donderdag 12 januari 2023

EMMER

Ik ben er nog nooit geweest, in Emmer-Compascuum, maar ik heb het wel altijd een mooie plaatsnaam gevonden. Ook over het culturele leven in Emmer-Compascuum weet ik niets, net zo min als over de leesgewoonten daar. Ik weet alleen dat het in het Emmer-Compascuumse boekenwezen druk was de afgelopen weken. Op Boekwinkeltjes.nl kwam er namelijk een Boekwinkeltje bij, waarmee het aantal Boekwinkeltjes in Emmer-Compascuum verdubbelde.

Persoonlijk ben ik van mening dat het aantal Boekwinkeltjes in een gemeente wel iets zegt over de leefbaarheid ter plaatse. In mijn geboorteplaats Kerkrade (45.000 inwoners) zijn sinds jaar en dag vier Boekwinkeltjes actief – of passief, want een van de vier is al jaren ‘tijdelijk gesloten’. Een van de andere drie biedt al jaren één boek aan zonder het te verkopen, de volgende 12 en de laatste 45. Dat ongeveer is de toestand in mijn geboorteplaats.

Had ik trouwens al ooit verteld over de laatste echte winkel in tweedehands boeken in Kerkrade? Die is er nu al weer een jaar of dertig niet meer, want toen onze zoon een jaar of zeven was ben ik nog een keer met hem gaan kijken – korte tijd later was de zaak dicht. Rondkijken en snuffelen was niet de bedoeling in die winkel, zo bleek, want toen mijn zoon de bakken met strips begon door te kijken kreeg hij van de man achter de toonbank het dringende verzoek dat te laten. Wat wel de bedoeling was hadden we al kunnen constateren, want in de korte tijd dat we er waren kwamen er een paar heren op leeftijd binnen die bij de kassa een envelop vanonder de genoemde toonbank kregen, afrekenden en weer vertrokken. Vieze boekjes!

Terug naar die aantallen Boekwinkeltjes per gemeente. Om het contrast aan te geven: mijn huidige woonplaats Odijk (5700 inwoners) telt 7 Boekwinkeltjes, die in totaal bijna 11.000 boeken aanbieden. Hier is het goed wonen.

Maar goed: Emmer-Compascuum. Op de homepage van Boekwinkeltjes worden nieuwe handelaren altijd rechtsboven aangekondigd, en daar zag ik in de loop van december het Boekwinkeltje ‘depragmatischeaspect’ verschijnen. Ik klikte door, want bij zo’n naam ben je wel nieuwsgierig naar de manier waarop ze welke boeken aanbieden. Maar ‘depragmatischeaspect’ bleek nog niet geopend. 'Gelieve later terug te komen' staat er in zo'n geval. Om de wachttijd te doden keek ik even hoeveel Boekwinkeltjes Emmer-Compascuum (7700 inwoners) al telde. Het bleek er één: ‘Vivliofagos’. Deze boekenverslinder biedt twee boeken aan, maar aan de prijs te zien wil hij of zij ze niet kwijt.

De dagen na de oprichting van ‘depragmatischeaspect’ keek ik regelmatig of ze al open waren, maar dat was niet zo. Wel verscheen er na een paar dagen een nieuw Boekwinkeltje op Boekwinkeltjes.nl: ‘pragmatischeaspecten’. Aha, dacht ik: ze hebben de taaladviesdienst geraadpleegd en aan Boekwinkeltjes gevraagd of ze de naam kunnen veranderen. Ik verwachtte dan ook dat ‘depragmatischeaspect’ snel zou verdwijnen. Quod non, zou Vivliofagos zeggen, integendeel: ‘pragmatischeaspecten’ verdween! Sindsdien, een week of drie geleden nu, wacht ik op het verschijnen van de eerste boeken die ‘depragmatischeaspect’ gaat aanbieden.

Ik houd u op het hoogte, zoals ze in Emmer-Compascuum zeggen.

