn beurt komt wel voor als personage (‘Hermans’) uit een droom in de tekst ‘De laatste zonnesteen’ in Gils’ bundel Met de noorderzon op stok uit 1960 (Gils 1960, 44-46).[6]
In een interview in 1970 zei Hermans: ‘Ik geloof dat vriendschap maar een vaag idee blijft als het niet op een bepaalde belangengemeenschap gebaseerd is. ’t Is zo: je kunt beter met elkaar bevriend zijn als je elkaar nodig hebt. […] Ik ben geen man voor vriendschappen ins blaue hinein. Hoewel ’t wel eens z’n bekoring kan hebben om lief te zijn voor iemand zonder enig bij-oogmerk. Maar dikwijls breekt je dat zuur op, naderhand’ (Meijer 1970).[7] Hoewel er natuurlijk sprake was van een belangengemeenschap, zou het wel eens zo kunnen zijn dat de vriendschap tussen Gils en Hermans er een was zonder enig ‘bij-oogmerk’.
Ik hoef niet, zoals Otterspeer, een biografie te schrijven met één centraal thema waarop alle lijnen moeten uitkomen. Ik ben dan ook van mening dat we bij Gils en Hermans zonder enige reserves van een vriendschap kunnen spreken, en juist die openheid die Otterspeer noemt – maar dan zonder ‘anale’ paranoia – zou daarvoor mijn voornaamste argument zijn.
Hermans gebruikt zelf in enkele brieven aan Gils het woord vriendschap. Bijvoorbeeld op 24 oktober 1966, naar aanleiding van excuses van Gils uit schuldgevoel over het niet-bedanken voor een geschenk. Hermans schrijft: ‘Het verandert niets voor mij dat je dat niet gedaan hebt, in mijn vriendschapsgevoelens bedoel ik, en ik hoop dat het ook in jouw gevoelens van vriendschap niets verandert.’[8] Of drie jaar later, op 17 november 1969, na een lange, nogal sombere klacht over de democratiseringsgolf aan de Groningse universiteit en daarmee verbonden twijfels over een fulltime-schrijverschap: ‘Ik zou, al is het maar om een vriend een paar oprecht gemeende opbeurende woorden te kunnen zenden, een minder neerdrukkende levensopvatting willen hebben, dan ik nu eenmaal heb.’[9] 
Opdracht voor Willem Frederik Hermans in Gust Gils, Ziehier een dame uit 1957 (collectie Nick ter Wal, Groningen)

