vrijdag 26 februari 2021

 

WVTTK

Mijn kleindochter is nog geen vijf maanden oud, maar zodra ze er klaar voor is, ga ik haar allerlei nuttige dingen leren. Zoals het maken van een goed afkortingenregister voor een boek met veel afkortingen. Ik ga haar dan uitleggen dat een boek met veel afkortingen zo’n register goed kan gebruiken, omdat je zo’n voorkomende afkorting wel eens kunt vergeten en dan snel achterin het boek kunt opzoeken wat ze ook weer betekende. Zoals, bijvoorbeeld, ik noem maar wat, KVP. Ik zou haar dan uitleggen dat dat ooit een politieke partij was die lang geleden, veertig jaar vóór haar geboorte, fuseerde met andere partijen, waarna er een andere afkorting ontstond.

Wanneer je zo’n afkorting, zou ik mijn kleindochter uitleggen, in een boek tegenkomt en vergeten bent wat ze ook weer betekende (of wanneer de schrijver van het boek is vergeten je dat uit te leggen), dan is het handig als je snel kunt opzoeken hoe het ook weer zat. En daarvoor is zo’n register. Dat bevat een alfabetische lijst van voorkomende afkortingen en daarachter de oplossing van de afkorting. In het geval van KVP is dat: Katholieke Volkspartij. Na een paar andere voorbeelden snapt mijn kleindochter dat wel, want zo moeilijk is dat niet.

Het zal haar dan ook zeer verbazen als ik vertel dat niet iedereen het principe van het afkortingenregister snapt. Dat er ook schrijvers van boeken zijn die denken dat de lezer van hun boek tijdens het lezen denkt: ‘Hier zie ik staan: Katholieke Volkspartij. Wat was daarvan de afkorting ook alweer?’ En dan maken ze een ‘Register van afkortingen’ dat er zo uitziet:

Mijn kleindochter zal het hoofdschuddend bekijken, want het sceptische schudden met het hoofd heb ik haar al eerder geleerd. Ik zou haar dan nog lastig kunnen vallen met opmerkingen over de juiste spelling van een en ander: AJC bijvoorbeeld is de afkorting van Arbeiders Jeugd Centrale, met varianten in verbindingsstreepjes, maar het is nooit één woord. Komintern is natuurlijk niet de afkorting van ‘Internationaal samenwerkingsverband van communistische partijen’ en de NSDAP was toch echt een Duitse partij. En wat die Duitse geschiedenis betreft: de SS, afkorting van Schutzstaffel, was geen onderdeel van het Duitse leger, ook niet ‘in WO II’. Even ergens opzoeken wat die afkorting ook weer betekent.

zondag 6 december 2020

Vliegende Hollander (8): Eén grote ramp

De luchtvaartpionier in mijn schoonfamilie, Co van Tijen (1897-1958), dat wil zeggen: zijn personage in de serie Vliegende Hollanders, is nu in drie afleveringen in beeld geweest, en in totaal heeft die arme Eelco Smits, de acteur die Oom Co uitbeeldt, een zin of acht gezegd. Het zou natuurlijk kunnen dat aflevering 8, de laatste, nog een heldenrol in petto heeft voor Oom Co. Omdat de serie intussen met de historische werkelijkheid nauwelijks nog iets te maken heeft, waag ik me niet aan voorspellingen. Ik zie bij de informatie over deze aflevering 8 op IMDB.com dat Hermann Göring weer meedoet, en dat hij dan wordt gespeeld door een Duitse acteur, zodat hij waarschijnlijk niet Duits praat met een Nederlands accent, zoals de jongere Göring uit aflevering 1.

