woensdag 22 juni 2016

Slecht geschreven [2011]


Er zijn nog steeds Nederlanders die van Duitsers van nu de fiets van hun grootvader terug willen. In een ik-verhaaltje op de Achterpagina van NRC Handelsblad hoort een lezer of lezeres (ik heb het artikeltje even niet bij de hand) hoe de ene Duitser tegen de andere het woord ‘Mensch’ zegt. En ja hoor: de gedachten gaan meteen terug naar de bezetting, toen hij of zij ook een keer de ene Duitser tegen de andere dat woord hoorde bezigen. De moraal van het verhaal, zo lijkt het: Duitsers kunnen maar beter hun mond houden.

In de VPRO-gids gaat Maarten van Bracht nog een stapje verder. Hij kondigt, in een bijdrage met de titel ‘Slecht geschreven’, een televisiedocumentaire over Hitlers geschrift Mein Kampf aan. Zijn artikeltje is helemaal gezet in de Fraktur-drukletter, en omdat de VPRO-gids nooit artikelen over Duitse thema’s in deze letter zet, zal dat betekenen dat Van Bracht denkt dat de Fraktur iets met nationaalsocialisme te maken heeft. Maar dat is niet zo – integendeel.
Gotisch, dat is de benaming de meestal wordt gebruikt voor de Frakturletter. Historisch gezien zijn er nog meer gotische lettertypes, die vanaf het begin van de zestiende eeuw in heel Europa als drukletter werden gebruikt – niet alleen in Duitsland dus. In Duitsland bleef de letter het langst in zwang, hoewel ook daar al eind negentiende eeuw het Latijnse schrift steeds meer werd gebruikt. In 1932 werd nog slechts vijf procent van het Duitse drukwerk in Fraktur geproduceerd. Na 1933 kwam er een opleving omdat sommige hooggeplaatste nazi’s vonden dat gotische letters beter bij de Duitse volksaard pasten.

Maar Hitler zelf vond dat nou juist niet. Begin 1934 verklaarde hij dat de ‘vermeintliche gotische Verinnerlichung [schlecht passt] in das Zeitalter von Stahl und Eisen, Glas und Beton, von Frauenschönheit und Männerkraft, von hochgehobenem Haupt und trotzigem Sinn […]. Unsere Sprache wird in hundert Jahren die europäische Sprache sein. Die Länder des Ostens, des Nordens wie des Westens werden, um sich mit uns verständigen zu können, unsere Sprache lernen. Die Voraussetzung dafür: An die Stelle der gotisch genannten Schrift tritt die Schrift, welche wir bisher die lateinische nannten […].’ Het aandeel Frakturdrukwerk werd steeds kleiner, en in 1941 werd het gebruik van de letter zelfs verboden: de Fraktur werd tot ‘Jodenletter’ verklaard, met de argumentatie dat na de invoering van de boekdrukkunst vooral Joden drukkerijen hadden overgenomen. Maar dat was historisch gezien niet waar.

Het verbod op het gebruik van de Fraktur werd later in 1941 gevolgd door een verbod van het Kurrentschrift, de Duitse schrijfletter die sinds eeuwen in gebruik was, en ook het gebruik van de gestandaardiseerde variant daarvan, het Sütterlinschrift, was niet meer toegestaan. Deze gestandaardiseerde variant was ontwikkeld door de pedagoog Ludwig Sütterlin (1865-1917). Dat deze van Joodse afkomst was, was een bijkomend argument.
Van Bracht – het artikeltje ondertekent hij, in Fraktur natuurlijk, ter verhoging van de jolijt met ‘M. von Bracht’ – had wat ik hierboven opschreef allemaal op internet kunnen vinden. Maar het is natuurlijk veel leuker om je onderbuikgevoelens te volgen en alles wat Duits is of lijkt voor nazistisch uit te maken. Geert Wilders met nationaalsocialisme in verbinding brengen is uit den boze, maar een onschuldige letter: geen probleem.

Dit artikel werd eerder, op 8 november 2011, gepubliceerd op www.textualscholarship.nl. Op 11 april 2014 plaatste Maarten van Bracht deze reactie onder het stuk: ‘Gewraakt artikel is buiten mijn weten in Fraktur opgemaakt. De eindredactie heeft er buiten mijn weten “M. von Bracht” onder gezet. Ik denk niet dat de Fraktur iets met nazisme te maken heeft. Gielkens denkt dat ik dat denk. Gielkens denkt ook dat ik denk dat “het natuurlijk veel leuker” is “om je onderbuikgevoelens te volgen en alles wat Duits is of lijkt voor nazistisch uit te maken”. Dat denk ik niet en dat doe ik niet. Deze veronderstelling van Gielkens is kwalijk want op niets gebaseerd en ongepast voor een wetenschapper die – zeer terecht – melding heeft gemaakt van de vele onjuistheden in de Hermansbiografie van Otterspeer. / Het zou Gielkens c.q. het Huygens Instituut sieren zijn artikeltje “Slecht geschreven” van de site te (laten) verwijderen. / Met vriendelijke groet, Maarten van Bracht’.