Het begin van de vriendschap
De in Den Haag en Antwerpen bewaarde briefwisseling tussen Gust Gils en Willem Frederik Hermans omvat in totaal meer dan tweehonderd brieven, ca. 125 van Gils en ca. 85 van Hermans.[10] Dat is, zoals aan de al verschenen briefwisselingen goed te is zien, bij Hermans de normale verhouding tussen ontvangen en verzonden brieven. De briefwisseling loopt van 1955 tot 1984. Regelmatig is de correspondentie van 1956 tot 1969, daarna nog incidenteel, en ook dat is een beeld dat bij veel Hermans-correspondenties voorkomt.
            Het begin van de briefwisseling is van de overrompelende soort. Op 30 juli 1955 begint Gils zijn eerste brief aan Hermans aldus: ‘[I]k val u niet graag lastig, maar ik zie werkelijk geen andere mogelijkheid meer.’[11] De wanhoop van Gils gaat over het feit dat hij antiquarisch een nieuw maar verramsjt exemplaar van Hermans’ gedichtenbundel Hypnodrome (Hermans 1948) had gekocht. Hij was zo onder de indruk dat hij de rest van de ramsjpartij opkocht en aan vrienden uitdeelde. Toen die op waren raakte Gils ook nog ‘op jammerlijke wijze’ zijn eigen exemplaar kwijt. Wat die ‘jammerlijke wijze’ precies was zou hij in 2001, in een tekst ter herdenking van Hermans, vertellen. Dat laatste exemplaar had hij aan zijn buitenechtelijke geliefde uitgeleend: ‘Toen de zeer gespannen en minder dan twee maand geduurd hebbende verhouding ten einde liep, heb ik tijdens de dramatische afscheidsscène dat bewuste exemplaar verscheurd…’ Gils vroeg in zijn brief aan Hermans of die nog een exemplaar over had, en die stuurde er inderdaad een, met de opdracht ‘Aan de hypnodromer / Gust Gils / van W.F. Hermans / Groningen 5 Aug. ’55’ en met de volgende begeleidende brief: ‘Buitengewoon getroffen door de moeite die u zich getroost hebt een ex. van mijn versjes te bemachtigen, zend ik u met veel genoegen het laatste dat ik zelf bezit, aangezien u er, klaarblijkelijk, veel meer op gesteld bent dan ik’ (Gils 2001).[12] Er gaat dan in 1955 nog een briefje van Gils naar Hermans[13] en de vriendschap is gesloten.
Het is belangrijk vast te stellen wat hier de situatie was: twee jonge schrijvers, dertigers, maken kennis met elkaar. Hermans is drie jaar ouder. Gils is net gedebuteerd met enkele bundels poëzie in eigen beheer (Gils 1953, Gils 1954), Hermans had al een boek of tien gepubliceerd, waaronder drie romans,[14] voor de rest schreef hij veel recensies en ander beschouwend werk, dat veel weerstand opriep. Begin 1955 was zijn eerste Mandarijnen-op-zwavelzuur-pamflet verschenen (Hermans 1955), de discussies daarover waren bezig toen Gils en Hermans kennismaakten. De reden dat Gils contact zocht waren dus de surrealistische gedichten van Hermans, waar Hermans op dat moment al zo veel afstand had genomen dat hij zijn eigen exemplaar van de betreffende bundel weggaf – of deed alsof. De twee laatste grote romans die Hermans had gepubliceerd, De tranen der acacia’s (1949) en Ik heb altijd gelijk (1951), waren traditioneel van vorm, maar hij was niet tevreden over de ontvangst. Het feit dat hij in 1952 als fysisch-geograaf aan de universiteit Groningen ging werken en in 1955 promoveerde[15] duidt erop dat hij wellicht aan een wetenschappelijke carrière de voorrang wilde geven en de literatuur op het tweede plan wilde laten komen. Wellicht daarom ook voelde hij zich midden jaren vijftig vrij om minder traditioneel en minder toegankelijk grotesk proza te publiceren in zijn De God Denkbaar Denkbaar de God (1956) en in Drie melodrama’s (1957).
Persoonlijk, in levenden lijve, zouden Gils en Hermans elkaar overigens pas eind 1957 leren kennen. Tot die tijd vousvoyeerden ze elkaar. Op 7 december 1957 kwam Hermans naar Gent om daar in de Boekuil te ‘prediken’ door uit De God Denkbaar Denkbaar de God voor te lezen en daarmee zijn ‘apostolische taak [te] verrichten’.[16] Een paar maanden later refereerde Gils aan dit optreden in een artikel met de titel ‘Hermans is hier geweest’, dat vooral een algemene introductie op Hermans moest zijn en een rechtzetting van het over het algemeen negatieve beeld dat er op dat moment van Hermans bestond: ‘De lektuur van Hermans verwekt onbehagen bij de doorsneelezer, omdat zijn stijl niet is afgestemd op het model van de luie stoel waarin die lezer zich heeft neergevlijd. / Ondanks dit alles zijn de schrijverskwaliteiten van Hermans zo pertinent, dan men er met de slechtste wil niet heeft kunnen aan voorbijzien’ (Gils 1958).[17]
Een belangrijke brief uit het begin van de vriendschap tussen beide schrijvers was er een van Gils van 22 januari 1956, die eigenlijk alleen maar bestaat uit het naschrift bij een rondschrijven van het ‘Muzeum voor Kleine Kurioziteiten’, Gils’ deels fysieke, deels mentale verzameling van artistieke en literaire documenten en concepten.[18] Het zou mij niet verbazen – verdere aanwijzingen daarvoor ontbreken voorlopig – wanneer Hermans na lezing van dit rondschrijven met zijn absurdistische logica begreep dat Gils een literaire en artistieke bondgenoot was, en het zou me ook niet verbazen wanneer er een direct verband bestond tussen deze brief en het begin, een paar weken later, van Hermans’ werk aan zijn absurdistisch-grotesk prozawerk De God Denkbaar Denkbaar de God, dat nog in datzelfde jaar 1956 zou verschijnen. Hermans had de surrealistische poëzie in 1954 vaarwel gezegd, en ook in zijn meer traditionele romans zag hij geen toekomst. Met De God Denkbaar Denkbaar de God en Drie melodrama’s een jaar later sloeg hij een weg in die hem op dat moment meer bevredigde, en Gils was daarvan wellicht dus de aanstichter.
Na de persoonlijke kennismaking eind 1957 begint de correspondentie pas echt. Het aantal brieven per jaar gaat tussen 1956 en 1969 van enkele tot ruim veertig per jaar, met een gemiddelde van ongeveer 1 per maand. Het zijn over het algemeen langere brieven, waarvoor beide correspondenten de tijd genomen hebben. Veel brieven, zeker in het begin, hebben, althans in het archief-Hermans, bijlagen: collages en tekeningen, vaak bedoeld voor het Muzeum voor Kleine Kurioziteiten, ook krantenknipsels en brieven van en aan Gils’ dochters Flora en Leentje en Hermans’ zoon Ruprecht (die in 1955 geboren was). De enkele bewaarde bijlage bij de brieven van Hermans aan Gils zijn in het Gils-archief afzonderlijk bewaard bij het materiaal van het Muzeum voor Kleine Kurioziteiten, net als enkele bijzondere briefkaarten.
De vriendschap tussen Gils en Hermans uitte zich in de loop van de jaren in veel lange brieven met een gevarieerde inhoud, die toch meestal de literatuur betrof, maar die ook leidde tot bezoeken over en weer, met of zonder kinderen en echtgenotes. Vooral dat mét kinderen en echtgenotes lijkt mij een teken van vriendschap, die in de brieven vaak in details duidelijk wordt. Hermans vraagt bijvoorbeeld, in de aanloop van een Vlaams bezoek per auto aan Nederland, of de familie Gils wel nasi goreng lust, en hij geeft ook gedetailleerde en consideratieve, meelevende reistips naar Haren bij Groningen (waar Hermans sinds 1952 aan de universiteit werkte): ‘Maar je zou ook bij Meppel rechtsaf kunnen gaan richting Beilen, en dan via Eursinge en Beilen naar Assen. Dat is een heel mooie weg, niet langs water. Water boezemt namelijk de vreemdeling soms angst in, vooral als het hard waait en dat doet het.’[19]
Er wordt in de brieven, zoals gezegd, veel over literatuur geschreven, alle genres en veel schrijvers komen langs, Franz Kafka, Jack Kerouac, H.G. Wells en Vladimir Nabokov[20] bijvoorbeeld, maar ook sciencefiction-auteurs en C.G. Jung. Over Nederlandstalige literatuur uit Nederland en Vlaanderen gaat het niet zo vaak, behalve in de korte periode dat Gils en Hermans samen in de redactie van Podium zitten.[21] Hermans had gedurende zijn hele carrière weinig belangstelling voor Vlaamse schrijvers, Gils vanzelfsprekend wel. Er ontstaat bijvoorbeeld irritatie wanneer ze begin 1965 hartgrondig van mening verschillen over het Podium-redactielidmaatschap van René Gysen. Gils wijst Hermans helder op het verschil in hun beider posities: ‘Wat René Gysen betreft, tja, wat daar nog over te zeggen? Voor jou is hij niet meer dan een literaire figuur, voor mij ook nog iemand die ik sinds jaren goed ken, goed genoeg om een idee te hebben van zijn kwaliteiten: eerlijkheid, betrouwbaarheid, intelligensie – en ook van zijn gebreken: een zekere zwakheid van karakter, een gebrek aan kritiek wat betreft de samenwerking met sommige mensen – uit een neiging om te “breed” te zijn, veronderstel ik. Maar daarom is hij nog niet karakterloos. Als Dubois, waar Gysen argeloos mee in één redaksie zit, jou doet steigeren, bedenk dan dat het over de staatsgrens heen, en dat in beide richtingen, niet altijd zo duidelijk is wie als le dernier des cons figureert. Heb jij ooit Lampo op H2 SO4 gezet?’[22] Hermans had inderdaad Hubert Lampo nooit op zwavelzuur gezet; hij vermeldt hem een keer in Mandarijnen op zwavelzuur, maar als ‘literator van naam’ die Bonjour Tristesse van Françoise Sagan had vertaald (Hermans 1985, 30); ook andere Vlamingen (Gaston Burssens, Willem Elsschot, Maurice Gilliams) worden slechts terloops vermeld. De enige Vlaming die in de Mandarijnen meer – en wel negatieve – aandacht krijgt is Julien Weverbergh.[23]
Het eigen werk en dat van de ander komen natuurlijk ook ter sprake, maar terwijl Gils zeer enthousiast is over De God Denkbaar, Denkbaar de God, De donkere kamer van Damokles (1958) en Nooit meer slapen (1966), zijn de reacties van Hermans op wat Gils hem toestuurt zuinig: op 4 januari 1966 dankt Hermans na ontvangst van Gils’ bundel Een plaats onder de maan (Amsterdam 1965) ‘voor het nobele gevaar deze aan een poëzie-onkundige te hebben toegestuurd’.[24] Een paar maanden eerder was er een soortgelijke reactie: ‘Je prachtig gedrukte bundel bereikte mij. Het is een meesterlijk stuk drukwerk. / Over de inhoud, hoewel gering in omvang, kan ik helaas niet veel zeggen. Verschaft mij grote mnemotechnische moeilijkheden. / Wees hierdoor niet boos, beledigd, verdrietig of ontmoedigd. / Ik zeg immer altijd alles precies gelijk ik het meen.’[25] De enige keer dat Hermans een oordeel over Gils schriftelijk publiek maakte was in het essay ‘Wittgenstein’s levensvorm’, dat voor het eerst eind 1963 werd gepubliceerd in Podium en een jaar later jaar gebundeld in Het sadistische universum. Nadat hij Wittgenstein uit diens Philosophische Untersuchungen heeft geciteerd – ‘De taal is een labyrint van wegen. Je komt van de ene kant en kent de weg; je komt van een andere kant op dezelfde plaats en kent de weg niet meer. / Ik kan bij voorbeeld, zoals de zaken staan, een spel uitvin­den dat nooit door iemand gespeeld wordt. – Maar zou ook dit mogelijk zijn: Onderstel dat de mensheid nooit spelen gespeeld heeft; maar op een keer had iemand een spel uitge­vonden, – dat dan natuurlijk nooit gespeeld werd?’ – schrijft Hermans: ‘Iets als dit laatste zou Gust Gils geschreven kunnen hebben. Een onderzoek in hoeverre Gils humoristische bedoelingen heeft, moet hier achterwege blijven. Maar dat velen bij zijn proza in de lach schieten, kon ik waarnemen op een voor­leesavond, dus...’ In de boekuitgave van Het sadistische universum voegde hij daar, in een hoofdstukje ‘Achteraf’ ter afsluiting van het boek, nog aan toe: ‘Gils: bv. een verhaal als “Versnipper het Dorp” (in Verbanningen, Amsterdam 1964)’.[26] Die aanprijzing was zuiniger dan wat Hermans eerder in een brief aan Gils had laten weten: ‘“Versnipper het dorp” was bijzonder naar mijn smaak’.[27]
Minder zuinig en over het algemeen wél inhoudelijk was de lof die Gils Hermans toezwaaide, bijvoorbeeld naar aanleiding van het verschijnen van De donkere kamer van Damokles: ‘ik heb me dezer dagen de donkere kamer van damocles aangeschaft. las het in één ruk (lees dag) uit. […] dat ik het mooi vond (wat je inderdaad hoopte) is nogal zwak uitgedrukt. moet ik zeggen dat het me “sterk heeft aangegrepen”? waarschijnlijk wel. ik heb er tenminste de nacht nadien fel van gedroomd, wat me heus niet niet elk jaar overkomt. […] één ding staat na dit boek wel vast – je weet het zelf maar kunt het evengoed bevestigd horen: ik zie niet wie als prozaschrijver in ons taalgebied momenteel naast je zou kunnen staan. ik vergeet van het reve niet, maar hoeveel smaller is zijn spektrum, hoeveel minder allure heeft hij, hoeveel moeizamer schrijft hij!’[28] In zijn reactie op deze brief doet Hermans een van zijn meest verregaande ontboezemingen over De donkere kamer, en dat kwam misschien wel omdat Gils zo’n onverwachte bondgenoot was en dus een oprechte gesprekspartner. Hermans was bang geweest dat Gils het boek ‘niet dadaïstisch genoeg zou vinden’, en omdat hij op een in manuscript toegestuurd fragment geen reactie kreeg, vermoedde hij afkeuring en stuurde hij Gils geen presentexemplaar. ‘Je hebt misschien gehoord,’ schrijft Herman, ‘ dat het boek nogal succes heeft. Er is nog geen enkele afwijzende kritiek op verschenen. Soms denk ik dat ze het doen om mij met mijn Mandarijnen op zwavelzuur voor schut te zetten. Ook had ik dit succes liever aan een boek als De God Denkbaar of een verhaal als De blinde Foto­graaf gegund. Ik kan n.l. niet zeggen dat ik persoonlijk mij bijzonder geamuseerd heb bij het schrijven van De donkere Ka­mer. Ik heb het voornamelijk afgemaakt omdat ik het gegeven zo aardig vond’.[29]
Kenmerkend voor een vriendschap die zich vooral in brieven afspeelt zou ook de moeite kunnen zijn die de correspondenten zich getroostten om mooie brieven te schrijven, in een toon die bij de correspondent past. Dat Hermans zo’n persoonlijke toon zoekt is goed te zien wanneer hij aan twee correspondenten over hetzelfde schrijft. Op 12 maart 1965 verongelukt Hermans met zijn niet lang daarvoor gekochte sportwagen, een Austin Healey 3000 Mk III. Twee weken later, op 12 maart 1965, doet hij in zo’n honderdvijftig woorden kort, bondig en stoer verslag van het ongeluk aan de autoliefhebber Rudy Kousbroek: ‘[J]uist vandaag veertien dagen geleden ben ik in de Wieringermeer het slachtoffer geworden van mijn toenemende hartstocht voor steeds snellere auto’s en met 160 over de kop geslagen. Auto in wrak veranderd, ikzelf eraf gekomen met drie blauwe plekken, dus het was toch een heel goede auto. Was. All risk verzekering blijkt in te houden dat je hoogstens 2/3 krijgt van wat je nodig hebt om een nieuwe te kopen. […]’ (Otterspeer 2009, 29).
Het verslag aan Gils van dezelfde dag begint ook met feitelijkheden over auto en snelheid, maar is voor de rest uitvoerig en nogal poëtisch: ‘Het was die dag het soort lenteweer dat een jaar of dertig geleden nog in gedichten ter sprake werd gebracht: geen wolkje aan de lucht en een soort droge nevel, nesthaar van de jonge lente’. Hermans zet zelf ‘sic!’ achter deze zin en gaat verder: ‘Mijn gedachteleven was niettemin niet opgewekt, o.a. omdat ik in Amsterdam een professor ging feliciteren aan wie ik eigenlijk een hekel heb en hij aan mij. Een grote vrachtauto die ik bezig was in te halen, ging plotseling naar links. Ik dacht dat hij het deed om mij te plagen. Er is niets aan te doen, ik vlieg erop, dacht ik rustig. / Ik hoor breken van glas, ik zie gelaten hoe het linker achterstuk van de vrachtauto het rechter spatbord van de mijne openrijt. Daarna raak ik in een werveling waarvan ik mijn weinig herinner, d.w.z. volgens mijn herinnering heb ik niets meer van het landschap gezien, alleen het interieur van de auto en dit met hetzelfde gevoel dat je op de kermis hebt in die wagentjes die vastgemaakt aan een draaiende schijf in het rond worden geslingerd. Ik voelde niet de minste angst, ik dacht alleen: nu heb ik de zekerheid dat doodgaan inderdaad niets is, het is alsof je in een roes verzinkt, het is eigenlijk wel prettig.’ Enzovoorts.[30]
Willem Frederik Hermans, 'Gedicht', datering onbekend (Letterenhuis, Antwerpen, archief-Gils, G 3978)