 


zondag 30 oktober 2022

Niet thuis

Mijn afdeling tweedehands boeken komt wel eens bij mensen thuis en nog vaker bij mensen die niet meer thuis zijn, omdat ze overleden zijn namelijk en hun boeken ergens heen moeten. Een paar jaar geleden kreeg ik het verzoek te komen kijken naar het papier dat een overledene bij leven had verzameld. De alleenstaande man had een klein huisje bewoond, ergens in een van de oude wijken van een van onze grote steden: woonkamer, keuken en een serretje beneden, boven een slaapkamer, nog een kamertje, een overloop. Overal, behalve in de lege slaapkamer, stonden en lagen boeken: de familie had uitgezocht wat ze wilde bewaren en de meeste meubels al verwijderd.

De enige stoel in de keuken en het fornuis daar maakten duidelijk dat de bewoner niet van schoonmaken hield. Ook de boeken, en zeker die in de tweede kamer boven en op de overloop, waren deels stoffig en hadden geleden van net iets te klamme omstandigheden. Maar toch was er genoeg interessants om mee te nemen. Dat het leven niet altijd over rozen gaat bleek toen ik een stapeltje brieven achter een rijtje Godfried Bomansen - het ging om een familie met Haarlemse connecties - tevoorschijn viste die de familie nog niet had ontdekt. Het was de briefwisseling van de bewoner met zijn moeder, zo vertelde de aanwezige neef, ook dat het tussen de twee niet erg boterde.

Het bijna lege huisje, de verstopte brieven en de resterende tekenen van leven van de nu ontbrekende bewoner straalden eenzaamheid uit. Dat deden zeker de sporen die op de muur van de lege slaapkamer waren achtergebleven, daar waar het hoofdeinde van het bed had gestaan. De knop onderaan het koord naar de lichtschakelaar bij het plafond had door jarenlang heen en weer bungelen een groef in de muur gemaakt. De vlek die het gepommadeerde – laten we dat maar aannemen – haar van de lezende en in slaap vallende bewoner in de loop van de tijd had gevormd maakte er een surrealistisch tafereel van.

maandag 17 oktober 2022

Goed verzorgd

Vanaf 1 januari 2023 zal, onder de paraplu van het Prins Bernhard Cultuurfonds, het Rudy Kousbroek Fonds actief zijn, dat is ontstaan op initiatief van ‘diverse betrokkenen uit het literaire veld’. Het doel van het fonds is ‘publicaties van verzameld-werkuitgaven van Nederlandstalige auteurs mogelijk te maken, alsmede van andere monumentale edities van Nederlandse of vertaalde literatuur, waarvan het literair c.q. literair-historisch belang evident is. / De achtergrond voor de oprichting is de constatering dat het steeds moeilijker wordt om van het werk van belangrijke auteurs een goed verzorgde gedrukte verzameluitgave op de Nederlandstalige markt te brengen, gericht op een algemeen cultureel lezerspubliek.’
Dat is een nobel streven, maar ik vraag me af of een dergelijke doel met particuliere donaties bereikt kan worden. Deskundigheid en tijd – het kost allemaal bakken vol geld, en dat moet het nog allemaal gepubliceerd worden. Als ik met een erg natte vinger uitreken wat mijn voorstel voor zo’n door het Rudy Kousbroek Fonds zou kosten, dan vrees ik dat zo’n plan het alleen al vanwege de rekensom niet zou halen. Het betreft de uitgave van een briefwisseling van twee schrijvers, zo’n 170 brieven dik. Voor zo’n editie is archiefonderzoek nodig, de brieven moeten netjes worden getranscribeerd, er komen noodgedwongen nogal wat voetnoten aan zo’n uitgave te pas wil je een beetje duidelijk maken waarover de twee schrijvers zoal heen en weer schreven, enzovoort. En dan krijg je nog de uitgave zelf, die, van papier of digitaal, ook het nodige kost. Een jaar of twee werk in deeltijd (ik word een jaartje ouder) zal zo’n uitgave toch wel nodig hebben, met een passende vergoeding – reken maar uit.
Wat zou mijn voorstel voor zo’n door het Rudy Kousbroek Fonds ondersteunde uitgave dan zijn? Ik zou de door Willem Otterspeer bezorgde briefwisseling tussen Willem Frederik Hermans, Rudy Kousbroek en Ethel Portnoy willen overdoen, want dat is een van de beroerdst bezorgde brievenedities die ik ken. Het boek verscheen in 2009 bij De Bezige Bij onder de titel Machines en emoties. Willem Frederik Hermans, Ethel Portnoy. Een briefwisseling. Otterspeer mist vele talenten, een daarvan is dat van een bezorger van historische documenten. Hij doet maar wat, heeft geen clou van de presentatie van ongepubliceerde bronnen, of iets geannoteerd wordt of niet wordt bepaald door willekeur, soms getuigt wat er staat van een gênante domheid.