vrijdag 17 juni 2016

Een Mei van Melle [2009]


Herman Gorter vond dat de bundels met zijn eigen gedichten simpel en dus mooi moesten zijn. Zolang hij er het toezicht op had waren ze dat. Alleen de eerste druk van Mei in 1889 had een traditionele negentiende-eeuwse band met een bloemversiering. Vanaf Verzen, dat een jaar later verscheen, hadden Gorters boeken bruinrode of rode linnen banden of crèmekleurige papieren omslagen.

Saai, zal menigeen denken, en er komen dan ook exemplaren voor waaraan een bezitter heeft zitten knutselen. Zo bezit ik een zesde druk van Mei uit 1921, die van zichzelf in rood linnen gebonden is, met daarop subtiele zwarte strepen. Maar iemand heeft stroken zwart papier over de goudstempeltjes met auteursnaam en titel op de rug geplakt en bovendien zowel over het voor- als het achterplat nog eens net zulke stroken papier in de vorm van kruizen, en wel zo dat titel van het boek (er staat geen auteursnaam op het voorplat) verborgen blijft. Waarom? Wellicht is het na 1927 gedaan ter herinnering aan de toen overleden dichter? Of gebeurde het tijdens de Duitse bezetting om een boek van een bekende socialist onherkenbaar te maken?
Bijzonder is het exemplaar van de achtste druk van Mei uit 1940, dat ik voor weinig geld kocht bij een handelaar op de wekelijkse Haagse boekenmarkt. Het is er een met een crèmekleurig omslag, zoals die bij een aantal drukken naast de roodlinnen exemplaren verschenen. Op het voorplat staat een tekening. De handelaar dacht misschien wel: Gorter is toch al geen auteur om geld mee te verdienen, en dan een zoveelste druk, en iemand heeft dit exemplaar bovendien verpest met gedoedel, het moet dus maar op de tafel met de goedkope boeken.
Ik kocht het boek vanwege de curiositeit, zonder te weten wat het precies was, zoals ik ook dat exemplaar met de kruizen had gekocht. Wát het was stond op een briefje dat in het boek lag en dat al snel na de aankoop te voorschijn kwam: de doedel op het voorplat is een originele pentekening van de surrealistische tekenaar en schilder Melle Oldeboerrigter (1908-1976). Het is een landschapje. Misschien is het wel een illustratie bij Mei-regels als deze: ‘als in een droom / Schijnt hoog gegroeid riet heen en weer te wiegen / Met schaarse starren barnend als vuurvliegen.’ De Melle-kenners laten bij navraag weten dat ze dit soort praktijken van de kunstenaar niet kennen.

Waar komt dit boek vandaan? Er zit een ex-libris op het schutblad, en dat is van de Amsterdamse arts en boekenverzamelaar Bob Luza, die in 1980 overleed en wiens bibliotheek in 1981 bij Van Gendt werd geveild. Maar in de catalogus van deze veiling komt deze Gorter niet voor.

Er zit nog iets in het boek: een krantenknipsel met de Kronkel ‘Vaarwel’ uit Het Parool van 28 mei 1976, vier dagen na het overlijden van Melle. Simon Carmiggelt vertelt over enkele ontmoetingen met de kunstenaar. Tijdens een van die ontmoetingen zei Melle volgens Carmiggelt: ‘Jô – ik kan toch zó prachtig schilderen, hè.’ En Carmiggelt antwoordde terecht: ‘Vind ik ook’.

Eerder, op 18 november 2009, gepubliceerd op www.textualscholarship.nl.

woensdag 15 juni 2016

Ik word een lesbische [2010]

Mijn favoriete kringloopwinkel heeft meer boeken dan de Koninklijke Bibliotheek. Soms, moet ik er snel bij zeggen voordat mijn KB-abonnement eenzijdig wordt beëindigd. Ik bedoel dit: naar de KB ga je om iets gericht te zoeken en dan vind je het soms niet. In de kringloopwinkel heeft het geen nut om iets gericht te zoeken en toch vind je af en toe leuke dingen. Die de KB dan niet blijkt te hebben, net zo min als alle andere via Picarta bereikbare Nederlandse bibliotheken.

