maandag 28 augustus 2023

Van harte!

Johann Wolfgang von Goethe was vandaag jarig, tot 1831, want hij overleed in maart 1832. Ik vroeg me af of ik ooit iets van Goethe heb vertaald, maar ik weet het niet zeker. Er is wel een vertaling van een gedicht van hem onder mijn naam verschenen, maar of ik de vertaler ben is maar de vraag, en zeker niet in de vorm waaronder de vertaling is gepubliceerd.

Dat zit zo. In 1984 verscheen bij uitgeverij Meulenhoff De spiegel van de Duitse poëzie van 750 tot heden, samengesteld door Ton Naaijkens en mij, met vertalingen van ons beiden en van Hans van Megen en Gerrit Jan Berendse. Die vertalingen stonden in een kleiner corps onderaan de pagina’s en waren geen ‘echte’ vertalingen, we noemden ze ‘basisvertalingen’, rijm, metrum etc. speelden geen rol, ze moesten de lezer een inhoudelijke indruk geven, de vorm was zichtbaar in de afgedrukte originelen.

We wilden eigenlijk ook niet dat de gedichten op een andere manier werden gebruikt, maar dat gebeurde natuurlijk toch, ze verschenen bijvoorbeeld in bloemlezingen, maar dat hoorde je dan pas achteraf, als je het al hoorde en niet toevallig jaren later ontdekte.

Zo’n geval van achteraf ontdekken deed zich voor bij de Spiegel-vertaling van het gedicht ‘Mignon’ van Goethe, met, in het origineel, de bekende eerste regel ‘Kennst Du das Land, wo die Zitronen blühn’. Wie de ‘basisvertaling’ van dat gedicht voor de Spiegel maakte zou ergens in een geannoteerd exemplaar kunnen staan, maar dat heb ik nu niet bij de hand. Het zou kunnen dat ik het was. Mijn naam staat in elk geval als vertaler onder het gedicht in Duitsland. Reisgids voor de jeugd van Patrick Démerin en Bernard Chabrol die in 1998 als een gezamenlijke uitgave van Lannoo in Tielt en de ANWB in Den Haag verscheen. Ik zag mijn naam staan toen ik het uit het Frans vertaalde boek in een van de ANWB-vestigingen bekeek. Het boekje heeft een ‘Leeshoek’ met onder andere vier gedichten, behalve van Goethe een van Heinrich Heine, een van Bertolt Brecht en, nota bene, twee van Wolf Biermann.
Bij Brecht en Biermann worden geen vertalers of bronnen genoemd, bij Heine wel, maar dat was dan ook iemand die je anders moest behandelen: Seth Gaaikema, met titel van boek, uitgever en jaartal. Bij ‘Het lied van Mignon’ staat geen bron, wel mijn naam, en dat komt waarschijnlijk omdat mijn naam, met de zegen van het alfabet, als eerste genoemd wordt op de titelpagina van de Spiegel. ‘Deze gids werd met de grootst mogelijke zorg samengesteld’ staat voorin het boekje, gevolgd door de mededeling dat de uitgever geen aansprakelijkheid kan aanvaarden voor onjuistheden. Ik verwachtte eigenlijk dat de ANWB zich op die disclaimer zou beroepen toen ik ze, na de ontdekking van de diefstal, een rekening van 400 gulden stuurde voor het zonder toestemming overnemen, maar ik vergiste me.

Binnen de kortste keren had ik de baas van de uitgeverij van de ANWB aan de telefoon die ten eerste de vertaalster de schuld gaf en vervolgens vroeg waarom dat bedrag zo hoog was. Ik uitleggen, en omdat de meneer zo sportief om excuses aan te bieden was ging ik met de helft akkoord. Dat had ik niet moeten doen, maar toen had ik nog niet gezien wat ik vanochtend constateerde: dat de vertaalster niet alleen de titel van het gedicht heeft veranderd (in de Spiegel heet het gewoon ‘Mignon’), maar nog veel meer: het is rijmend gemaakt, woorden zijn veranderd etc. Onze basisvertaling is ongevraagd gebruikt om zelf te knutselen.