Een voorbeeld in de laatstgenoemde categorie dat ik in huiselijke kring graag vertel gaat over deze zin uit een brief van Kousbroek aan Hermans van 28 september 1966: ‘Gisterenavond hebben we een toneelstuk van le douanier Rousseau gezien. Subliem, zonder overdrijving. Het heet La vengeance de l’orpheline Russe.’ De lezer, die vermoedelijk weet dat het bij ‘le douanier Rousseau’ gaat om Henri Rousseau (1844-1910), zou verbaasd kunnen zijn over het feit dat deze kunstschilder ook schreef en wil waarschijnlijk informatie over het toneelstuk. Een deskundige bezorger maakt daarom een voetnoot met bibliografische en eventueel andere gegevens, bijvoorbeeld waar Kousbroek iets over dit toneelstuk schreef. Maar de ondeskundige bezorger doet dat niet, want Otterspeer heeft niet verondersteld dat Kousbroek iets over dit toneelstuk had geschreven en ook niet gezien dat dat artikel in Anathema’s, deel 1 (1969), gebundeld is. Had hij van dit alles een nette voetnoot gemaakt, had hij in het register van de editie waarschijnlijk niet laten weten dat het hier gaat om Jean-Jacques Rousseau, de filosoof. Echt waar. Violette Leduc (schrijfster, twintigste eeuw) en Eugène Viollet-le-Duc (architect, negentiende eeuw) gooit de professor ook op die manier door elkaar.

En zo kan ik nog wel een weekje doorgaan, maar daarvoor had ik graag een bijdrage uit het Rudy Kousbroek Fonds.

Ik ben niet de enige die zo over de bezorgerskwaliteiten van de intussen voormalige hoogleraar denkt. Nop Maas bijvoorbeeld is het met mij eens, al zegt hij het anders. Maas bezorgde één briefwisseling samen met Willem Otterspeer: Willem Frederik Hermans en Gerard Reve. Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel. Een briefwisseling, in 2008 verschenen bij De Bezige Bij en goedgekeurd door het Willem Frederik Hermans instituut (de briefwisseling met Kousbroek moest het doen zonder dit bewijs van goedkeuring van de erven-Hermans). Nop Maas is een ervaren bezorger, onder andere van de tweedelige briefwisseling van Willem Frederik Hermans met diens uitgever Geert van Oorschot, respectievelijk Hierbij de hele God in proef (Van Oorschot aan Hermans) en Je vriendschap is werkelijk onbetaalbaar (Hermans aan Van Oorschot) getiteld, in 2003 respectievelijk 2004 verschenen bij Van Oorschot respectievelijk De Bezige Bij verschenen. Waarom dat niet in één boek kon gaat misschien nog eens iemand van de respectievelijke betrokkenen uit de doeken doen, maar Nop Maas deed het deels dubbele werk met verve en deskundig.

Maas was ook de bezorger van een aantal brievenedities van Gerard (van het) Reve, die weer hun eigen uitdagingen – vooral Reve en Schafthuizen geheten – kenden. Over die uitgaven en hun bijzondere omstandigheden verscheen in 2020 een klein maar fijn en amusant en leerzaam boekje: Nop Maas, Altijd wat. Over het maken van brievenuitgaven van Gerard Reve (Leiden: Fragment, oplage 100). Ook het maken van de briefwisseling Van het Reve/Hermans komt ter sprake, op p. 39:

‘De Hermans-correspondentie deed ik samen met Willem Otterspeer. De voor de hand liggende verdeling van werkzaamheden was dat Otterspeer de Hermansbrieven zou becommentariëren en ik die van Reve. De beide editeurs zijn echter verschillende types. Otterspeer meer de schrijver en essayist, ik meer de filoloog en krantenlarf. Het leek een beetje op de relatie tussen Kees Fens en Harry – Koning Voetnoot – Prick. Als Fens iets niet wist belde hij Prick en als die het niet wist, besloot Fens dat [het] niet te vinden was. Terwijl je natuurlijk ook de trein kunt nemen naar de Koninklijke Bibliotheek om het daar in een oude krantenlegger op te zoeken.’