Afgelopen week was er weer zo’n vondst. Gezusterlijk naast elkaar, met de ruggen naar boven, lagen deze vier boeken: Ik word een lesbische, Ik ben een lesbische, Ik blijf een lesbische en Het huwelijk van een lesbische. De auteur van alle vier is Ann Bannon. De boeken lagen niet in deze volgorde, maar ik nam meteen aan dat dit de goede moest zijn. Het zijn boeken uit de categorie ‘realistische lectuur’, producten van de onderkant van de boekenmarkt, boeken die niet in de regulaire boekhandel te koop waren maar bij de wat morsige sigaren- en lectuurboer. We hebben het in dit geval over de jaren zestig. Het zijn boeken die goed herkenbaar zijn, en je kunt ze meestal al op grond van de typografie van de ruggen uit een rijtje plukken.

Maar voordat ze precies gedateerd kunnen worden moeten ze eerst worden aangeschaft. Je moet er aan wennen om met een stalen gezicht boeken van het overduidelijk ranzige soort af te rekenen, maar bij mijn favoriete kringloopwinkel is dat niet zo’n probleem. Boeken zijn ze daar graag kwijt, en hoe groter de stapel, hoe goedkoper ze worden. Ik leg een onverdacht Libanees kookboek en nog wat klein spul op de ontklede dames en mag drie euro betalen.

Thuis bekijk ik wat ik nou eigenlijk heb gekocht. De uitgever van de boeken is De Vrijbuiter in Tilburg, en dat was een bekende speler als het om dit soort lectuur ging. Wie de naam van de uitgeverij intikt op www.boekwinkeltjes.nl ziet titels verschijnen van Hedwig Courths-Mahler en Jerry Cotton, maar ook strips, kinderboeken (Enid Blyton), science-fiction- en Candlelight-pockets. Op de achterplatten van de nu gekochte boeken staan advertenties voor de tweewekelijkse uitgave van de pikante belevenissen van de playboy Jo Durand (Jo… en de wilde pin-up) en voor de reeks ‘Sex Top’ (Zij leefde van de zonde).

De Vrijbuiter werkte vaak samen met de Vlaamse uitgeverij De Schorpioen in Strombeek-Bever. In dit geval is dat ook zo, zoals wordt bevestigd wanneer we in de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek van België kijken. Alle vier de titels zijn in het bezit van de KBB, maar dan uitgegeven door De Schorpioen. Het is dus een paralleluitgave. Handig is dat de Schorpioen-uitgaven in de KBB-catalogus gedateerd zijn: Ik word en Ik ben verschenen in 1968, Ik blijf en Het huwelijk in 1969. In de Belgische KB is nog een vijfde Bannon-vertaling aanwezig, zegt de catalogus: Zoals alle water keert weer naar de bron, een, volgens de ondertitel, ‘semi-roman’, in 1985 verschenen bij Reinaert in Zele en Het Volk in Gent. Bij het op internet zoeken naar verdere informatie over deze titel kom ik hem diverse keren tegen als geschreven door de Vlaamse jeugdboekauteur Johan Ballegeer, en niet door Ann Bannon. Misschien was hij de vertaler en kunnen de zich ongeremd vermenigvuldigende catalogi op internet, niet meer door redigerende mensenhanden gecorrigeerd, het verschil niet maken. Dat komt vaker voor. 

Wie is nu eigenlijk de auteur van deze vier boeken? Verrassenderwijs geeft de Engelstalige Wikipedia meteen de oplossing. Ann Bannon is niet, zoals zo vaak bij dit soort boeken, een pseudoniem van iemand van wie niet bekend mag worden dat hij of zij bijklust met het schrijven van ranzige boekjes. Het is wel een pseudoniem, maar dan van de Amerikaanse Ann Weldy (*1932), die sinds het schrijven van de bewuste boeken een boegbeeld van de homobeweging in de Verenigde Staten is geworden.

De vier boeken, en nog twee andere, publiceerde ze tussen 1957 en 1962, en wel onder de onverdachte titels Odd Girl Out, I Am a Woman, Women in the Shadows en The Marriage. Interessant is de uitgeverij waar de oorspronkelijke Amerikaanse uitgaven verschenen: Fawcett, zoals ook netjes in de Nederlandse uitgaven wordt vermeld. De ‘Gold Medal’-pockets van Fawcett waren populaire ‘mass market paperbacks’ zoals ze sinds de jaren veertig in steeds grotere aantallen verschenen en voor weinig geld bij kiosken en in winkels verkrijgbaar waren. Niet onder de toonbank dus. Boeken voor onder de toonbank had je in de Verenigde Staten ook, maar Fawcett hoorde niet bij de uitgeverijen die ‘sleaze’ publiceerden en die worden opgesomd en beschreven (met veel illustraties) in het prachtige naslagwerk Sin-A-Rama. Sleaze Sex Paperbacks of the Sixties (2005), en dat boek hebben ze dan weer wel in de Koninklijke Bibliotheek. Het merkwaardige fenomeen doet zich dus voor dat in Amerika gewoon verkrijgbare, zij het waarschijnlijk niet door iedereen als ‘gewoon’ beschouwde boeken in de toch liberaler geachte Lage Landen alleen buiten de reguliere boekenmarkt werden verkocht. En misschien kwam het ook daardoor dat Ann Bannon in Nederland en Vlaanderen niet de status kreeg die ze in de Verenigde Staten heeft verworven.