Dat gebeurt wel vaker, maar als ik nog wat voorbeelden geef, is de verjaardag van Johann Wolfgang weer voorbij.

donderdag 24 augustus 2023

In hetzelfde dorp

Ik vond een mooie persoonlijke necrologie uit 1972 over de dan net overleden schrijver Jef Last. Het is een tekst die uitstekend zou passen op het eind van een goede biografie over die rare maar interessante man. De necrologie is van de hand van de bijna helemaal vergeten schrijver en vertaler (en nog het een en ander) H.J. (Henk) Smeding (1899-1979) en ze staat in niet per se gemakkelijk te vinden bron: PEN-kwartaal. Periodiek van het Nederlands PEN-centrum, aflevering 9 (april-juni 1972), pp. 13-14. Dat is een tijdschrift dat je niet meteen raadpleegt als je iets zoekt, maar als je alleen al deze geniete aflevering van 24 pagina’s op A5-formaat bekijkt, dan staan daar niet alleen necrologieën in van Jef Last, Godfried Bomans (door Maria C. Schröder-van Gogh), Bertus van Lier (M. Vasalis) en Evert Straat (Sjoerd Leiker), maar verder ook bijdragen van Jacques Benoit, Gerrit Borgers, C.J.E. Dinaux, Hilde Domin, A. den Doolaard, Wim Hazeu, Sybren Polet, Vladimir Siránek, Ger Stoppelsteen en H. Wielek.
En dus dat ‘In memoriam Jef Last’ van Henk Smeding, die in Laren woonde, net als Jef Last, die zijn laatste jaren sleet in het Rosa Spier Huis aldaar, het woon- en werkcentrum voor oudere kunstenaars en wetenschappers. De eerste twee alinea’s luiden zo:

‘Er waren twee redenen waarom Jef Last zich aan een afscheid van de mensen bewust heeft onttrokken: een sociale en een persoonlijke. Beide vond ik even indrukwekkend. Wat de sociale betreft: toen de afschuwelijkste van alle ziekten zich in zijn lichaam had genesteld en hij begreep dat deze daarin zou voortwoekeren tot het einde de verlossing bracht, heeft hij meteen besloten dat hij dit lichaam dan zo grondig zou laten onderzoeken als bij een levend mens niet mogelijk was. Daarmee hoopte hij anderen nog van dienst te kunnen zijn. En de persoonlijke: hij kwam in opstand tegen redevoeringen bij een begrafenis; die vond hij vaak onwaarachtig òf ze kwamen te laat. Bij zijn leven hadden velen zich al van hem afgewend, hij voelde zich vereenzaamd en wat men dàn zou kunnen zeggen had men beter tegen hemzelf kunnen doen, in woorden of slechts door een gebaar. Want àls een enkele de moeite nam om hem op te zoeken kreeg dat veel grotere proporties dan dit bij ons allen het geval zal zijn: hij vond het een eer en hij was de hele dag gelukkig.

Over die eenzaamheid hebben wij vaak gesproken. Ik was een van de weinigen die hij geregeld zag. Vóórdien was hij een van de 386 kennissen die wij allen hebben, maar nu woonde ik in hetzelfde dorp en was gemakkelijk te bereiken. Ik werd echter ook geboeid door die steeds hevig van iets vervuld zijnde man, met wie je toch telkens weer een gesprek had. Een mens ook in wie de vreemdste tegenstellingen leefden. En nu wil ik trachten een beeld van hem te geven.’

Dat beeld is dus misschien een mooie bron voor een competente toekomstige Last-biograaf.

En dit is de enige foto die ik online van Henk Smeding kon vinden, op DBNL, met het bijschrift dat nu hier ook onder de foto staat:
Onscherpe foto waarop (v.l.n.r., onderste rij) onbekend, J.C. de Buisonjé, Henk Smeding, Ferdinand Langen; (bovenste rij) Lies Kop, Felix Augustin


woensdag 21 juni 2023

Kaspar, Peter, Wim, Adriaan, Huub, Gregor (en ik) [2016]