Het einde van de vriendschap
Toch was ook de vriendschap tussen Willem Frederik Hermans en Gust Gils er een die, zoals gebruikelijk bij Hermans, niet vrij was van wrijvingen, en die, geheel volgens het beeld van bijna al de gepubliceerde Hermans-correspondenties, voor een van de partijen onbevredigend eindigde. De briefwisseling met de veel oudere Bordewijk eindigde met diens dood, en hier kan ook nauwelijks van een vriendschap worden gesproken. Bij Van het Reve, Van Oorschot en Kousbroek is het telkens Hermans die een eind maakt aan het contact. De frequentie van de briefwisseling tussen Hermans en Gils loopt vanaf 1969 sterk terug. Tussen 1956 en 1969 lag het gemiddelde van de correspondentie, zoals eerder vermeld, bij ongeveer één brief per maand, daarna is er nog slechts incidenteel contact, in sommige jaren geen enkel.
            Hoewel de vriendschap op 8 juli 1969 nog zo was dat Hermans nummer 3 van de tien exemplaren van de tweede druk van zijn zelf geknutselde boekje Zwarte handel (Hermans 1969a)[31] aan Gils opdroeg en hem zijn in augustus verschenen Fotobiografie (Hermans 1969b) stuurt, wordt het daarna steeds stiller, er ontstaat zelfs een stilte die zo ‘oorverdovend’ is dat Gils haar vier maanden later doorbreekt met een brief waarin hij dat woord gebruikt en voor de twee toegestuurde publicaties bedankt.[32] Na het antwoord van Hermans, de al eerder geciteerde brief van 17 november 1969 waarin hij Gils met nadruk een vriend noemt,[33] is het bijna vier jaar stil.
Op vrijdag de dertiende juli 1973 schrijft Gils aan Hermans (die een half jaar eerder naar Parijs was verhuisd): ‘het is al zo lang geleden dat ik nog wat van je hoorde, dat ik me soms met lichte paranoia afvraag of er, buiten mijn weten, een misverstand tussen ons is gerezen. dat ik je bv, door een of andere uitlating of gedraging zou hebben mishaagd’. Hij geeft toe dat hij zelf ook niets van zich heeft laten horen en vermoedt dat het ontbreken van contact te maken heeft met hun beider situatie: ‘ik ben wel geëvolueerd de laatste 3 ½ jaar, er is ook zoveel gebeurd in mijn leven, de schipbreuk van mijn huwelijk is daar nog het minste van. nee ik ben geen jezusfreak of zeloot voor wat ook geworden. Ik hoorde van Freddy dat je zo depressief was de laatste tijd – dat ben ik ook, al 2 jaar nagenoeg kontinu en ik merk dat ik ook kontakten met mensen verwaarloos. maar ik heb ook gemerkt dat twee depressieve personen soms zeer goed tot uitwisseling komen.’ Gils’ resumé: ‘het zou me boeien nog eens met je in aanraking te komen’.[34] Uit het antwoord van Hermans, dat niet ingaat op de suggestie van verwantschap wat depressies en zo meer betreft, blijkt dat de hernieuwing van het contact hem niet boeit, maar hij formuleert het vriendschappelijk: ‘Je brief doet me vrezen dat je zou kunnen denken – omdat ik je zelden of nooit meer schrijf – dat je me iets misdaan had […]. Dat […] is echt niet het geval. / Wat wel het geval is, dat is mijn besef dat ik een heleboel mensen eigenlijk niets meer te vertellen heb, behalve dingen die ze wel niet leuk zouden vinden, of ik moest speciaal iets gaan zitten bedenken. Dat doe ik steeds minder: lui en moe, zullen we maar zeggen. / Dus neem het me niet kwalijk. Ik wens je het allerbeste. […] / Nu, dat is alles, niets om blij mee te wezen, neem ik aan, maar ook niets om je zorgen over te maken.’[35] De reactie van Gils op deze brief is eveneens vriendschappelijk: ‘ik waardeer het dat je zo eerlijk schrijft hoe je tegenover me staat. […] Dat er geen misverstand tussen ons heerst verheugt me, en ik hoop dat dat ook nooit het geval zal zijn.’[36]
            In de ruim twintig jaar tot Hermans’ dood in 1995 volgden nog slechts enkele brieven, waaronder felicitaties met ronde verjaardagen, zoals Hermans’ zestigste in 1981. Na deze laatste felicitatie van Gils is het ruim drie jaar stil. Op 19 november 1984 schrijft hij weer aan Hermans: ‘voor één keer in al die jaren – dat is een laag gemiddelde – wilde ik je een dienst vragen’, en die dienst betreft een aanbevelend tekstje voor op de achterflap van een boek dat Het telefoonnummer van de wereld moest gaan heten, ‘[n]iet dat ik hoop daardoor beroemder te worden, of je anderszins als gangmaker wil misbruiken, maar omdat zulk detail zeker de verkoop niet zal schaden – en die is bij mij al beschadigd genoeg…’ Gils herinnert zich dat Hermans tijdens een lezing in Antwerpen – ‘tot mijn opperste verbazing eerlijk gezegd’ – het verhaal ‘De roerloze vechter’ tot ‘een van de top-10 uit de nederlandstalige verhalenschat’ had verklaard, en die uitspraak wil hij graag op zijn boek citeren.[37] Hermans ziet, zo antwoordt hij een paar dagen later, de uitspraak liever niet als citaat met zijn naam eronder op de achterflap, maar doet wel een handreiking. Hij citeert de uitspraak, die hij blijkbaar op papier had, in zijn brief – ‘Ik beschouw het verhaal over De Roerloze Vechter en diens handgemeen met de berijder van “het tengere tuffertje” als een van de beste tien korte verhalen in de Nederlandse taal. Ik kan het niet herlezen zonder de slappe lach te krijgen.’ – en suggereert vervolgens Gils om na te gaan of deze uitspraak op de een of andere manier in een krantenverslag is terechtgekomen, dat Gils dan weer op zijn boek kan citeren.[38] Maar dat zou niet gebeuren. Het bedoelde boek zou in 1985 bij De Bezige Bij verschijnen onder de titel Het zoemen van de bierkaai, ‘Hoe ik het telefoonnummer van de wereld kwijtraakte’ is daarin de laatste tekst.[39] In het archief van Hermans is geen antwoord van Gils bewaard, en er zijn ook geen overige tekenen van later contact.