Wie boeken van Ann Bannon in het Nederlands wil kopen moet dus geluk hebben. Af en toe worden ze aangeboden, zoals de cache-informatie van Google leert. Op www.2dehands.be had iemand in Wallonië (‘Ik verkoop vele schriftelijke boeken in Vlaming’) onlangs Ik word een lesbische in zijn of haar ‘Livres Vlaams Boite Numéro 1’, zoals de advertentie vermeldt. Ik ben een lesbische werd recentelijk nog aangeboden door Loedertje uit Rotterdam.

Eerder, op 21 juni 2010, gepubliceerd op www.textualscholarship.nl en hier marginaal redactioneel gewijzigd.

Zeven letters, een leesteken, een streep [2012]

Van Herman Gorter (1864-1927) is geen archief bewaard: hij gooide weg wat hij niet meer nodig had. Aan hem gerichte brieven bijvoorbeeld. Wat er van brieven van Gorter bewaard is, is dus overal verspreid. Veel zit in archieven, het een en ander bij particulieren en verzamelaars. Soms komt er uit die particuliere hoek iets op de markt, zoals alweer een hele tijd geleden. Iemand bood op Marktplaats een exemplaar van Gorters Mei aan, de vijfde druk uit 1916, een van de luxere varianten. Het boek was ‘gesigneerd’, maar omdat de advertentie niet de indruk wekte van een professionele handelaar afkomstig te zijn en omdat in zulke gevallen ‘gesigneerd’ niet altijd betekent ‘door de auteur gesigneerd’, mailde ik de verkoper. Het hoogste bod was op dat moment € 28. De volgende dag kreeg ik netjes antwoord: het boek was echt gesigneerd door Gorter, met een opdracht aan de tante van de verkoper. Maar het boek was al verkocht, jammer maar helaas.
Herman Gorter (foto Willem Witsen)
Ik mailde weer, nu met de vraag of er nog meer materiaal was, want dat was niet denkbeeldig. Gorter zette niet zomaar opdrachten in boeken, en er zijn er dan ook niet zoveel gesigneerde Gorters bewaard. Er waren nog geen signeersessies zoals nu, en Gorter beperkte zijn gesigneerde geschenken tot collega-schrijvers, kunstenaar-vrienden, partijgenoten en vriendinnetjes. Ik vroeg ook nog voor hoeveel het boek verkocht was en aan wie. Het bedrag was ongeveer dat wat ik als laatste bod had gezien, over de koper was het antwoord wat vaag. Wel vertelde de verkoper dat er ooit meer archiefmateriaal was geweest: een briefwisseling met de tante namelijk, maar die had tante zelf vernietigd. Er was alleen een uitgeknipte handtekening bewaard, en wat krantenknipsels. Dit resterende materiaal kon ik voor nop hebben, en een paar dagen later had ik het in de bus, met een kopie van de opdracht. Dit is de uitgeknipte handtekening:


Het was mijn eerste Gorter-handschrift.

Een paar weken later zag ik de rode Mei met de opdracht onverwacht terug: in een vitrinekastje op een antiquarenbeurs. De bundel werd aangeboden door een beginnende handelaar, en de prijs was, uiteraard, fors hoger dan die op Marktplaats. Ik had het geld op dat moment niet, maar ik kon het boek goed bekijken en besluiten dat ik het geld ervoor ging zoeken. Dat deed ik, en twee maanden later bleek het boek nog niet verkocht, zodat ik het kon aanschaffen. Dit is de opdracht:


Het was mijn eerste gesigneerde Gorter.