Onlangs kocht ik op de wekelijkse Haagse boekenmarkt een mooi exemplaar van de eerste druk van Kaspar van de Oostenrijkse auteur Peter Handke (*1942), een Kaspar-Hauser-toneelstuk uit 1967. Van Handke kocht en las ik als student Duits vanaf begin jaren zeventig alles, maar een afzonderlijke eerste druk van dit boek, dat toen, vermoed ik, ook al antiquarisch gekocht moest worden, was nooit in mijn boekenkast terechtgekomen. Daar staat een aardig rijtje Handke, maar ergens begin jaren negentig hield het kopen en lezen op wegens gebrek aan belangstelling van mijn kant.
Waarom dan toch dit boek: omdat het een mooi boek is. De omslagillustratie is van de latere filmregisseur Wim Wenders (*1945), die toen al met Handke bevriend was. Dat Wenders de maker is van de collage kan ik nergens in en op het boek vinden, maar een Oostenrijkse boekhandelaar laat het in zijn beschrijving weten. Handke en Wenders werkten samen bij een aantal films van Wenders, een van die samenwerkingen was ‘Falsche Bewegung’ uit 1975. Op 22 februari van dat jaar ging deze film in wereldpremière tijdens Film International in Rotterdam (nu: International Film Festival Rotterdam). Een paar studenten Duits uit Utrecht gingen met hun docent Gregor Laschen naar die wereldpremière. Peter Handke zou er ook zijn, en Laschen kende Handke.
Na de film wist Gregor ons de persruimte binnen te loodsen. Misschien dachten de deurbewakers (als die er al waren) dat hij Huub Bals (1937-1988) was, de festivaldirecteur, want die twee konden voor elkaars dubbelgangers doorgaan. In de persruimte zat Peter Handke met Adriaan van der Veen (1916-2003) te praten, toen al tientallen jaren redacteur letteren van nrc resp. nrc Handelsblad. Aan de andere kant van Van der Veen zat een zeer jonge juffrouw, aan wie hij permanent zat te frunniken. Op 24 februari verscheen er een verhaal met interview over Handke van Van der Veen in nrc Handelsblad onder de titel ‘Peter Handke blijkt een veelzeggend zwijger’. Dat zou natuurlijk kunnen, maar het kan ook zijn dat Van der Veen niet goed heeft opgelet.
Hoe lang we in de persruimte van Film International bleven weet ik niet meer, voor mij in elk geval lang genoeg om even tegen Wim Wenders te zeggen dat ik zijn films mooi vond. Zijn antwoord was, en ik vond en vind dat een prachtig antwoord: ‘Dann sind es auch Deine Filme’. Ook was er tijd voor een korte ontmoeting met Handke, die een opdrachtje in een meegebracht boek zette.
Deze tekst zette ik op 21 juni 2016 op Facebook in het kader van een reeks over boeken, boeken verzamelen enzovoorts. Voor de herplaatsing hier voegde ik één woord en de titel toe. Aan te vullen zijn verder alleen de levensjaren van Gregor Laschen: 1941-2018.

dinsdag 20 juni 2023

Foute boel op de boerderij [2016]

Bibliografieën – ik ben er gek op, ik lees ze in bed als het moet, spannende lectuur kan het zijn. Bibliografieën zijn het eindresultaat van nieuwsgierigheid, onderzoek, analyse, systematisch werken, uithoudingsvermogen, en ze zijn ook het begin van nieuwsgierigheid, onderzoek, analyse etc. Er zijn natuurlijk ook bibliografieën die ik niet in bed hoef te lezen, maar die om andere redenen interessant zijn. Zoals deze: de Bauernhof-Bibliographie van Kurt A. Sommer, in 1944 verschenen bij uitgeverij Karl W. Hiersemann in Leipzig.
1944 – dat was geen tijd dat er nog veel functioneerde in Duitsland, ook het uitgeverijwezen niet, en dat maakt het waarschijnlijk dat dit boek ergens in een magazijn bleef liggen en na 1945 in behoorlijke aantallen op de tweedehandsmarkt terechtkwam. Er worden erg veel exemplaren van dit boek aangeboden. Zelfs op boekwinkeltjes.nl staan er drie, op de diverse boekenzoeksites vele tientallen. De meeste zijn nieuw en onopengesneden, zoals mijn exemplaar. Waarom is deze bibliografie toch interessant om even bij stil te staan? Vanwege de titelpagina en het voorwoord. Daarin zijn namelijk stukjes tekst heel netjes overgeplakt met witte strookjes.
Er moest iets verborgen worden. Er zijn ook exemplaren in omloop zonder die strookjes, en als een antiquaar de moeite heeft genomen een uitgebreide titelbeschrijving te maken, kunnen we achterhalen wat er op de titelpagina is overgeplakt: ‘Herausgegeben im Auftrage der Fachgruppe Bauwesen im NS-Bund Deutscher Technik’ stond er oorspronkelijk. Maar waarom moest die Fachgruppe verdwijnen? Als ik Wikipedia mag geloven, bleef de Bund tot het eind van de nazitijd bestaan.
Zonder niet-overgeplakt exemplaar ter vergelijking is het moeilijker om te achterhalen wat de strookjes op de pagina’s VIII en IX van het voorwoord verbergen. De velletjes zijn strak ingeplakt en ze schijnen niet door. Op het eind van het voorwoord moesten duidelijk namen verdwijnen. Waarom? Toch ideologisch niet zuiver op de graat? Toch een niet-arische voorvader in de stamboom? Wie zal het zeggen. Zou iemand het ooit gaan uitzoeken? Als je een nazaat bent van een persoon die daar op het eind van het voorwoord genoemd wordt, dan maakt het eventueel nogal verschil of je een schoon of overgeplakt exemplaar van deze bibliografie tegenkomt. Zo’n ingeplakt strookje kan van iemand die in 1942/1943 nog wetenschappelijk actief mocht zijn plotseling een slachtoffer van het naziregime maken.