Dat is ook een manier om te zeggen dat Otterspeer geen kaas heeft gegeten van editeren. Ik proef dat Maas ook wil zeggen dat Otterspeer geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het eindproduct. Dat is wat mij betreft goed te zien aan de kwaliteit ervan, want de briefwisseling Reve-Hermans is een op-en-top Nop Maas-editie, waarover ik geen vervelend stuk zou kunnen schrijven. De briefwisseling Kousbroek-Hermans, een jaar later verschenen, laat zien dat Otterspeer van zijn samenwerking met Maas niet heeft begrepen dat hij edities aan anderen moet overlaten. ‘Aanvaard enkel taken die binnen de deskundigheid vallen’ zegt de Nederlandse gedragscodewetenschappelijke integriteit, maar dat document heeft Otterspeer wel vaker aan zijn laars gelapt.

Dus, Rudy Kousbroek Fonds: graag die briefwisseling opnieuw laten bezorgen door iemand die niet denkt dat je kunt editeren als je kunt lezen en schrijven, het veterdiploma hebt of hoogleraar bent. De correspondenten, Hermans en Kousbroek, verdienen dat.

*

Ik schreef wel vaker over de mankementen van Otterspeers werk – u vindt die stukken wel ergens op dit blog als u ze (nog eens) wilt lezen. Over een andere editie die Otterspeer verprutste schreef ik ook een stuk: https://jangielkens.blogspot.com/2017/12/je-wordt-altijd-door-je-peers-mooi.html




vrijdag 23 september 2022

HIJ BLIJ

Iemand die ik vaag ken, een voormalige professor, kreeg een koninklijke onderscheiding, hij werd benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Vanwege ‘bijzondere verdiensten jegens de samenleving’ krijg je die. Hij blij.

Nou is het zo dat je koninklijke onderscheidingen heel gemakkelijk krijgt. Kijk maar naar het lijstje van onderscheidingen van onze huidige koning: hij is Grootmeester van de Militaire Willems-Orde, Ridder Grootkruis in de Orde van de Nederlandse Leeuw en Ridder in de Huisorde van de Gouden Leeuw van Nassau, hij is drager van het Grootkruis in de Huisorde van Oranje en van het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier, hij is Erecommandeur van de Johanniter Orde in Nederland en bovendien ontving hij de Inhuldigingsmedaille 1980, de Huwelijksmedaille 2002, de Inhuldigingsmedaille 2013 en – houdt u vast – het Elfstedenkruisje.
Hij heeft dus blijkbaar geen Verkeersdiploma. Ik wel.
Zijn dochter Amalia is ook goed begonnen. Op haar achttiende werd ze door haar pa benoemd tot Ridder-Grootkruis in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Die krijg je voor een ‘buitengewone prestatie op het gebied van kunst, wetenschap, sport of muziek’. Dat moet dan zijn omdat ze net zo goed kan zingen als haar oudtante Marijke. Die Orde van de Nederlandse Leeuw heeft overigens vier graden: Amalia begon meteen bij de hoogste. Maar ze hoeft alleen maar te wachten, zonder er iets voor te doen, tot ze nog een stapje hoger mag: dan wordt ze, net als haar pa, Grootmeester van de Militaire Willems-Orde. Daar heb je ook weer vier graden in, en ook die zal Amalia overslaan, let maar op.

Onder de in totaal acht graden van de Militaire Willems-Orde en de Orde van de Nederlandse Leeuw zit de Orde van Oranje Nassau. Die heeft zes rangen. De hoogste is Ridder Grootkruis, dan Grootofficier, dan Commandeur, dan Officier, dan Ridder, dan Lid. Als je die laatste krijgt, ben je de lul. Max Verstappen werd onlangs benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau, graad nummer vier dus van deze onderscheiding. Die vage kennis van mij waar ik het hierboven over had, de voormalige professor, moest het met een graadje lager doen: hij werd Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Wat is het verschil tussen die twee graden eigenlijk? De onderscheiding van Verstappen hangt aan een lint of een strik waarop een rozet, die van mijn vage kennis aan een lint of strik zonder rozet. Hij blij.