De ontvanger van het gesigneerde exemplaar was dus Marie Hagemeijer. Wie was dat? In elk geval geen schrijver, beeldend kunstenaar of partijgenoot, dat zou te achterhalen zijn. Een liefje dan? Gorter was niet eenkennig. Er zijn, naast zijn echtgenote, zeker vier vriendinnen bekend. Twee ervan had hij tijdens het leven en na de dood van zijn vrouw (in 1916) tegelijkertijd, tot aan zijn eigen dood. Ada Prins kende hij sinds 1901, Jenne Clinge Doorenbos sinds 1910. Wat tegen Marie Hagemeijer als liefje spreekt is het feit dat de handtekening op de briefkaart ‘H. Gorter’ is, en niet, zoals bij de opdracht, de volledige naam. Als de briefkaart een intieme inhoud had gehad, had daar ook wel ‘Herman Gorter’ gestaan, of alleen ‘Herman’. Gorter scheidde de twee werelden waarin hij leefde, de literatuur en de politiek, ook in de manier waarop hij zijn publicaties ondertekende: voluit als literator, verkort als partijman, net als Willem Frederik Hermans dat deed overigens: W.F. Hermans was hij vanaf een bepaald moment alleen nog maar als wetenschapper, of als hij, bijvoorbeeld, Wittgenstein vertaalde.

In de loop van de tijd zocht ik regelmatig naar Marie Hagemeijer op het internet, in genealogische gegevens bijvoorbeeld, maar ik vond niets, ook al omdat ik geen dringende haast had om iets te vinden. Een dezer dagen deed ik het weer eens, en nu kwam er een mogelijke oplossing van het raadsel in zicht, omdat ik beter zocht of omdat er weer het een en ander in Google Books was toegevoegd. Ik kwam terecht in het boek De ’s-Gravelandseweg en zijn bewoners, dat in 2005 bij Verloren in Hilversum verscheen. Daar, in Hilversum, ligt ook de ’s-Gravelandseweg. Een kilometer of zes verderop ligt, in Bussum, de Nieuwe ’s Gravelandseweg, en daar woonde op nr. 66, in een door H.P. Berlage in 1893 ontworpen huis, Herman Gorter. In Villa Corry aan de ’s-Gravelandseweg 76B in Hilversum woonde vanaf 1915 de familie Hagemeijer, van het handelshuis Hagemeijer & Co. Het is niet ondenkbaar dat de Hagemeijers en Gorter elkaar tegenkwamen in het sociale leven van de gegoede Gooise burgerij.
Eigenaar Johan Hagemeijer van Hagemeijer & Co. was getrouwd met Maria Hagemeijer-Janssen, geboren in 1882. De Hagemeijers hadden vijf kinderen, Christina Maria, Dirk Marie, Antonius Marie, Johannes Marie en Hendricus Marie. Vader Johan heette overigens voluit Johannes Theodorus Hendricus Marie Hagemeijer. Aan Maries dus geen gebrek. Als we aannemen dat niet een van de vier zoons met ‘Marie’ werd aangesproken zou het dus ook kunnen dat de Marie uit de opdracht Christina Maria is, die in 1910 werd geboren. Een jonge poëzieliefhebster misschien? Het blijft speculeren tot de volgende papiersnipper opduikt.

*

Naschrift 2016: er dook geen nieuwe papiersnipper op, wel meldde zich ruim twee jaar later een nazaat van ‘Marie’ met een commentaar op mijn artikel:

‘Beste heer Gielkens, Bij toeval kwam ik op deze site. Ik ben een kleindochter van Johan Hagemeijer en Maria Hagemeijer-Janssen. Ik denk niet dat Marie uit de opdracht Christina Maria is, zij werd nl Stien genoemd. Ik denk eerder dat de opdracht aan mijn grootmoeder was gericht. Met vriendelijke groet, G.M. Tolk-Hagemeijer.’

Eerder, op 8 augustus 2012, gepubliceerd op www.textualscholarship.nl, hier marginaal redactioneel gewijzigd. Ik heb de portretfoto van Gorter toegevoegd.

dinsdag 31 mei 2016

Anders (6)

Ik heb het sinds 2013 in het openbaar aan de stok met de biograaf van Willem Frederik Hermans, Willem Otterspeer. In de hoedanigheid van editeur van de Volledige Werken van Hermans heb ik in een aantal artikelen aangetoond dat Otterspeer knoeit met bronnen en nog veel meer. Die kritiek is helaas veel te weinig serieus genomen. Een van de mechanismen die daarvoor zorgen is de vooral onder journalisten heersende opvatting dat er één Hermans-kenner is, en dat is Otterspeer, en dat er verder een hoop rare mensen rondlopen die de biograaf hinderlijk volgen en die ruzie met Otterspeer en met elkaar maken. Maar de makers van de Volledige Werken zijn geen rare mensen, ze maken ook geen ruzie met anderen, het zijn gewoon Hermans-kenners van een expertise-instituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen die hun kritiek op Otterspeer goed kunnen onderbouwen met hun kennis van het werk en het archief van Hermans.

Vanavond staat die opvatting ('Gielkens is zo'n volger') weer eens in een wel erg opgewonden stuk van Coen Peppelenbos op Tzum, die mijn blog van vanochtend aangrijpt om groot uit te pakken: ik beschuldig Willem Otterspeer van plagiaat. Foei! Dat doe ik inderdaad, maar ik herhaalde in mijn blog van vanochtend alleen maar wat ik een half jaar geleden ook al had gedaan, maar dat had Coen gemist. Ik veranderde nu alleen het woord ‘overschrijverij’ in ‘plagiaat’. Plagiaat is als je zinnen van iemand anders duidelijk herkenbaar overneemt zonder bronvermelding.

Interessant is ook altijd weer (Otterspeer deed dat ook al eens) dat mijn werk als vertaler in verband wordt gebracht met mijn activiteiten voor de Volledige Werken. Het heeft er helemaal niets mee te maken, Coen. En het door mij vertaalde boek waar je het over hebt is ook al van 7 jaar geleden. Heb je ook gemist. Ga eerst maar eens die artikelen van mij lezen en controleren of ik gelijk heb.

(licht gewijzigd Facebookbericht van 30 mei 2016)

maandag 30 mei 2016

Anders (5)


In mijn artikel ‘“Het staat er echt.” Over biografieën, bronnen en boerenbedrog’ inde bundel Het motorzijspan van WillemFrederik Hermans. [Amsterdam]: Mokken Boeken, 2015, p. 162-185, doe ik mijn best om, zoals ook eerder al, te laten zien dat Willem Otterspeer moedwillig of uit onkunde – u zegt het maar – in zijn Hermans-biografie met bronnen knoeit. Een van zijn manieren om te knoeien is het op grote schaal aan de lezer onthouden van bronvermeldingen, zodat/opdat controle en reconstructie van beweringen, argumenten etc. onmogelijk is. Om dat allemaal aan te tonen, moest ik veel voorbeelden geven. Dat is vervelend, omdat het veel tijd kost en omdat de lezers het ook vrij snel zat zijn. Het is dus zaak om helder en bondig te formuleren, en soms lukt dat, soms niet.
            Ik wil een van de kwesties uit het artikel hier nog een keer overdoen, omdat ik te onhelder ben geweest. Ik noemde het geknoei van Otterspeer dat hier aan de orde is ‘overschrijverij’, terwijl ik het gewoon ‘plagiaat’ had moeten noemen. Het genoemde artikel verscheen ongeveer op het moment dat een stagiair van de Volkskrant allerlei zaken uit niet-vermelde bronnen bleek te hebben overgeschreven, waarna de jongeman werd ontslagen en de hoofdredacteur van de krant, Philip Remarque, in zijn krant de ontoelaatbaarheid van bronloos overschrijven heel helder duidelijk maakte en zelfs bij ‘De Wereld Draait Door’ excuses ging aanbieden. Ik verwachtte een beetje dat na mijn artikel de directeur van De Bezige Bij en de Leidse rector-magnificus ook met excuses bij Mathijs van Nieuwkerk zouden aanschuiven en maatregelen zouden aankondigen, maar dat gebeurde niet. Helemaal niemand wond zich in het openbaar op over het geplagieer van Otterspeer. Ik probeer het nog eens.
            In het artikel schrijf ik, na een paar alinea’s met voorbeelden van eigen aantekeningen die Otterspeer als Hermans-citaten verkoopt en na een tussenkopje ‘Bronloos overschrijven’, dit:
‘Je eigen tekst uitgeven voor die van Hermans is één ding, die van anderen uitgeven voor eigen fabricaat is een ander. Ook dat komt in Otterspeers Hermans-biografie voor. Bijvoorbeeld op p. 414-415 van De zanger van de wrok. Daar staat, wanneer het gaat over Hermans’ verhuizing naar Villa Lindenhof in Haren, dit: “Eindelijk woonde Hermans op de manier waarop hij wilde wonen, in een villa. Het huis was gebouwd in 1931, in opdracht van de fabrieksdirecteur H.E. Oving, onder architectuur van J. Kuiler en L. Drewes en in een stijl verwant aan de Amsterdamse School en de Gooise landhuisstijl. Het huis ligt op de hoek van de Julianalaan en de Weg voor de Jagerskampen, is omringd door een ruime tuin. Het is, inclusief de aangebouwde garage, grotendeels opgetrokken uit gele baksteen en gedekt met een rieten kap. Boven de hoofdentree staat in metalen letters de naam van de villa. Op het zuidoosten opent het huis via dubbele terrasdeuren op de tuin. Daar is ook een mooie twee verdiepingen hoge loggia.”’

De volgende alinea van mijn artikel begin ik zo:

‘Het lijkt alsof Otterspeer de villa heeft bezocht, maar dat is niet zo. Wat hij wel bezocht was de website www.rijksmonumenten.nl […].’