Dit stukje stond eerder op 14 juni 2017 op Facebook als deel 19 van een reeks die ‘Paper Passion’ heette. Ik heb een nieuwe titel toegevoegd en ik heb de afbeeldingen over de tekst verdeeld, verder is alles gebleven zoals het was. Behalve dat er vandaag, 20 juni 2023, vier exemplaren van het boek op Boekwinkeltjes staan.


zondag 30 april 2023

OPGESPOORD

Het is een prachtig boek, dat Het universum van Willem Frederik Hermans van Max Pam, Hans Renders en Pieter Schreuders. Er valt veel te ontdekken, ook voor wie het archief van Hermans intensief heeft gebruikt. Het moet prachtig zijn om zo’n boek te maken, net zoals het bijzonder was om aan de Volledige Werken te werken – met de wetenschappelijke restricties die zo’n onderneming met zich meebrengt. Je zag, bij het maken van de afzonderlijke delen van de VW, veel meer materiaal dan je kon gebruiken, je bedacht al werkende aan de nawoorden dat je misschien vroeg of laat eens iets met dat materiaal moest doen. Heel af en toe kon dat.
In 2013 (aflevering 1) publiceerde ik in De Parelduiker het artikel ‘“Ik ben nooit op een autootje zo verliefd geweest”. Willem Frederik Hermans achter het stuur’, over de wederzijdse belangstelling van de schrijver en ondergetekende die in de titel tot uitdrukking komt. Dat artikel had wat voeten in de aarde en was eigenlijk al jaren eerder geschreven, maar daarover een andere keer. Het stuk was onder andere gebaseerd op de dossiers die Hermans zelf over zijn autobezit had aangelegd. Het is goed om in Het universum van Willem Frederik Hermans te lezen dat de samenstellers mijn artikel ‘vermakelijk’ vinden. Ze konden, wat illustraties betreft, in hun boek breder uitpakken dan ik dat in ‘De Parelduiker’ kon, en dat is mooi.
Er is overigens nog veel meer mooi automateriaal in het archief-Hermans, als bijlagen bij de correspondentie Hermans-Kousbroek bijvoorbeeld, materiaal waarvan in de door Willem Otterspeer in elkaar geflanste brievenuitgave geen spoor terug te vinden is.
Op het eind van hun autohoofdstuk in Het universum van Willem Frederik Hermans schrijven Pam, Renders en Schreuders over een van Hermans’ auto’s: ‘De Morgan Plus Four die Hermans van 1965 tot 1972 bezat, bestaat trouwens nog steeds. Nadat hij was verkocht, werd hij eigendom van Geer Selen, een architect uit Venlo, die de auto grondig restaureerde en er nog jarenlang in reed. In september 2017 werd de auto opgespoord door Bas van der Spruit’.
Dat opsporen ging zo, en ik kan het weten, want ik was er voor een deel bij. Ik was niet bij het gedeelte waarin Bas van der Spruit (die nu Bas Godska heet) met Raymond Benders van het Willem Frederik Hermans instituut sprak en het idee opvatte te proberen de auto te kopen. Waar ik wel bij was, was het telefoongesprek dat Benders vervolgens – was het in 2017? Zou best kunnen, maar vermoedelijk eerder – met mij voerde, met de belangrijkste vraag: heb jij adresgegevens van die man die de Morgan van Hermans heeft? Ik had die adresgegevens niet meteen bij de hand, maar ik kon naar mijn artikel in De Parelduiker uit 2013 verwijzen, waarin ik schrijf dat ik de Morgan van Hermans bij meneer Selen uit Venlo had opgespoord. Mijn advies was: mijn artikel lezen, liefst tot helemaal op het eind, en een beetje googelen, en je vindt meneer Selen meteen.
Als dat over dat opsporen van die Morgan dus even kan worden veranderd in de tweede druk van Het universum van Willem Frederik Hermans, dat zou fijn zijn. En er is me door Benders nog een ritje in de Morgan beloofd – als dat ook even geregeld kan worden.
Mijn artikel in De Parelduiker is hier te lezen (liefst helemaal tot het eind):