Wat zou Eelco Smits hebben gedaan om zich op zijn acht zinnen in de rol van Oom Co voor te bereiden? Ik geloof niet dat hij bij familieleden langs is geweest. Er zijn nog een paar achternichten die iets zouden kunnen vertellen, maar die desondanks niet veel kunnen vertellen, want Oom Co was een tamelijk gesloten boek. Zijn luchtvaart- en andere beroepsactiviteiten zijn wat de uiterlijke feitelijkheden betreft wel te volgen, maar er heeft, volgens mij, nog nooit iemand een goede duik in de archieven genomen om zijn leven goed in kaart te brengen. Mijn schoonvader, getrouwd met een nichtje van Oom Co, vertelde ooit de anekdote dat de Fokker-directeur graag door zijn fabriek liep en deze en gene aansprak om te vragen wat precies zijn taak was; en als die persoon die vraag niet goed kon beantwoorden, kon hij vertrekken. Dat beeld van een strenge werkgever krijgen we in elk geval niet als we het timide mannetje met zijn acht zinnen uit de serie zien.

Aflevering 7 van Vliegende Hollanders was getiteld ‘De rampweek’, want gewijd aan de – historisch echt gebeurde – drie ongelukken met KLM-toestellen tussen 14 en 20 juli 1935. Maar de makers van Vliegende Hollanders vonden dat niet erg genoeg: ze verzonnen er een ramp bij. En niet zomaar een: zoon Jan van Albert Plesman stortte zogenaamd neer en kwam om. Reden voor Plesman om korte tijd later met zijn secretaresse – die nog NSB-lid is ook – te gaan rampetampen. Dat is nogal wrang, dat verzinsel van die dood van Jan, want in werkelijkheid werd hij in 1944 als RAF-piloot boven Frankrijk door de Duitsers neergehaald; hij werd postuum voor zijn dienst voor het vaderland onderscheiden. En dan laten ze in de serie Jan ook nog eens grote moeite hebben met die NSB-juf van zijn vader. Laten die makers van Vliegende Hollanders maar eens uitleggen wat ze hiermee bedoelen.

Het is vreemd dat de makers van de Vliegende Hollanders denken dat de wederwaardigheden van Fokker en Plesman niet spannend genoeg zijn om drama mee te maken. In eerdere aflevering antedateerden ze al een vliegramp om de zelfmoord van Fokkers vrouw Violet aan te kleden – nergens voor nodig. En nu een verzonnen ramp en een Hijgende Hollander. Ik kijk reikhalzend uit naar vanavond: zouden onze twee nationale helden dan eindelijk vriendschap sluiten en samen verhinderen dat de Tweede Wereldoorlog uitbreekt? Fokker blijkt namelijk niet echt in 1939 te zijn overleden. En wist u dat de twee heren later samen de Efteling hebben opgericht? Fokker heeft het Vliegend Tapijt ontworpen.



zondag 22 november 2020

 

Vliegende Hollander (7): Waar of niet waar

De luchtvaartpionier in mijn schoonfamilie, Co van Tijen (1897-1958), maakte afgelopen zondag 15 november 2020 zijn opwachting in aflevering 5 van de televisieserie Vliegende Hollanders. Tenminste: voor degenen die braaf elke zondagavond voor de tv gaan zitten kijken; de vooruitkijkers hadden hem allang gezien – ook goed. Oom Co was maar een paar keer even in beeld. Zo werd hij aan iemand voorgesteld met naam en functie en ook rolde hij al vechtend met de Fokker-ingenieur Reinhold Platz over de werkvloer. Qua uiterlijk zit het wel goed: Co van Tijen was een niet al te grote man met gepommadeerd haar, en zo hebben ze acteur Eelco Smits ook uitgedost.

Het probleem met deze vechtscène: in werkelijkheid heeft ze nooit plaatsgevonden. Platz werd per 1 april 1931 ontslagen, van Tijen ging in het najaar van 1934 als adjunct-directeur bij Fokker aan de slag. Deze beide feiten lees ik in Marc Dierikx’ biografie Anthony Fokker. Een vervlogen leven (2014), en dan kan ik met een gerust hart aannemen dat dat klopt. Het is duidelijk wat de makers van de Vliegende Hollanders beogen: compact vertellen wat er in werkelijkheid ook aan de hand was: de Fokker-vliegtuigen, onder andere ontworpen door Spatz, liepen technisch achter op de concurrentie, en dat moest veranderen; Van Tijen werd aangetrokken om de Fokker-fabriek te moderniseren.