En dan probeer ik op zo weinig mogelijk ruimte (want mijn artikel was al het langste van de bundel) zo helder mogelijk (met typografische hulp van Piet Schreuders) duidelijk te maken dat Otterspeer aanzienlijke delen van de informatie van de website in letterlijke of minimaal veranderde vorm, en ook in de volgorde van de tekst op de website, overneemt, en wel zonder bronvermelding. Het lijkt me moeilijk dat geen plagiaat te noemen. Het is het soort overpennerij waarmee sommige scholieren en studenten denken weg te komen, maar net als bij die scholieren en studenten wordt Otterspeer verraden door de nauwkeurige feitelijke informatie die hij verstrekt, iets waar hij voor de rest niet erg goed in is. Je ziet gewoon dat het niet goed zit.

Wat ik in mijn artikel eigenlijk had moeten doen is wat ik nu doe: de zinnen van de tekst van Otterspeer van elkaar scheiden en telkens onder zo’n zin de tekst van de gejatte zinnen van de Rijksmonumenten-website te zetten, en daarin de letterlijk overgenomen zinnen en informatie vet te maken. Dat ziet er dan zo uit:

Het huis was gebouwd in 1931, in opdracht van de fabrieksdirecteur H.E. Oving, onder architectuur van J. Kuiler en L. Drewes en in een stijl verwant aan de Amsterdamse School en de Gooise landhuisstijl.
villa met aangebouwde garage en hek, gebouwd in 1931 in opdracht van de heer H.E. Oving, fabrieksdirecteur, onder architectuur van J. Kuiler en L. Drewes. He[t] riante pand dat is opgetrokken in een stijl verwant aan de Amsterdamse School en de Gooise Landhuisstijl, werd in 1974 uitgebreid met een fietsenstalling.

Het huis ligt op de hoek van de Julianalaan en de Weg voor de Jagerskampen, is omringd door een ruime tuin.
Het huis is opvallend gelegen op de hoek van de Julianalaan en de Weg voor de Jagerskampen in de als gebied met bijzondere waarden aangewezen ‘Villabuurt’. Het wordt omringd door een ruime, deels gewijzigde tuin in decoratieve tuinstijl met veel borders, grasperken en rotspartijen.

Het is, inclusief de aangebouwde garage, grotendeels opgetrokken uit gele baksteen en gedekt met een rieten kap.
villa met aangebouwde garage grotendeels opgetrokken in een gele baksteen in kettingverband […]. De samengestelde rieten kap […].

Boven de hoofdentree staat in metalen letters de naam van de villa.
De hoofdentree bevindt zich aan de noordzijde, midden in een uitgebouwd halfrond geveldeel onder een rieten kap en bestaat uit een iets teruggeplaatste tweedelige deur met deurlicht en natuurstenen stoep; boven de deur de naam van het pand in metalen letters […].

Op het zuidoosten opent het huis via dubbele terrasdeuren op de tuin.
De zijgevel (zuidoost) die wordt doorsneden door een hoge, van de begane grond opgemetselde schoorsteen, heeft een groot venster, een liggend glas-in-lood venster met ovaal met afbeelding van een fabrieksgebouw, en dubbele terrasdeuren die op een deels ommuurd, met leisteen afgedekt terras uitkomen;

Daar is ook een mooie twee verdiepingen hoge loggia.
            In de achtergevel (zuidwest) een twee bouwlagen hoge loggia […]

*

Gaat nu iemand zich hierover opwinden? Ik denk het niet. Maar het zou wel moeten. Philip Remarque schreef in de Volkskrant over de ontslagen journalist-in-opleiding: ‘Eind juli citeerde hij zonder bronvermelding uit een nrc-artikel. Een beginnersfout, dachten we. We wezen hem erop dat hij een journalistieke doodzonde had begaan: eens en nooit weer.’ De artikelen van de stagiair werden van de website van de krant gehaald, ‘want plagiaat mag alleen al juridisch gezien niet voortbestaan.’ Stiekem stel ik me voor hoe iemand van De Bezige Bij of van de Leidse universiteit dit soort dingen op tv gaat zeggen. De rector-magnificus van Leiden is een jurist. Op de website van de juridische faculteit daar staat dit, speciaal geformuleerd voor studenten:

‘De gehanteerde definitie van het verschijnsel plagiaat luidt aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid als volgt: “het geheel of gedeeltelijk overnemen van teksten/formuleringen van andere auteurs zonder plaatsing van aanhalingstekens en nauwkeurige bronvermelding”.
Plagiëren kan plaatsvinden van boeken, van internetbronnen en zelfs van eigen werkstukken; al deze vormen van plagiaat vormen een inbreuk op de wetenschappelijke integriteit.’