zondag 19 maart 2023

Amqui

Weet u waar Amqui ligt? Ik wist het ook niet tot een dag of wat geleden, toen Teletekst meldde dat daar een pickuptruck op voetgangers was ingereden met enkele slachtoffers tot gevolg. Zulke berichten worden door de persbureau’s interessant gevonden totdat blijkt dat er geen terrorisme in het spel is.

Volgens Teletekst lag Amqui in het noordoosten van Canada. Nou ben ik daar wel eens overheen gevlogen, over het noordoosten van Canada, in het najaar van 1983 namelijk, tijdens mijn eerste vlucht naar het Amerikaanse continent, naar Seattle aan de westkust om precies te zijn. Je vloog toen eerst naar de poolcirkel, over Groenland en vervolgens over de hele breedte van Canada naar Seattle. Dat vliegen boven Canada duurde uren, en onder ons was niks: bergen, de Hudsonbaai, bergen, niks: de kans dat daar in het noorden van Canada een pickup mensen raakt is erg klein. Amqui ligt dan ook niet in het noordoosten van Canada, maar in het noordoosten van de Canadese provincie Quebec, die zelf liever Québec wordt genoemd en die in het zuidoosten van Canada ligt.

Zeer waarschijnlijk ben ik wel eens in of in de buurt van Amqui geweest, maar helemaal zeker weet ik het niet. In augustus 2002 maakten we met zoon van 17 en diens beste vriend een rondje van een kleine maand van Montreal, in het Frans Montréal, via de oostkust van Québec en New Brunswick de grens van de Verenigde Staten over, door Maine en alles wat daaronder ligt naar New York, en toen weer van daar via alles wat daarboven ligt naar Montreal. Vanuit Montreal reden we in noordoostelijke richting langs de Lawrence River naar de hoofdstad van Québec, Québec, en toen verder langs het water naar Rimouski. We overnachten in een hotel aan de rivier. Ik wist in 2002 nog niet dat ik me ooit intensief met Willem Frederik Hermans zou gaan bezig houden, en dus ook niet dat Hermans ook daar in Rimouski was geweest en overnacht had, en wel in het najaar van 1948.

De volgende dag wilden we verder langs de kust naar het schiereiland Gaspé rijden, maar het was noodweer en de kustweg was afgesloten. De enige mogelijkheid was binnendoor rijden, over onverharde wegen, en dat deden we ook, maar het mocht alleen achter een volgauto, die tientallen kilometers lang voor ons en anderen uitreed totdat we weer een doorgaande verharde weg tegenkwamen. We moeten onderweg, als ik nu op de kaart kijk, wel langs Amqui zijn gekomen.

We waren toen in 2002 op wel meer plekken waar Willem Frederik Hermans in het najaar van 1948, tijdens zijn verblijf als controleur in de houtindustrie, ook was geweest, maar wat je niet kunt weten, kun je niet weten. In 2008 was dat wel het geval, toen we, nu zonder jong volk, een reis door de provincies Nova Scotia, Newfoundland, Prince Edward Island en een klein stukje New Brunswick maakten. We ondernamen die reis zonder reisbeurs en zonder contract voor een boek op zak, maar wel met kennis van de feiten van Hermans’ reis. We hadden er een mooi en goed boek over kunnen maken, over onze reis en Hermans en Canada (en Newfoundland, want, dat wordt graag vergeten door deze en gene, Newfoundland was in 1948 nog geen provincie van Canada maar een dominion van het Verenigd Koninkrijk). Wat jammer dat zo’n boek, zo’n mooi en goed boek, nog ontbreekt.