woensdag 14 september 2022

Fiep en de feitjes van Heleen

Een van de door De Bezige Bij ingehuurde feestredenaars uit het fonds van De Bezige Bij tijdens de feestelijke presentatie van het afsluitende deel 24 van de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans in de Nieuwe Kerk in Amsterdam was Heleen Debruyne, een, lees ik op Wikipedia, ‘Belgische auteur, columniste, feministe en radiopresentatrice bij radiozender Klara’. Debruyne vatte haar opdracht merkwaardig op: ze ging mies doen, eerst over haar grootvader en haar vader (maar dat moet ze zelf weten), en vervolgens over witte mannen die kritiek hadden op Willem Otterspeer en diens tweedelige Hermans-biografie, die ze tijdens een vakantie had doorgeworsteld vanwege een radioprogramma dat ze met hem maakte. Ze oogstte weinig applaus in de zaal, het kwam vreemd genoeg voornamelijk van witte mannen op leeftijd, want daar waren er erg veel van in de Nieuwe Kerk.

Wat hadden die witte mannen gedaan die Debruyne op het oog had? Ze hadden allerlei vervelende opmerkingen gemaakt over feitjes die niet klopten in de Hermans-biografie van Otterspeer en, bijvoorbeeld, de biograaf kwalijk genomen dat hij niet aan Fiep Westendorp had gevraagd wat zij precies voor een relatie had gehad met Hermans. Hé, dacht ik, toen ze dat zei, dat gaat over mij, want er is volgen mij maar één witte man die ooit moeite had met wat Otterspeer opschreef over Fiep Westendorp en Hermans, en dat ben ik. Maar ik verweet de biograaf niet dat hij Fiep niet gevraagd had etc. Mijn probleem met Otterspeer en Fiep was dat de biograaf zomaar, in het voorbijgaan, in 120 woorden en zonder één enkele bronvermelding, suggereerde dat de tekenares en Hermans een intieme relatie hadden, alleen maar op grond van het feit dat de twee elkaar kenden en dat Fiep een paar keer in Hermans’ agenda voorkomt. Dat ziet er in al zijn ellende zo uit:

‘Maar voor dit het geval was, had hij nog een andere “kennis” van enig belang, een inmiddels tamelijk beroemde zelfs, Fiep Westendorp. / Fiep moet een frappante gelijkenis vertoond hebben met Juus Hartman: ook zij was ouder dan Hermans (van 1916), kunstenares en kwetsbaar. Tussen april en juni 1949 zagen ze elkaar met grote regelmaat. Fiep was bevriend met Roland Holst en Carmiggelt en maakte wekelijkse illustraties voor Vrij Nederland en Het Parool. In de agenda van 1949 (bij 10 mei, maar het hoeft niet die datum te zijn): “Tentoonstelling Fiep. Konijntje dat in giraffe klimt. Mannetje met koffer, kennelijk op reis. In z’n handen een ijzeren aquarium met twee vissen.” Hoe ver het ging en waartoe het leidde is niet bekend.’

Fiep komt verder in de biografie (2200 pagina’s) nergens voor. Om deze zeker voor een biograaf kwalijke onzin – de twee delen staan er vol mee – enigszins luchtig aan de kaak te stellen schreef ik een artikel waarin ik met dezelfde methode – suggestie – een veel plausibelere relatie ‘onthulde’: die van Hermans met Gerard Kornelis van het Reve. Die staat veel vaker dan Fiep in Hermans’ agenda, ze waren, het is algemeen bekend, goed bevriend totdat ze het niet meer waren. Met een paar uit hun verband gerukte gegevens en een flinke portie suggestie kom je een heel eind om de bekende foto van Cas Oorthuys van de twee schrijvers bij een Amsterdamse krul een heel andere betekenis te geven.



Wat Heleen Debruyne, die dus ooit samen met Otterspeer een radioprogramma over Hermans maakte, daar in de Nieuwe Kerk deed is dit: ze verklaarde de biograaf haar liefde door zijn methode van suggestie en nepfeitjes te volgen. Het is goed om die methode te kennen voor wie haar de volgende keer op Klara cultuurjournalistje hoort spelen: de kans dat ze uit haar nek kletst is erg groot. Met de geschetste methode is het overigens niet zo gek om te veronderstellen dat Otterspeer en Debruyne het samen gezellig moeten hebben gehad daar in Brussel, een jaar geleden, heel erg gezellig. Hoe ver het ging en waartoe het leidde is niet bekend.