vrijdag 27 mei 2016

Anders (4)

Weer terug naar de dagboeken van Doeschka Meijsing, en ook naar Wolf Biermann. Op 23 november 1976 schrijft Doeschka Meijsing in haar dagboek (p. 271-272):

‘We hebben het druk. Gerda heeft het Comité Bijstand Wolf Biermann opgericht en is de hele dag in de weer met telefoontjes, radiogesprekken en dergelijke. Er staat bij ons op de tv een grote foto van Biermann. Hij is onze held deze dagen. […] Wolf Biermanns foto, Chausseestrasse nummer 131. Hij is in deze dagen mijn geweten.’

Drie dagen later, op 26 november 1976 (p. 272):

‘Gerda en ik houden ons intensief bezig met Biermann. Gisteren een film over hem gezien, van drie jaar oud. We draaien zijn platen. Ons leven is door Gerda’s actie een paar dagen van hem vervuld. Hij heeft een appellerende invloed op me.’

Hierna komt Biermann niet meer in het dagboek voor. Bij de honderd woorden over Biermann in totaal in dit dagboek maakten de bezorgers vier voetnoten, bij elkaar zo’n 400 woorden. Ik blijf me over die disproportie verbazen. En wat levert die enorme moeite op? In dit geval een hoop informatie die je in betrouwbare vorm bijvoorbeeld op Wikipedia kunt vinden en die dus achterwege had kunnen blijven. Vroeger, in voordigitale tijden, was een goede richtlijn bij het voetnotenmaken dat zaken die in de gangbare encyclopedieën stonden niet geannoteerd hoefden te worden. Er is nauwelijks reden om daar nu anders over te denken.

Specifieke informatie moet natuurlijk wel worden geannoteerd, en in dit geval zijn dat bijvoorbeeld de naam en de activiteiten van het comité dat ter sprake komt. Hoe kom je aan die informatie? Was mijn blog er eerder geweest, dan was de weg kort geweest. De bezorgers hadden het aan Gerda Meijerink kunnen vragen, maar die heeft, om welke reden dan ook, aan deze editie geen medewerking verleend (ze overleed op 30 december 2015). De volgende logische stap was geweest, de Utrechtse germanisten van nu te vragen, want er zijn er misschien nog wel die er in 1976 ook al waren. Maar ook dat hebben ze niet gedaan (want ik denk dat ik het dan wel had gehoord). Wat de bezorgers wel hebben gedaan – en dat is een logische volgende of zelfs primaire stap – is de gedigitaliseerde kranten op de website www.delpher.nl raadplegen, want ze citeren (in voetnoot 881) uit een van de (weinige) krantenberichten die je al delverend met een paar relevante zoekwoorden kunt vinden. Het Limburgs Dagblad van 23 november 1976 meldt dit:
Vreemd genoeg gebeurt dat citeren maar voor een deel, en dat is jammer, want het niet-geciteerde stukje had de bezorgers naar de correcte naam (op die toen in onze kringen noodzakelijke k van ‘aktie’ na) van het ‘Aktiecomité Biermann blijft ddr-staatsburger’ kunnen leiden. En als je die naam googelt, kom je bij een archiefbestand op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (iisg) in Amsterdam terecht, waar iemand – ik vermoed dat ik het was, maar ik kan het me niet meer herinneren – ooit de spullen van het Aktiecomité deponeerde.

Waarom zagen de bezorgers dit over het hoofd? Daar kunnen allerlei redenen voor zijn. Het zou kunnen dat de voetnotenmakers zich bij het overnemen van de gegevens niet hebben gerealiseerd dat de niet-overgenomen informatie toch belangrijk zou worden. Bij het redigeren en uniformeren van voetnoten kan het namelijk voorkomen dat de focus verandert en dat andere gegevens nodig zijn. En zou het niet ook kunnen dat hier de loyaliteit aan je auteur een rol speelt? Doeschka schrijft iets over Gerda op het moment dat het gebeurt, dat zal toch wel kloppen? En Gerda zal thuis toch wel naar waarheid hebben verteld dat zij dat ‘Comité Bijstand Wolf Biermann’ in haar eentje runde? En wat weet zo’n journalist van een Limburgse krant nou die een apn-bericht overschrijft…

Mocht er een volgende druk van het dagboek komen, dan hebben de bezorgers er een bron en een dilemma bij. Ze moeten dan bedenken of ze iets veranderen aan hun versie van de gebeurtenissen, want wat is nou de waarde van de veertig jaar later opgeschreven herinneringen van iemand die beweert dat hij erbij was?

(wordt vervolgd)