Noten
[1] Tot nu tot (zomer 2013) zijn 12 delen verschenen: 1 (2005), 2 (2008), 3 (2010), 4 (2012), 5 (2013), 7 (2006), 9 (2011), 11 (2008), 12 (2006), 13 (2010), 14 (2011), 15 (2012). De wetenschappelijke editie bestaat uit de boekpublicaties, aangevuld met gegevens op de projectwebsite www.wfhermansvolledigewerken.nl. Projectleiders en editeurs zijn Peter Kegel en ondergetekende; Bram Oostveen en Marc van Zoggel zijn onderzoekmedewerkers. De Volledige Werken verschijnen in een samenwerkingsverband tussen het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis in Den Haag, uitgeverij De Bezige Bij in Amsterdam en het Willem Frederik Hermans instituut.
[2] De brieven bevinden zich in het Hermans-archief in het Letterkundig Museum in Den Haag en in het Gils-archief in het Letterenhuis in Antwerpen.
[3] De relatie met Gust Gils zal naar verwachting in deel 2 van de biografie (verschijning aangekondigd voor november 2014) aan de orde komen.
[4] Geciteerd naar de laatste bij leven verschenen ‘vierde druk, zesde oplage’: Hermans 1985, de versie die zal worden opgenomen in deel 16 van de Volledige Werken (in voorbereiding).
[5] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 15 december 1968, doorslag in het archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[6] In het archief-Gils in het Letterenhuis bevinden zich ook enkele versies in machine- en handschrift van een toneelstuk van Gils dat ‘Vampiers en vegetariërs’ getiteld is en dat aan Hermans is opgedragen. De inhoud, een absurdistisch tafereel met drie personen (‘Donald C. Klei, handelsreiziger en wapensmokkelaar’, ‘Een schildwacht’, ‘Een koning’), geeft op het eerste gezicht geen aanwijzing voor een direct verband met Hermans of zijn werk. Het stuk is ongedateerd, maar getypt en geschreven op de achterkant van een rapport van de Medisch-sociale Dienst van de Stad Antwerpen uit 1954-1955.
[7] Geciteerd naar de herdruk in Janssen 19833, 232.
[8] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 24 oktober 1966, doorslag in het archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[9] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 17 november 1969, doorslag in het archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[10] In het Hermans-archief beslaat de correspondentie de periode 1955 tot 1984, in het archief-Gils beginnen de brieven in het correspondentiedossier in 1964, met eerdere aanvullingen in het Muzeum voor Kleine Kurioziteiten. Brieven van Hermans uit het het bezit van Gils werden, voordat het archief naar het Letterenhuis ging, te koop aangeboden in 2005 (13, door antiquariaat Demian in Antwerpen) en 2008 (ca. 50 uit de periode 1955-1969, door antiquariaat Marc Van de Wiele in Gent).
[11] Gust Gils aan Willem Frederik Hermans, 30 juli 1955, archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[12] Gils citeert de opdracht en de brief. De brief is niet bewaard, als origineel of als doorslag, in de archieven van de beide auteurs. Ook het opdrachtexemplaar bevindt zich niet in het archief-Gils.
[13] Gust Gils aan Willem Frederik Hermans, 6 aug 1955, archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[14] Behalve de romans Conserve (Hermans 1947), De tranen der acacia’s (Hermans 1949) en Ik heb altijd gelijk (Hermans 1951) en de eerder genoemde gedichtenbundel Hypnodrome (Hermans 1948b) verschenen nog Horror Coeli en andere gedichten (Hermans 1946a), de novellen(bundels) Moedwil en misverstand (Hermans 1948a), Het behouden huis (Hermans 1952), en Paranoia (Hermans 1953), en het afzonderlijk uitgegeven essay Fenomenologie van de pin-up girl (Hermans 1950), allemaal bij Amsterdamse uitgevers. Al deze werken staan intussen in Hermans 2005.
[15] Op 6 juli 1955 in Amsterdam op Hermans 1955.
[16] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 22 oktober 1957, doorslag in het archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[17] Gils stuurde een knipsel van dit artikel aan Hermans met de notitie ‘willem / L.P. Boon heeft ± ¼ geknipt zonder mij te kennen. Ze zijn allemaal dezelfde. gust’ (Archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag).
[18] Zie de bijdrage van Ton van Imschoot in dit boek [= Van Imschoot 2015; aanvulling 2019]; intussen verscheen ook Huijser 2014.
[19] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 1 november 1965, doorslag in archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[20] Hermans aan Gils, 18 januari 1965 (doorslag in het archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag): ‘Bovendien is Lolita Nabokov’s beste boek waarschijnlijk niet, zo min als Damokles mijn beste is, al hebben die twee boeken de resp. twee auteurs verreweg de meeste bekendheid opgeleverd.’ Lolita van Vladimir Nabokov was in 1955 in Parijs verschenen, drie jaar vóór De donkere kamer van Damokles.
[21] Hermans staat in Podium als redactielid vermeld van aflevering 9/10 van jaargang 17 (1962-1963) tot en met aflevering 1 van jaargang 19 (1964-1965), Gils was redacteur van aflevering 3 van jaargang 16 (1961-1962) tot en met aflevering 6 van jaargang 23 (1969). Zie ook Sicking 1986.
[22] Gust Gils aan Willem Frederik Hermans, 1 februari 1965, archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag. De Nederlandse schrijver en criticus Pierre H. Dubois werkte van eind jaren dertig tot begin jaren vijftig gedurende langere periodes in Brussel.
[23] Vanaf de tweede, uitgebreide versie van Mandarijnen op zwavelzuur, die in 1967 verscheen. In de uitgave Hermans 1985 op 236 e.v.
[24] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 4 januari 1966, doorslag in het archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[25] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 16 okt. 1965. Het gaat om de bibliofiele bundel Insomnia Ferox, die in een oplage van 120 exemplaren was verschenen bij de Paradox Press in St. Niklaas.
[26] Geciteerd naar Hermans 2005, deel 11 (2008), 213 resp. 232. In de eerste druk van Het sadistische universum (1964) had Hermans Gils’ tekst ‘Vernietig het dorp’ genoemd, een fout die in de derde druk (1965) werd hersteld. Van deze derde druk stuurde Hermans Gils een exemplaar toe met de opdracht ‘Voor Gust,/ deze derde druk waarin (p.179)/ het dorp eindelijk versnipperd/ wordt, zoals het hoort./ Met excuses voor de vroegere/ drukken./ Willem Frederik/ Gr. 7 juli 65’. Het boek is nu (juli 2014) in het bezit van antiquariaat Demian in Antwerpen (http://www.demian.be/boekhandel/page.aspx#92_192). Van de eerste druk kreeg Gils eerder al een exemplaar, eveneens met opdracht (ibid.).
[27] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 29 februari 1964, doorslag in archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag. ‘Versnipper het dorp’ was gepubliceerd in afl. 2/3 van de jaargang 1963-1964 van Podium (Gils 1963).
[28] Gust Gils aan Willem Frederik Hermans, 4 januari 1959, archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag. De donkere kamer van Damokles (Hermans 1958) had van de eerste tot en met de negende druk Damocles met een ‘c’ in de titel. Zie de Commentaar bij deel 3 (2010) van Hermans 2005, 717 e.v.
[29] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 25 januari 1959, doorslag in archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag. Voor het bredere verband van deze uitspraak zie de Commentaar in Hermans 2005, deel 3 (2010). ‘De blinde fotograaf’ is een verhaal uit Hermans’ bundel Een landingspoging op Newfoundland en andere verhalen (Hermans 1957), nu in Hermans 2005, deel 7 (2006).
[30] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 12 maart 1965, doorslag in archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag. Meer over dit en andere ongelukken: Gielkens 2013.
[31] De eerste druk uit 1965 telde vijf exemplaren.
[32] Gust Gils aan Willem Frederik Hermans, 12 november 1969, archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[33] Zie noot 9.
[34] Gust Gils aan Willem Frederik Hermans, 13 juli 1973, archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[35] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 29 juli 1973, doorslag in archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[36] Gust Gils aan Willem Frederik Hermans, 2 augustus 1973, archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[37] Gust Gils aan Willem Frederik Hermans, 19 november 1984, archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag.
[38] Willem Frederik Hermans aan Gust Gils, 22 november 1984, doorslag in archief-Hermans, Letterkundig Museum, Den Haag. ‘De roerloze vechter’ stond in Gils 1964, 168-174.
[39] Gils 1985, 182-186.