Dit is het artikel waar ik hierboven op doel: 

https://jangielkens.blogspot.com/2016/11/degeheime-relatie-van-willem-frederik.html


dinsdag 23 augustus 2022

Ei!


We hadden een familieweekeinde in Parc Spelderholt in Beekbergen. Parc Spelderholt, gelegen in een hoekje van het landgoed Spelderholt, is van alles: een zorginstelling, een opleidingsinstituut voor jongeren met een beperking, die bijvoorbeeld worden opgeleid om te werken in het hotel en conferentieoord dat Parc Spelderholt ook is. Erg prettig allemaal. Tegenover het hotel ligt een landhuis dat ‘kasteel’ wordt genoemd. Het werd in 1907 gebouwd. Tijdens de bezetting werd het gevorderd door de bezetter. Na Dolle Dinsdag 4 september 1944 kwam Rijkscommissaris van Nederland Arthur Seyss-Inquart er met zijn familie wonen omdat het westen van het land hem te heet onder de voeten werd. Na de oorlog nam een ander soort boef er zijn intrek, Prins Bernhard namelijk, die er in de speciaal voor hem gecreëerde nep-militaire functie van bevelhebber der Nederlandsche Binnenlandsche Strijdkrachten (de voormalige verzetsgroepen) allerlei Duits en ander materieel vorderde om in rond te rijden en te vliegen en dat spul vervolgens voor eigen beurs te verkopen. Ik hoorde dat er bij de rondleidingen daar ook wordt gerefereerd aan de dames die de prins in het kasteel ontving. Prinses Juliana kwam ook af en toe.

Tegen dat kasteel keken we dus aan tijdens onze familiebijeenkomst, die voor mij een schoonfamiliebijeenkomst was, maar dat maakt na ruim 45 jaar met die familie weinig uit. Ik beheer zelfs het familiearchief van een tak van mijn schoonfamilie. Uit dat familiearchief nam ik een doos mee met archiefmateriaal en foto’s van een familielid dat ook een verleden op Spelderholt had. Dat familielid was Willem Frederik van Tijen, roepnaam Itte. Oom Itte was de broer van de moeder van mijn echtgenote, die ik graag schoonmoeder had genoemd als zij in 1969 niet veel te vroeg was overleden.

Oom Itte werd in 1920 geboren in Vlissingen, maar zijn familie vertrok, toen hij een kleuter was, naar Ambon, waar vader Van Tijen een paar jaar lang hydrografisch werk voor de marine deed. In 1928 kwam aan dat verblijf een einde. Na de hbs vertrok Itte in 1938 naar Vermilion in de Canadese provincie Alberta om daar tot 1940 een opleiding te volgens aan de plaatselijke School of Agriculture. Terug in Nederland ging hij in Wageningen studeren, een studie die werd onderbroken toen de Nederlandse studenten begin 1943 een loyaliteitsverklaring aan de Duitse bezetter moesten ondertekenen om verder te kunnen studeren. Oom Itte deed dat niet: hij dook eerst, samen met mijn schoonvader, onder en kreeg vervolgens een baan in de Engewormer-polder als beheerder van een proefboerderij van de firma Wessanen, waar de familie Laan de scepter zwaaide. Ittes grootmoeder was een Laan – vandaar. Na de bezetting rondde hij zijn studie af. Oom Ittes specialisme: pluimvee.

Na de studie lokte Canada weer, waar Itte een in 1950 in Red Deer, Alberta, een onderzoeksbaan kreeg. Achterin het plakboek met zijn levensverhaal dat Ittes moeder voor hem maakte bij zijn afscheid staan de namen van familieleden en vrienden die bij die ‘uitstuif’ aanwezig waren. Twee van die personen waren er ook nu in Spelderholt weer bij. In de linker rij met namen in het plakboek staat, bijna onderaan en heel bescheiden, ‘Lous’. Dat was Lous Hijnekamp, de verloofde van oom Itte, die niet meeging naar Canada. Dat gebeurde later pas, in 1955. Vlak voor Lous’ vertrek, want alles moest heel netjes blijven, trouwden Itte en Lous, en wel met de handschoen. In het familiearchief zit een halve trouwfoto. Of er in Canada ook een foto is gemaakt, vertelt het archief niet.