Uit De Groene Amsterdammer van 30 oktober 1937

Ik heb niets tegen dat soort ingrepen in de feiten, als ze een hoger doel dienen. Met veel plezier kijk ik naar The Crown, waar dat aan de lopende band gebeurt. Maar daar, heb ik de indruk, wordt er toch behoedzamer en verstandiger een verhaal geconstrueerd dat zowel verzonnen als ook echt gebeurd is. En dan in een historische aankleding die weergaloos is; de manier waarop in aflevering 2 van The Crown wordt ingezoemd op de belknop waarmee Elizabeth II aan haar lakeien duidelijk maakt dat de verse premier Thatcher de koninklijke vertrekken mag betreden wil ons vertellen: kijk, wij weten hoe die bel er uitziet, en als we het niet weten, geloven jullie het toch.

In de Vliegende Hollanders zitten wel meer historische feiten die wat ruw met elkaar in verband worden gebracht. In aflevering 4 pleegt Fokkers vrouw Violet Austman zelfmoord door in New York uit het raam te springen. Ze is dan net van een verblijf in een sanatorium op het platteland teruggekeerd. Daar zat ze wegens ‘nerveuze spanningen’, veroorzaakt door de algemene verwaarlozing door Fokker. De directe aanleiding volgens de Vliegende Hollanders is dat Fokker wil slapen in plaats van praten omdat net iets ergs is gebeurd: een van zijn vliegtuigen is net in Kansas neergestort met een beroemde football-coach als een van de dodelijke slachtoffers – en dat is slecht voor de naam van het bedrijf. Maar: die crash met Knute Rockne aan boord vond plaats op 31 maart 1931, en Violet was op 8 februari 1929 gesprongen. Ik vind het maar niks, dat klonteren op die manier.

Dit en andere gevallen komen vast nog wel eens terecht in een van mijn favoriete onderdelen van filmwebsite IMDB: de ‘goofs’. Daar zijn de feitencheckers aan het werk, die in de gaten houden of de petten van politieagenten in een film die zich in 1947 in Missouri afspeelt ook echt in 1947 in Missouri bij het politie-uniform hoorden. Dit verzin ik nu, maar sinds een paar dagen, kort na de première van The Queen’s Gambit, staan bij de goofs daar prachtige opmerkingen als deze: ‘Much of the music played on the piano by the stepmother is by French composer Erik Satie. Although Satie had died in the 1920s, his music went into obscurity until it was rediscovered in the mid-1960s. It is highly unlikely that the character would have been able to find his music in a Kentucky music store in the 1950s.’ En uiteraard kijken er ook mensen kritisch naar het schaken: ‘Algebraic chess notation (i.e. a1-h8), which appears frequently throughout the series, was extremely rare in the 1960s. It did not become the official chess nomenclature until 20 years later. At the time, descriptive notation (e.g. P-K4, N-KB3) was by far the predominant notation.’

Filmmakers moeten er altijd voor zorgen dat er geen goofs in hun film zitten, want er zijn altijd mensen als ik.

zaterdag 14 november 2020

Vliegende Hollander (6): Boven Duitsland op 1 mei 1933

De luchtvaartpionier in mijn schoonfamilie, Co van Tijen (1897-1958), ging in 1932 in opdracht van het Syndicaat voor Luchtschipverkeer met Nederlandsch-Indië naar het Duitse Friedrichshafen (aan het Bodenmeer), waar sinds 1898 de Luftschiffbau Zeppelin was gevestigd. Van Tijen moest de mogelijkheden van de luchtscheepvaart in kaart brengen en hij deed dat door bemanningslid te worden en in totaal 74 vaarten met de Graf Zeppelin LZ 127 te maken. Hij was in totaal 2666 uur in de lucht en legde een afstand af van 272.000 kilometer. ‘Van die reizen volbracht ik er: 3 aan het koersroer, 16 aan het hoogteroer [en] 40 bij de navigatie’, schreef hij in een verslag aan zijn Nederlandse opdrachtgever eind 1933. Een kopie van het verslag bevindt zich in het familiearchief, net als de gedrukte versie van een lezing waarin hij een jaar eerder over zijn ervaringen vertelde. Vierentwintig tochten gingen over de Atlantische Oceaan.

Een van de 74 vaarten vond plaats op 1 mei 1933 boven Duitsland, op 1 Mei 1933 eigenlijk, Mei met een hoofdletter, want ook de Duitse nationaalsocialisten, die net een paar maanden aan de macht waren, vierden de Dag van de Arbeid. Vanwege de feestdag was er een ‘Deutschlandfahrt’, en oom Co was aan boord. Ik weet niet of deze tocht al een propagandavaart was, zoals later zou gebeuren met de Zeppelins – ik ga het wel eens uitzoeken. De paar stukken in het familiearchief zeggen er niets over. De briefkaart die Co van Tijen op 1 mei 1933 vanuit de Graaf Zeppelin aan zijn broer Remmert in Den Haag stuurde draagt er in elk geval nog geen sporen van. Geen postzegels met de nieuwe leider, geen hakenkruizen. Wel speciale stempels.


Het handschrift van Oom Co is, zoals altijd, moeilijk te lezen: ‘Een groet van de “Deutschlandfahrt”. Je hebt dan meteen de postzegels. Gisteravond 12 u. opgestegen, toch altijd weer fascinerend, vooral ’s nachts. Momenteel zitten wij in de wolken ergens boven Dortmund, wij hebben een flauw zonnetje, onder is ’t mist. Ze treffen het niet met hun feest. Ik hoop, dat wij wat van Bremen en Hamburg zien, de rest komt er niet zooveel op aan. 30 passagiers a[an] b[oord]. Joost weet waar ze geslapen hebben. Ik wel, niet![?]’ Interessant is dat ‘hun’ in ‘[z]e treffen het niet met hun feest’. Het was niet het feest van Oom Co, want hij was geen socialist, maar van de nazi’s moest hij ook niets hebben. Na de Duitse bezetting van Nederland werd hij actief in het verzet, met gevangenschap in Haaren, Sachsenhausen en Buchenwald tot gevolg. Zijn broer Remmert was zijn compagnon in het verzetswerk, hij stierf in Duitse gevangenschap.

Oom Co filmde en fotografeerde tijdens zijn reizen, zoals we eerder al zagen. Twee afdrukken van foto’s die hij tijdens een van zijn Zeppelinvaarten maakte zijn in het familiearchief bewaard: een van het interieur van de LZ 127 en een van, denk ik, Zeppelin-baas Hugo Eckener die uit het raam kijkt. Op andere foto’s op het Internet draag Eckener ook vaak zo’n petje.





zaterdag 7 november 2020

Vliegende Hollander (5): In de ballon

De luchtvaartpionier in mijn schoonfamilie, Co van Tijen (1897-1958), deed ook aan ballonvaart. Dat wil zeggen: hij deed één keer mee aan een ballonwedstrijd, en niet zo maar een wedstrijd. Op 20 augustus 1935 meldde de Nieuwe Tilburgsche Courant: ‘Voor bet eerst in de geschiedenis der ballonwedstrijden om den Gordon Bennet-beker zal een ballon onder Nederlandsche vlag in dezen welhaast klassieken luchtwedstrjjd uitkomen. Voor de race van dit jaar, waarvoor de start omstreeks half September in Polen zal plaats vinden, is door de Kon. Ned. Vereeniging voor Luchtvaart ingeschreven met zijn équipe, bestaande uit ir. M. ten Bosch als balloncommandant en de heer J. E. van Tijen als hulppiloot.’ De Gordon Bennett Cup (de Tilburgse krant vergat een t) was er al sinds 1906 en bestaat nu nog steeds.

Op 15 september 1935 vertrokken Maurits ten Bosch en Co van Tijen vanuit Warschau als een van de dertien deelnemende ballonnen. Een dag eerder liet Co vanuit een deftig hotel in de Poolse hoofdstad nog iets van zich horen door middel van een brief aan zijn broer Remmert en diens vrouw Kinnie. Op de dag van het vertrek zien we op Poolse persfoto’s uit het familiearchief Oom Co (links) en Ten Bosch voorbereidingen treffen vóór hun ballon – een gehuurde Poolse ballon overigens, de Torún.

Het had ook een picknick kunnen zijn, afgezien van de apparaten op de voorgrond, waarvan er een misschien wel de barograaf was die ze kort voor het vertrek nog even hadden laten calibreren door het KNMI.

Het standaardwerk over de ballon- en luchtschaapvaart in Nederland, Lichter dan lucht, los van de aarde van Han Nabben (2011), weet te vertellen dat de start op 15 september om 16.40 uur plaatsvond. De bedoeling was om zo ver mogelijk te komen. De winnaar, een Pool, bleef bijna 58 uur in de lucht en legde 1650 kilometer af, Ten Bosch en Van Tijen hielden het 39 uur en 970 kilometer vol. Zij landden in de buurt van Bologoje in Rusland, bijna op de kilometer halverwege Moskou en het toenmalige Leningrad. Ze behaalden de zesde plaats. Het prijzengeld bedroeg 1200 złoty. Wat dat omgerekend in Hollandsche guldens betekent vermeldt het familiearchief niet.



woensdag 28 oktober 2020

Vliegende Hollander (4): Oom Co en de Zepp

De luchtvaartpionier in mijn schoonfamilie, Co van Tijen (1897-1958), deed allerlei spannende dingen toen het vliegen nog geen doodnormale zaak was. Over een paar afleveringen zal hij in de televisieserie Vliegende Hollanders een rol spelen als directeur van de Fokker-fabrieken, maar voordat hij dat werd had hij in 1930 bijvoorbeeld al de eerste zweefvlucht van enige omvang in Nederland gemaakt, hij vloog later dat jaar als eerste solo naar Nederlands-Indië, hij deed in 1935 mee aan de Gordon-Bennett-ballonrace en hij voer in de jaren dertig 74 keer als bemanningslid mee met de Graf Zeppelin LZ 127.

Een van die tochten met de Graf Zeppelin ging eind 1932 naar Zuid-Amerika, en die reis is goed gedocumenteerd, want Van Tijens reisgezel Henri Hegener deed er in de krant verslag van, in de Haagsche Courant bijvoorbeeld. Die verslagen geven soms verrassende informatie. Wanneer de Graf Zeppelin Recife in Brazilië aandoet, schrijft Hegener: ‘Vanuit den stuurgondel van de Zepp, die direct telefonisch met de stad verbonden is, werd voor ons een taxi besteld en met Colonel den Master of Sempill en Van Tijen vertrokken we City-waarts’. En dan denken wij stiekem nu nog dat je in Brazilië nergens bereik hebt. Die Master of Sempill was, vind ik op het internet, de Schotse luchtvaartpionier William Francis Forbes-Sempill, 19th Lord Sempill (1893-1965). Hegener (1894-1977) was ook een vroege vlieger, hij geldt ook als de eerste luchtvaartjournalist (hij schreef o.a. een boek over Anthony Fokker).

Oom Co vloog niet alleen graag, hij was ook een fanatiek zeiler en hield van mooie auto’s. En hij fotografeerde en filmde. Hij maakte tijdens Zeppelin-vluchten filmopnamen boven New York en andere steden overal ter wereld. Een bijzondere foto kwam tevoorschijn bij het op orde brengen van de nalatenschap van een van zijn nichtjes. Zij had een aantal interieurfoto’s van haar ouderlijk huis ingelijst, en toen we die lijst ontmantelden om de foto’s wat handiger in het familiearchief te kunnen opbergen, bleek dat ze waren opgeplakt op de achterkant van de foto van Oom Co die ik hier laat zien: de Graf Zeppelin LZ127 in Recife.


dinsdag 20 oktober 2020

Vliegende Hollander (3)