Literatuur
De Mari e.a. 1973
H. de Mari & I. Sitniakowsky, ‘W.F. Hermans, topschrijver vol venijn: “Lachen? Ik doe niet anders!”, in: De Telegraaf, 6-10-1973.
Gielkens 2013
J. Gielkens, ‘“Ik ben nog nooit op een autootje zo verliefd geweest”. Willem Frederik Hermans achter het stuur’, in: De Parelduiker, 1, 1, 2013, 21-36.
Gils 1953
G. Gils, Partituur voor vlinderbloemigen. Antwerpen, eigen beheer, 1953.
Gils 1954
G. Gils, Zeer verlaten reiziger. Antwerpen, Gard-sivik, 1954.
Gils 1958
G. Gils, ‘Hermans is hier geweest’, in: Vooruit, 22-2-1958.
Gils 1960
G. Gils, Met de noorderzon op stok. Zaandijk, Heijnis, 1960.
Gils 1963
G. Gils, ‘Versnipper het dorp’, in: Podium, 1, 2/3, 1963-1964, 68-70.
Gils 1964
G. Gils, Verbanningen. Paraproza. Amsterdam/Antwerpen, De Bezige Bij/Ontwikkeling, 1964.
Gils 1965
G. Gils, Insomnia Ferox. St. Niklaas, Paradox Press, 1965.
Gils 1985
G. Gils, Het zoemen van de bierkaai. Amsterdam/Antwerpen, De Bezige Bij/Contact, 1985.
Gils 2001
G. Gils, ‘“I remember WFH”’, in: R.J. Benders & W. Smulders (red.), Apollo in Brasserie Lipp. Bespiegelingen over Willem Frederik Hermans. Amsterdam, De Bezige Bij, 2001, [105]-[107].
Hermans 1946a
W.F. Hermans, Horror Coeli en andere gedichten. Amsterdam, J.M. Meulenhoff, 1946. Ook in: idem, Volledige Werken, deel 7. Amsterdam, De Bezige Bij, 2006.
Hermans 1946b
W.F. Hermans, ‘Snerpende critiek’, in: Criterium, [4], 13 (oktober 1946), 1945-1946, 705-709.
Hermans 1947
W.F. Hermans, Conserve. Amsterdam, Salm, 1947. Ook in: idem, Volledige Werken, deel 1. Amsterdam, De Bezige Bij, 2005.
Hermans 1948a
 W.F. Hermans, Moedwil en misverstand. Amsterdam, J.M. Meulenhoff, 1948. Ook in: idem, Volledige Werken, deel 7. Amsterdam, De Bezige Bij, 2006.
Hermans 1948b
W.F. Hermans, Hypnodrome. Gedichten. Den Haag, A.A.M. Stols, [1948]. Ook in: idem, Volledige Werken, deel 9. Amsterdam, De Bezige Bij, 2012.
Hermans 1949
W.F. Hermans, De tranen der acacia’s. Amsterdam, Van Oorschot, 1949. Ook in: idem, Volledige Werken, deel 1. Amsterdam, De Bezige Bij, 2005.
Hermans 1950
W.F. Hermans, Fenomenologie van de pin-up girl. Amsterdam, Van Oorschot, 1950. Ook in: idem, Volledige Werken, deel 13. Amsterdam, De Bezige Bij, 2008.
Hermans 1951
 W.F. Hermans, Ik heb altijd gelijk. Amsterdam, Van Oorschot, 1951. Ook in: idem, Volledige Werken, deel 2. Amsterdam, De Bezige Bij, 2008.
Hermans 1952
W.F. Hermans, Het behouden huis. Amsterdam, De Bezige Bij, [1952]. Ook in: idem, Volledige Werken, deel 7. Amsterdam, De Bezige Bij, 2006.
Hermans 1953
W.F. Hermans, Paranoia. Amsterdam, Van Oorschot, 1953. Ook in: idem, Volledige Werken, deel 7. Amsterdam, De Bezige Bij, 2006.
Hermans 1955a
W.F. Hermans, Mandarijnen op zwavelzuur No. 1. Het geweten van de Groene Amsterdammer of Volg het spoor omhoog. Amsterdam, Van Oorschot, 1955.
Hermans 1955b
W.F. Hermans, Description et genèse des dépôts meubles de surface et du relief de l’Oesling. Luxemburg, Service Géologique de Luxembourg,1955.
Hermans 1957
Willem Frederik Hermans, Een landingspoging op Newfoundland en andere verhalen. Amsterdam, Van Oorschot, 1957. Ook in: idem., Volledige Werken, deel 7. Amsterdam: De Bezige Bij, 2006.
Hermans 1958
Willem Frederik Hermans, De donkere kamer van Damokles. Amsterdam, Van Oorschot, 1958. Ook in: idem., Volledige Werken, deel 3. Amsterdam: De Bezige Bij, 2010.
Hermans 1964
W.F. Hermans, Mandarijnen op zwavelzuur. Groningen, De Mandarijnenpers, [1964].
Hermans 1969a
            Willem Frederik Hermans, Zwarte handel. [Haren], De Mandarijnenpers, 1969.
Hermans 1969b
Willem Frederik Hermans, Fotobiografie. Hermans, Thomas Rap, 1969.
Hermans 1985
 W.F. Hermans, Mandarijnen op zwavelzuur. Parijs, De Mandarijnenpers, 1985.
Hermans 2005
W.F. Hermans, Volledige Werken, deel 1 e.v. Amsterdam, De Bezige Bij, 2005 e.v. www.wfhermansvolledigewerken.nl
Huijser 2014
Wim Huijser, ‘Als een vierkant tot een kubus. Opgravingen in Gust Gils’ Muzeum voor Kleine Kurioziteiten’, in: De Parelduiker, 19, 2, 2014, 2-13.
Keja e.a. 2011
M. Keja & A. Kuipers (ed.), W.F. Hermans & F. Bordewijk, Een onmiskenbare verwantschap. Brieven 1944-1965. Amsterdam, De Bezige Bij, 2011.
Maas 2003
N. Maas (ed.), G. van Oorschot, Hierbij de hele God in proef. Brieven aan Willem Frederik Hermans. Amsterdam, Van Oorschot, 2003
Maas 2004
Nop Maas (ed.), W.F. Hermans, Je vriendschap is werkelijk onbetaalbaar. Brieven aan Geert van Oorschot. Amsterdam, De Bezige Bij, 2004.
Maas e.a. 2008
N. Maas & W. Otterspeer (ed.), W.F. Hermans & G. Reve, Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel. Een briefwisseling. Amsterdam, 2008.
Meijer 1970
I. Meijer, ‘Het enige geluk is geluk in slavernij’, in: HP-magazine, 28-10-1970. Ook in: F.A. Janssen (red.), Scheppend nihilisme. Interviews met Willem Frederik Hermans. Amsterdam, De Bezige Bij, 19833, 223-234.
Nabokov 1955
V. Nabokov, Lolita. Parijs, Olympia Pres, 1955.
Otterspeer 2009
W. Otterspeer (ed.), Machines en emoties. Willem Frederik Hermans, Rudy Kousbroek, Ethel Portnoy. Een briefwisseling. Amsterdam, De Bezige Bij, 2009.
Otterspeer 2012
W. Otterspeer, ‘Hermans en de goede Gust’, in: Zuurvrij, juni 2012, 25-31.
Otterspeer 2013
W. Otterspeer, De mislukkingskunstenaar. Willem Frederik Hermans. Biografie, deel I (1921-1952). Amsterdam, De Bezige Bij, 2013.
Sicking 1986
J.M.J. Sicking (red.), Podium. Bibliografische beschrijving, analytische inhoudsopgave, index. Nieuwkoop, De Graaf, 1986.
Snijders 1969
F. Snijders, ‘Hermans was hier’, in: Amigoe de Curaçao, 25-1-1969 & 27-1-1969.
Van imschoot 2015
T. Van Imschoot, ‘Het museum als medium. Over het absurde conceptualisme van Gust Gils’, in: M. Velle et al. (red.), Gust Gils in zijn experiment. Gent, Academia Press, 2015, p. 93-134.