Itte en Lous kwamen op zeker moment weer terug, want Oom Itte kreeg een baan bij de overheidsinstelling die uiteindelijk Instituut voor Pluimveeonderzoek ‘Het Spelderholt’ zou gaan heten. Een paar artikelen die van W.F. van Tijen in het kader van zijn werkzaamheden publiceerde kon ik vinden. Ze hebben titels als ‘The consequences of selection for shell quality’, ‘Selectie op schaalkwaliteit’ en ‘Shell quality in poultry as seen from the breeder’s viewpoint’. Sommige van die artikelen staan online, zoals ‘On the relationship between the height of the thick albumen and the weight of eggs’ uit 1968, dat, als je het wilt lezen, te koop is. Gratis te lezen is een deel van de samenvatting: Calculations from data of egg quality obtained at four Regional Experimental Farms for Poultry Husbandry and at the Central Institute for Poultry Research “Het Spelderholt” at Beekbergen, the Netherlands, support the conclusions advanced in recent American investigations that the uniform regression of Haugh (1937), which is used for the correction of the height of the thick albumen in relation to the egg weight (0.05 mm. per g. difference in weight), has no general validity. Only for fresh eggs at the beginning of the laying period was an average regression found which did not deviate significantly from the Haugh regression. Significant differences between farms and strain crosses were not established as long as exceptionally deviating circumstances were not considered. It was also found that as the laying period proceeded the Haugh correction factor for the height of the thick albumen in relation to the egg weight could have an adverse effect.’ Etcetera.

Itte en Lous van Tijen woonden in Beekbergen in een mooi vrijstaand huis, waar ze ons en anderen hartelijk ontvingen. Het was een bijzonder stel: Oom Itte was klein van postuur door een groeistoornis, Tante Lous was niet veel groter door een vergroeiing aan haar benen. Ze hadden een paar vogels als huisdier. Geen kippen, geen kanaries of parkieten, maar eenden. Alle andere dieren ter wereld droegen zij een warm hart toe met hun jarenlange inzet voor het Wereldnatuurfonds. Voor dat werk kregen ze een internationale onderscheiding van die organisatie. Lous overleed in 2002, Itte in 2009.

Het hotel van Parc Spelderholt is gevestigd in het voormalige laboratoriumgebouw van het pluimveeonderzoekinstituut. We zagen maar één kip tijdens ons verblijf daar. Ze staat voor het gebouw waar de wpsa zetelt, de World’s Poultry Science Association. Er waren wél kippenbouten bij het avondeten en eieren bij het ontbijt. Onze kleindochter, precies honderd jaar na Oom Itte en Tante Lous geboren, wist, toen ze langs het ontbijtbuffet werd gedragen, wat ze wilde eten: ‘Ei!’



zondag 14 augustus 2022

Herman’s Island etc.

Dezer dagen 14 jaar geleden reden we rond in Newfoundland, het Canadese eiland dat deel uitmaakt van de provincie Newfoundland and Labrador.
Vóór en na Newfoundland bezochten we twee andere provincies, Nova Scotia en Prince Edward Island. We deden een aantal plekken aan die Willem Frederik Hermans bezocht in de zomer en herfst van 1948, tijdens zijn verblijf daar als houtcontroleur. Newfoundland and Labrador was, toen Hermans er was, nog geen provincie van Canada, maar een 'dominion' van het Britse koninkrijk en als zodanig een land dat Hermans in die tijd in een notitieboekje in een lijstje met door hem bezochte landen kon zetten. Prince Edward Island bezocht Hermans overigens niet.
Over zo'n reis zou je een mooi boekje kunnen maken. Maar iemand anders had dat idee al gekaapt: de Hermans-biograaf. We hadden hem kunnen tegenkomen daar. Hij maakte er een ander boek van dan ik gemaakt zou hebben. Hij maakte ook een andere reis. Hij bezocht op Newfoundland bijvoorbeeld Cornerbrook, terwijl wij op de plaatsnaambordjes Corner Brook zagen staan.
De foto's van onze reis die verband houden met Hermans' reis zette ik indertijd in een aparte map op flickr.com: https://www.flickr.com/photos/25955360@N00/albums/72157607061047029.