Co van Tijen, de luchtvaartpionier in mijn aangetrouwde familie die nog een rol gaat spelen in de televisieserie Vliegende Hollanders, kwam uit een interessante familie. Hij had drie broers en een zuster. Een van die broers was Remmert, de grootvader van mijn echtgenote. Hij was een marineman, werd onderzeebootkapitein en later hydrograaf en overleed als verzetsman in Duitse gevangenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een andere broer was Willem, die naam zou maken als architect. De zus, Jo, trouwde met Gerard Lugt, een vooraanstaande ingenieur bij Werkspoor in Amsterdam, en de nog niet genoemde was Henk, ook een ingenieur, die het tot directeur van de Schelde-werf in Vlissingen zou schoppen. Henk was de oudste, Co de jongste, en dat leidde in de familie tot dit verbale familieportret: ‘Henk, Jo, de jongens en Co’. Het is de werktitel voor een boek over de familie dat ik graag zou schrijven.

Co van Tijen (1897-1958) speelde vanaf eind jaren twintig op allerlei manieren een rol in de opkomende Nederlandse en ook in de internationale luchtvaart. Dezer dagen negentig jaar geleden, in het najaar van 1930, was hij bezig met een solovlucht naar Nederlands-Indië. Hij was in die tijd de reclameman van de chocoladefirma Van Houten en de reis was een reclamevlucht. Materiaal genoeg in het familiearchief en elders om daar nog eens op terug te komen. Maar er waren nog meer mensen in de familie die vlogen. Een paar neven bijvoorbeeld. Ik noemde in een vorige aflevering al Gerard Lugt jr., zoon van zus Jo van Tijen, die in 1944 als militair piloot in Nederlands-Indië verongelukte. En dat was niet het eerste vliegongeluk in de familie. Een ander neefje, Remmert van Tijen, zoon van broer Henk, de Schelde-directeur, stortte in 1939 neer en kwam om.

Deze Remmert – de naam komt al eeuwen in de familie voor – was leerling van de Rijksopleiding voor Verkeersvliegers in Amsterdam en had al een brevet voor sportvliegtuigen. Hij mocht daarom de ‘luchttaxi’s’, vierpersoons vliegtuigjes, type FK 43, gebouwd door Frits Koolhoven, besturen. Hij zou op zaterdag 10 juni 1939 een rondvlucht maken vanuit Amsterdam en stops maken in Haamstede en Vlissingen, om daarna naar Amsterdam terug te keren. Maar bij het naderen van het toenmalige Vliegpark Vlissingen ging het mis en de PH-AJK, die de naam Krekel had gekregen, stortte neer op het strand, niet ver van het ouderlijk huis van Remmert van Tijen aan de Boulevard Bankert. Twee andere inzittenden vonden de dood. Vermoedelijk, zeggen de kranten uit die tijd, was het vliegtuigje te zwaar beladen omdat er behalve drie personen ook veel bagage aan boord was. Getuige van de ramp was mijn schoonvader, een van de beste vrienden van Remmert van Tijen. Hij zou later met een nichtje van de omgekomene trouwen.



In het familiearchief-Van Tijen bevindt zich een aantal foto’s van Remmert van Tijen in en bij een vliegtuig, een zweefvliegtuig deze keer. Het internet is ook nu behulpzaam en vertelt me dat het gaat om een Grunau Baby IIa, gebouwd in 1936 door de NV Vliegtuigbouw in Deventer. Dit ‘Roenkel’ gedoopte toestel ging naar de Walcherse Zweefvliegclub in Vlissingen, waar ook deze foto’s gemaakt zullen zijn. Eind juli 1939 werd het vliegtuig bij een landing beschadigd. Er waren geen slachtoffers, behalve het toestel, want dat vloog waarschijnlijk nooit meer. De foto’s zijn nog wat nader te dateren met een ander vliegtuigongeluk. Op een van de kiekjes staat namelijk, behalve de Roenkel, een Douglas DC-2 met het vliegtuigregistratienummer PH-ALF. Die was sinds april 1936 in Nederland en was ‘Flamingo’ gedoopt. Op 28 juli 1937 zou het vliegtuig ten zuiden van Brussel neerstorten vanwege technische complicaties; alle inzittenden, 4 bemanningsleden en 11 passagiers, kwamen om het leven.