Eerder gepubliceerd in: Matthias Velle et al. (red.), Gust Gils in zijn experiment. Gent: Academia Press, 2015, p. 251-267, de bundeling van bijdragen aan een studiedag over Gust Gils in Gent in december 2012. Uiteraard zou dit artikel op een aantal punten geactualiseerd kunnen worden, maar ik geef er de voorkeur aan het weer te geven zoals het werd gepubliceerd (met een kleine noodzakelijke verwijzende aanvulling in een voetnoot en in de literatuurlijst). De voorgestelde brieveneditie is er helaas nog niet. Hoe dat komt vertel ik in mijn memoires.



vrijdag 21 september 2018

Code rood


Interessant redactioneel commentaar in NRC Handelsblad van 16 september 2018 over de nieuwe ‘Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit’, die de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) heeft gepubliceerd. Een paar dagen eerder stond in dezelfde krant al een uitgebreider artikel over deze nieuwe code, met als meest in het oog springende maar mij niet verrassende conclusie na een rondje langs het wetenschappelijke veld dat minder dan 5 procent van de ondervraagden die code ooit heeft gelezen. De strekking van het redactioneel commentaar is: is het niet vreemd dat we zo’n code nodig hebben, het spreekt toch vanzelf dat wetenschappers netjes werken, hun bronnen melden, niet plagiëren en verzinnen, etcetera, etcetera. Maar dat doen wel degelijk, en daarom is zo’n code nodig, dat vindt ook het commentaar.

‘Niemand zal tegen de in de vernieuwde code voor wetenschappelijke onderzoek samengebalde goede bedoelingen zijn,’ stelt het NRC-commentaar, maar ik vrees dat het daar geen gelijk in heeft. Ik ken in elk geval iemand, een emeritus-hoogleraar en biograaf wiens naam ik zo weinig mogelijk noem, die ooit de tot nu toe gehanteerde code ‘een amalgaam van open deuren en ongefundeerde uitspraken’ noemde. Hij behoorde, zo bleek uit het artikel, tot de minder dan 5 procent van hierboven die de code ooit had gelezen, en dat gold ook, hij zegt het zelf in hetzelfde artikel uit 2016, voor het promotiereglement van zijn universiteit. Een hoogleraar dus die jarenlang mensen laat promoveren zonder het promotiereglement te kennen! Dezelfde hoogleraar overigens, die een jaar later datzelfde promotiereglement met steun van de universiteitsleiding opzij zette om iemand te laten promoveren.

De betreffende hoogleraar kon zo minachtend over de codes en reglementen doen omdat hij wist dat hem niets kon overkomen. Ook al deed hij zo ongeveer alles wat volgens de code niet mag, hij had altijd de steun van zijn vrienden in de universiteitstop, ook al werd er geprotesteerd en geklaagd. Het werkte ongeveer zoals in de katholieke kerk: de interne rechtspraak deed wat van haar verwacht werd, namelijk onder alle omstandigheden de goede naam van de universiteit beschermen. Die rechtspraak, de integriteitscommissie, wordt bevolkt door hoogleraren, en er zitten uiteraard ook juristen bij, die de integriteitscode niet alleen moeten kennen maar hem ook uitvoeren. Het was mooi geweest als de nieuwe code een oplossing voor dit probleem had bedacht, bijvoorbeeld door bij elke klacht iemand van buiten de eigen universiteit onderdeel te laten zijn van de klachtenbehandeling. Ook de in de code voorziene ‘second opinion’ van het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit is namelijk niet per definitie onafhankelijk, terwijl dat wel wordt gepretendeerd.

Het gebrek aan belangstelling ook van universiteiten voor de gedragscode blijkt als we naar de website van de Universiteit Leiden gaan. Op de pagina van de Leidse vertrouwenspersoon voor wetenschappelijke integriteit, die eerder zelf verklaarde kwesties die haar functie aangaan alleen in de krant te volgen, staat een link naar de oude code. Ook op de Leidse universitaire pagina over wetenschappelijke integriteit staat een link naar de ‘Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit’. Het resultaat van die link is dit:




woensdag 12 september 2018


Een vissersscheepje als oorlogsmonument [1995]

Laat ik hem maar eens Ard noemen. Hij komt voor, zonder bij naam te worden genoemd, in Auke Koks boek De verrader. Leven en dood van Anton van der Waals. Deze meesterverrader bracht honderden mensen in moeilijkheden, in het gevang, in het concentratiekamp of in het graf. De Ard over wie het hier gaat behoorde tot de vele slachtoffers van Van der Waals.
          Ard was een van de, zoals ze in het boek worden genoemd, medewerkers van de sociaaldemocratische leider Koos Vorrink, die met zijn Nationaal Comité probeerde leiding te geven aan het verzet tegen de Duitse bezetter. De Vlissingse dokterszoon had op de zeevaartschool gezeten. Via de broer van zijn aanstaande schoonvader, de Fokker-directeur Co van Tijen, was hij bij de activiteiten van het Nationaal Comité betrokken geraakt. Op 29 maart 1943, een paar dagen voor zijn tweeëntwintigste verjaardag, werd Ard in Den Haag gearresteerd in het kader van het meesterstuk van Van der Waals, het Englandspiel. Hij werd gevangengezet in Haaren, samen met Co van Tijen en Koos Vorrink, die een paar dagen later in de val waren gelokt. In september 1944, na Dolle Dinsdag, volgde de overplaatsing naar het concentratiekamp Sachsenhausen.
          Volgens het boek van Kok kregen Vorrink en zijn medewerkers daar een ‘bijzondere’ behandeling, in tegenstelling tot andere slachtoffers van Van der Waals, die hun gevangenschap vaak met de dood moesten bekopen. De suggestie wordt gewekt dat het leven voor Vorrink en de zijnen in het kamp wel meeviel. Maar ik ken het verhaal van Ard, zoals hij het vertelde en voor zijn familie en zijn vrienden opschreef. De bijzondere behandeling beschermde niet tegen honger en niet tegen tbc. De bijzondere behandeling hielp ook niet toen op 21 april 1945 de dodenmars begon, die de dertigduizend gevangenen van Sachsenhausen die nog konden lopen naar de kust moest brengen. Daar zouden ze op schepen worden geladen, die vervolgens tot zinken moesten worden gebracht. Zover kwam het niet. In het bos van Below eindigde de tocht, voor velen in de dood, voor anderen, zoals voor Ard, in uitgeput wakker worden in een stapel lijken. Dankzij de hulp van bewoners van een boerderij in de buurt kon Ard op adem en op krachten komen en de komst van de bevrijdende Russen afwachten.
          Ard is afgelopen zomer overleden. Vanuit zijn sterfbed kon hij zijn eigen, zelfgemaakte oorlogsmonument zien: de Jeishelime. Samen met zijn celgenoot Co van Tijen, net als Ard een geboren zeiler, had hij in de gevangenis in Haaren in mei 1944 een model van een vissersboot, een Zeeuwse hoogaars, gemaakt. Ze gebruikten wat ze hadden, organiseerden een paperclip, wat spelden, een zakdoek, garen en lijm. Bij een bezoek aan de gevangenis mocht de verloofde van Ard de boot meenemen. Die verloofde heette Jet, en zo kwam het schip ook aan zijn naam: Jeishelime – Je-is-he-li-me: Jet is het liefste meisje.
Eerder, op 27 april 1995, gepubliceerd in de rubriek Achterpagina van NRC Handelsblad en hier ongewijzigd overgenomen. Bij het artikel stond een foto die Freddy Rikken van de Jeishelime maakte. Die foto is hier vervangen door een recente. Met dank aan Remmert Wolters.

dinsdag 11 september 2018

Mijn Kampfen

Zal ik ook eens iets over Mein Kampf zeggen? Ik bezit een klein rijtje exemplaren, de nieuwe Nederlandse vertaling heeft nog geen plannen zich daarbij aan te sluiten, en de Duitse wetenschappelijke had dat ook niet. Ik lees dat de akelige ideeën die het boek bevat in eigentijds Nederlands zijn overgezet door een amateurvertaler, ik hoor ook een wetenschapper zeggen dat voetnoten maar lastig zijn in wetenschappelijke edities en toch niet gelezen worden.
Mijn vijf uitgaven van Mein Kampf zijn in de loop van de jaren in mijn boekenkast terechtgekomen. Ik koop wel eens partijen boeken op, en daar zaten deze allemaal bij. De tweedelige Duitse uit 1933 zat ergens in een van de 44 dozen die ik voor een paar tientjes op een boedelveiling kocht. De herdruk uit 1982 van de Nederlandse vertaling door Steven Barends uit 1939 (het boek met die gave en lege witte rug) vond ik begraven in een van de vele bananendozen met de ca. 700 exemplaren van een boek dat het zelfs in de ramsj niet had gered. De boekhandelaar had het daar wellicht verstopt opdat het niet gevonden werd door de Mein Kampf-opsporingseenheid van het Ministerie van Justitie.

Mijn originele Mijn kamp-exemplaar is een tweede druk en komt uit de bibliotheek van een bibliothecaris. De twee overblijvende Duitse uitgaven zijn zoveelste drukken uit 1943. Een van de twee bevat een gedicht van een vader, denk ik, aan een zoon uit datzelfde jaar 1943. Zoon Koos is 17, dat weet ik omdat ik de herkomst van het boek ken. De datum van het gedicht is 5 december, en ik neem dus maar even aan dat het hier gaat om een stichtelijk Sinterklaascadeau. Het vers gaat als volgt:

    In dit geschrift vind je beschreven
    Het stelsel waarnaar hij wil leven,
    Die gansch Europa heeft gebracht
    In zijn ontembren, ijz’ren macht,
    En door zijn tyrannie en dwang
    Zoo menigeen maakt klein en bang.
    Van vrije menschen slaven maakt,
    Die zijn gegeven woord verzaakt,
    Die enkel vraagt naar zijn begeert’
    Door geen scrupule wordt gekeerd.
    Mein Kampf, mijn strijd is ’t hoogste goed
    Waar alles zich naar richten moet.
    Geen enkel hooger ideaal
    Stelt aan zijn driften perk en paal
    En mensch en ding heeft enkel waarde
    Zoover ’t hem nuttig is op aarde.
    Dit alles leidt tot het pure niets
    Waarbij een mensch zijn ziel verliest.
    O Koos, dat weet jij wonderwel
    Maar blijve het niet bij hersenspel
    Richt gansch je leven naar het woord
    Dat j’als critiek op dit boek hoort.
    Wees open, eerlijk, recht door zee,
    Je ja zij ja, je nee zij nee.
    Wees trouw aan wat je hebt beloofd,
    Wees warm van hart, en koel van hoofd.
    Dan word je een mensch, die velen kan
    Ten zegen zijn; dan word je een ‘man’.

Dat is dus best een heftig Sinterklaasgeschenk, en niet ongevaarlijk ook, maar gelukkig vond Koos voor dit verzetsdocument een goede schuilplaats, mocht er ongevraagd bezoek komen: hij liet het gewoon in het boek zitten.



dinsdag 28 augustus 2018


Un poco de todo


In 1991 gingen we voor het eerst naar Guatemala, want daar woonde familie. Met de middelen die daar toen voor waren had ik geconstateerd dat er één antiquariaat in dat land moest zijn, en wel in de hoofdstad. We vonden het ook: een met tl-buizen verlicht zaaltje met tientallen meters in plastic ingepakte stuiversromans. Maar tijdens het toeristisch rondreizen in het land vonden we er nog een, dat wil zeggen: een winkel met van alles, waaronder een kast met boeken. Aan het centrale plein van de oude hoofdstad Antigua Guatemala lag de zaak met de toepasselijke naam ‘Un poco de todo’. Op een van de boekenplanken stonden bij elkaar een stuk of tien boeken in het Nederlands. Het merendeel was daar ongetwijfeld door passerende toeristen achtergelaten: een paar schaakboeken en reisgidsen, vast en zeker ook een detective of twee en een boek over de ontvoering van Heineken. Plus het boek waarvan ik hieronder een paar plaatjes laar zien: Tsatsa-Minnka van de Franstalige maar Roemeense schrijver Panaït Istrati (1884-1935), een linkse auteur, die in het Nederlands werd vertaald door geestverwant A.M. de Jong. Ik heb het boek, verschenen in 1931 bij Querido, nooit gelezen, want – want? – ik kocht het vanwege de band, die een ontwerp draagt van Fré Cohen (1903-1943). De prijs staat er lekker helder met viltstift in geschreven: 15 quetzales, en volgens mij zaten er toen zes quetzales in een Amerikaanse dollar; hoeveel guldens er indertijd in een dollar pasten, weet ik helaas niet meer.


Het bijzondere aan de vondst was, dat ik kort daarvoor had bedacht dat ik omslagen en banden van Fré Cohen wilde gaan verzamelen. Ik was op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, waar ik toen werkte, attent geworden op haar werk voor sociaaldemocratische organisaties en had een zoeklijstje gemaakt. Maar dat lijstje had ik natuurlijk niet meegenomen naar Guatemala, want wie bedenkt nu dat je juist daar zo’n boek vindt? Er zit intussen een mooier exemplaar in mijn verzameling van ca. 500 Cohen-items, maar dit boek mag toch nog even blijven.

woensdag 4 juli 2018

Das Jahrhundert Berlins: Eine Stadt in der Literatur. Hrsg. von JATTIE ENKLAAR und HANS ESTER. Amsterdam, Atlanta/GA: Rodopi 2000 (Duitse Kroniek, Bd. 50), 298 S. [2001]

Die niederländische Zeitschrift Duitse Kroniek erschien zum ersten Mal im Jahre 1948. Seit 1994 erscheint sie jedoch nicht mehr als richtiges Periodikum sondern als Jahrbuch, das jeweils einem bestimmten Thema gewidmet ist. Als 50. Band der Duitse Kroniek erschien ein Heft mit Beiträgen zum Thema ,Berlin im 20. Jahrhundert‘.
Der interessanteste Beitrag zu Das Jahrhundert Berlins hat nichts mit dem Thema sondern mit dem Jubiläum der Duitse Kroniek zu tun: Guillaume van Gemert beschreibt in seinem Artikel ,,Von Reeducation zum Wechseltausch. Ein Rückblick auf ein halbes Jahrhundert niederländisch-deutscher Kulturvermittlung aus Anlaß des 50. Jahrgangs der Duitse Kroniek‘ (S. 270-287) die Geschichte der Zeitschrift seit der Gründung als Mitteilungsblatt der ,Coördinatiecommissie voor Culturele Betrekkingen met Duitsland‘ (CCCD), oder, auf Deutsch, ,Koordinationsausschuß für Kulturbeziehungen mit Deutschland‘. Dieser Dachverband von Stiftungen, Kommissionen usw., die sich um die Wiederherstellung der deutsch-niederländischen Beziehungen nach dem Ende des 2. Weltkrieges bemühten, war 1947 gegründet worden. Van Gemert gibt eine detaillierte Übersicht über Redaktionsmitglieder, Verleger, Inhalt und natürlich ,Tendenz‘ der Duitse Kroniek, die ursprünglich eine aktuelle, politische und wirtschaftliche Orientierung hatte und sich im Lauf der Zeit mehr und mehr kulturellen, literarischen und philosophischen Themen widmete. Seit Mitte der fünfziger Jahre kamen Mitarbeiter und Redaktionsmitglieder aus dem Kreis der 1952 gegründeten ,Genootschap Nederland-Duitsland‘, die die Stelle der aufgelösten CCCD einnahm, ohne daß die Duitse Kroniek zum Organ dieser Gesellschaft wurde. In seinem ausgezeichnet dokumentierten Beitrag zeigt Van Gemert wie bis heute vor allem literarische, aber auch philosophische und kulturhistorische Themen die Beiträge in der Duitse Kroniek bestimmen, wobei die niederländisch-deutschen Beziehungen immer eine große Rolle spielen. Das zeigt sich ebenfalls in der Wahl der Mitarbeiter, die zum Teil an niederländischen Universitäten arbeiten. Auch in der vorliegenden Publikation ist dies der Fall.
Was fällt einer Redaktion ein, wenn sie einen Band zum Thema ,Berlin im 20. Jahrhundert‘ vorbereitet? Zunächst merkwürdigerweise ein Autor aus dem 19. Jahrhundert, denn der erste Beitrag, von einem der Herausgeber des Bandes, Hans Ester, heißt ,,Theodor Fontane und der Berliner Roman“ (S. 7-16). Es ist ein solider aber kaum aufregender Artikel eines Kenners. Und so kann man auch die meisten Beiträge in diesem Band charakterisieren. Leider sind es fast nur die auf der Hand liegenden Autoren und Themen, die uns vorgeführt werden: Piscator und Brecht (Sjaak Onderdelinden, S. 33-50), Döblins Berlin Alexanderplatz (Matthias Prangel, S. 51-86), Plenzdorfs Die neuen Leiden des jungen W. (Klaus F. Gille, S. 131-146), Christa Wolfs Der geteilte Himmel (Theodor Kramer, S. 187-202), Peter Schneiders Mauer-Bücher (Guillaume van Gemert, S. 203-222), ,,Die Stadt Berlin in der expressionistischen Lyrik“ (Jattie Enklaar, S. 17-32) und ,,Die Berliner Briefe von Alfred Kerr“ (Hans Ester, S. 267-270 – eher eine Rezension als ein Aufsatz übrigens).
Nur wenige Beiträger haben sich etwas mehr Mühe gemacht und sich nicht ausschließlich auf altbekannte Themen und auf Primär- und Sekundärliteratur beschränkt. Zum Beispiel Kerstin Schoor, die in ihrem Beitrag ,,Vom literarischen Zentrum zum literarischen Ghetto: Literarische Berlin-Bilder jüdischer Autoren in Deutschland nach 1933“ (S. 93-116) aus der laufenden Forschung auch über weniger bekannte Personen und unter Benutzung von Nachlässen usw. berichtet. Godela Weiss-Sussex beschränkt sich ebenfalls nicht auf die Handbibliothek in ihrem Beitrag über den ,,Fontane des Kurfürstendamms“, den erst 1999 mit dem Anfang einer Gesamtedition aus der Halbvergessenheit hervorgeholten Georg Hermann (S. 69-91).
Einige Duitse Kroniek-Mitarbeiter tun sich schwer mit dem Thema. Maria Brosig entschuldigt sich zu Anfang ihres Beitrags ,,Ansichten eines Ortes oder auf der Suche nach Heimat in Leben und Werk von Brigitte Reimann“ (S. 223-242) eine Seite lang dafür, daß ihre Autorin nie Einwohnerin von Berlin war. Es kommen aber trotzdem einige interessante Passagen aus dem Werk der jungverstorbenen DDR-Schriftstellerin zum Vorschein, die zeigen, daß Berlin für sie so etwas wie ein literarischer Ort war. Heiner Müller war, im Gegensatz zu Brigitte Reimann, lange Jahre Einwohner von Berlin. Der Artikel, den Gerd Labroisse der Rezeption der Lyrik des 1995 verstorbenen DDR-Dramatikers widmet (S. 147-186), hat mit dem Thema Berlin jedoch nichts zu tun, genau wie ,,Hingehn im Enkel? Eine Interpretation der Gedichte Auf den jüdischen Händler A.S. I, II und III von Johannes Bobrowski“ von Hub Nijssen (S. 117-130). Auch dies sind solide Arbeiten, man spürt aber quasi die Frage der Redaktion darin: ,,Habt Ihr noch was liegen, uns fehlen noch fünfzig Seiten.“
Zwei Beitrage beschäftigen sich mit Niederländern in Berlin: Alexander von Bormann analysiert (S. 243-253) sehr interessant Cees Nootebooms Buch Berliner Notizen (1991, die niederländische Ausgabe Berlijnse notities erschien 1990). Dem anderen wichtigen niederländischen Schriftsteller und Künstler in Berlin, Armando, hätte man einen kompetenteren Autor gewünscht als Peter Delvaux (,,Armando in Berlin“, S. 255-265), denn dieser hat von Armando kaum eine Ahnung und verpackt seine Unwissenheit in gräßliche Sätze, die Haupt- nicht von Nebensachen unterscheiden können und die außerdem oft in merkwürdige Privatbetrachtungen entarten. (Man kennt diesen Stil übrigens aus den Delvaux-Publikationen der  letzten Jahre über Gerhart Hauptmann. (1) Fast jeder Satz dieses Beitrags ist als Beweis für die fehlende Qualität zitierbar. Schon der erste ist verblüffend: ,,Sein bürgerlicher Name ist so gut wie unbekannt und tut nichts zur Sache; er nennt sich Armando, und so kennt man ihn.“ Der richtige Name von Armando tut aber in einem doch wohl wissenschaftlich-informativ gemeinten Text etwas zur Sache!
Der witzigste Satz im Beitrag von Delvaux ist dieser: ,,1979 erhielt Armando [... ] ein Stipendium [... ], und so nahm er von der Veluwe aus, wohin er verzogen war (Ruurlo, Elsloo, Otterlo) seinen Wohnsitz in Berlin […]“ (S. 258, Auslassungen von mir, J.G.). Witzig daran ist, daß nur Otterlo in der Veluwe liegt, Ruurlo jedoch 60 Kilometer weiter östlich im ,,Achterhoek“ und Elsloos gibt es 160 Kilometer südlicher in der Provinz Limburg und 125 Kilometer weiter nördlich in der Provinz Friesland. Was denkt man sich denn bei solchen Mitteilungen? Und was denkt sich eine Redaktion, die solche Sachen stehen läßt? In seiner abschließenden Bemerkung ,,Zur Bibliographie“ (S. 264 -265) teilt Delvaux uns übrigens mit, jetzt anscheinend unter Benutzung eines Atlasses, daß der Ort Brou (wo mal eine Armando-Ausstellung stattgefunden hat), ,,südwestlich von Chartres“ liegt.
Delvaux reiht schülerhaft eine Zusammenfassung eines Armando-Textes an die andere, und das klingt dann so:

Gegner zweier totalitärer Regimes, erst des einen und dann des anderen, und aus Sibirien zurückgekehrt.
Verschiedenartige Erfahrungen in den Niederlanden und mit Niederländern, worunter auch dass jemand als Mitglied einer Baukompanie in Holland das Regime ablehnen lernte. Verwunderung darüber dass Niederländer zu Deutschen freundlicher werden wenn sie an ihnen verdienen können.
Und vieles andere.
Erstaunen und Trauer mehr als Empörung klingen an darüber dass die Folgegeneration von den damaligen Vorgängen gar nichts wissen und nichts hören und ohne Besinnen in den Tag hinein leben und reden will und die Freiheit, in der sie lebt, verachtet.


,,Und vieles andere“ – es ist unbegreiflich, daß eine Redaktion zu einem solchen Text eines Kollegen nicht ,,nein“ zu sagen wagt. 

(1) Antiker Mythos und Zeitgeschehen. Sinnstruktur und Zeitbezüge in Gerhart Hauptmanns Atriden-Tetralogie (Amsterdam 1992) und Leid soll lehren. Historische Zusammenhänge in Gerhart Hauptmanns Atriden-Tetralogie (Amsterdam 1994).

Eerder verschenen in Deutsche Bücher. Forum für Literatur (Berlijn), 31 (2001), afl. 4, p. 358-361, en hier ongewijzigd overgenomen. De plaatjes zijn door mij toegevoegd. Deutsche Bücher verscheen tot 2009, de Duitse Kroniek bestaat nog steeds.