maandag 20 februari 2023

Marxist

Uit betrouwbare bron hoorde ik laatste dat ik ergens, in zeer marginaal drukwerk, werd uitgescholden voor ‘marxist’. Het marginale periodiek gaat niet over socialisme, Karl Marx en dergelijke zaken, maar blijkbaar is ‘marxist’ een mooi scheldwoord voor iemand die ooit promoveerde op Marx. Want inderdaad, lang geleden intussen, was ik een Marx-specialist, al was het dan niet als kenner van het werk van Karl Marx (daar zou ik het eerst goed voor moeten lezen), maar wel van, bijvoorbeeld, zijn archief en zijn handschrift, want ik werkte in de vorige eeuw op het IISG in Amsterdam, waar ze zijn archief beheren. Vanwege mijn kennis van archief en wat dies meer zij kreeg ik ook belangstelling voor de Nederlandse verwanten van Marx, want daar had hij er nogal wat van. Daar promoveerde ik ooit op, eind vorige eeuw. Ik zou mijn proefschrift nog eens moeten lezen om te kijken wat ik toen allemaal wist, maar omdat ik het opschreef kunnen ook anderen iets met mijn kennis van toen. Ik heb geen idee hoe vaak mensen nu nog iets aan mijn proefschrift hebben, want ik hoor er zelden iets over, en ik ga er ook niet elke week naar op zoek.
Maar ik kwam dus toch een verwijzing naar mezelf tegen in verband met Marx, en die verwijzing was naar het Japanse lemma over Marx op Wikipedia. Toen ik dat lemma zag, vroeg ik me af of ik nog wist hoeveel voetnoten mijn proefschrift had. Ik gokte: een stuk of 400, en toen ik het nakeek bleken het er 400 precies te zijn, op 444 pagina’s. De annotaties bij de ruim 60 documenten die als bijlage bij het proefschrift zitten tel ik even niet mee. Als ik ze zou meetellen, zou het aantal nog niet in de buurt komen van het aantal voetnoten bij het Japanse Marx-lemma, want dat zijn er, vandaag dan, 667. Ter vergelijking: in het Nederlands heeft Marx 30 voetnoten nodig, in het Duits 191, in het Engels 296, in het Limburgs 1, bij elkaar nog steeds minder dan het Japans.

Japanners, zou je kunnen concluderen, willen het graag precies hebben, maar dat valt tegen. Ik kan niet veel van dat lemma lezen, maar omdat ze de straat in Trier waar Marx werd geboren in Latijnse letters schrijven, kan ik zien dat ze daarin een fout maken. Ik weet waar die fout eerder werd gemaakt, maar daarmee zal ik u niet lastig vallen. In noot 27 bij het lemma staat ook iets leesbaars: mijn naam namelijk, met daarachter ‘S. 220-221’. Dat ‘S.’ staat voor ‘Seite’, een Duitse pagina dus. De gemiddelde Japanse lezer moet hier raden waar dat op slaat, want mijn proefschrift, want daar slaat het op, wordt nergens in het lemma vermeld. De passage in het lemma waar de voetnoot bij hoort gaat, zo vertelt Google Translate mij, over twee opdrachten van Marx in exemplaren van Das Capital (zo stond het nog in de eerste druk van dat boek) aan zijn neef August en zijn nichtje Nanette, allebei Philips van achteren. De publicatie van de opdracht aan Nanette in mijn boek was een wereldprimeur. Echt waar.

De voetnoot vóór de mijne in het Japanse Marx-lemma heeft ook paginacijfers, maar dan met de titel van het boek waar ze bij horen, namelijk Karl und Heinrich Marx und ihre Geschwister van Manfred Schöncke. Nu wil het geval dat ik dat boek ooit gerecenseerd heb, in een Duits vaktijdschrift voor de Marx- en Engels-wetenschap, maar ook in NRC Handelsblad. De samensteller van het boek, dat net als mijne dus over de familie Marx gaat, had me persoonlijk gevraagd de vrucht van zijn arbeid te recenseren, maar op grond van het typoscript dat hij me had toegestuurd had ik hem geantwoord dat mijn recensie niet positief zou uitvallen. En dat deed het dus ook niet. Mijn recensies waren impliciete waarschuwingen om dat boek van die Schöncke dan maar niet serieus te nemen, maar dat heeft dus niet geholpen. Met het gevolg dat je dan min of meer in één adem genoemd wordt met zo’n prutser. Hier staan mijn recensies: