woensdag 12 juni 2019

We schrijven 1977, en ik was 24

Poetry International, het Rotterdamse poëziefestival, vindt dit jaar voor de vijftigste keer plaats. In 1970 begon het, in 1976 was ik er voor het eerst als bezoeker. Student was ik nog, 24 jaar oud, ik had net voor het eerst een gedicht in een erkend tijdschrift gepubliceerd. Jaren later, in 1998, probeerde ik in een stukje op de achterpagina van NRC Handelsblad de sensatie van zo’n festival in een paar zinnen te vatten: ‘Ik hoorde er het Russische orgel Andrej Voznesenski en het Amerikaanse drankorgel Gregory Corso, de stille Roemeense geweldenaar Marin Sorescu en het Turkse nijlpaard Fazıl Hüsnü Dağlarca.’ Want dat was de sensatie: elke avond stonden zes, zeven, acht dichters uit allerlei landen op het toneel, ze lazen voor, hun vertalers lazen met hun eigen stem hun versies voor, in de pauze, vooraf en achteraf kon je de dichters aanraken, hun boeken kopen en laten signeren. Daar wilde ik, vanaf dat bezoek in 1976, ook bij horen.

En het jaar daarna was dat al het geval. Over dat jaar ging mijn stukje in NRC Handelsblad eigenlijk. Gast op het festival van dat jaar was de Oost-Duitse dichter en vertaler Erich Arendt, die sommige Utrechtse studenten germanistiek al kenden via hun docent Gregor Laschen. Hij had Arendt voorgesteld bij Poetry-organisator Martin Mooij, en Ton Naaijkens en ik waren bij die deal inbegrepen. En dus werden we, zo ging dat in die dagen, uitgenodigd voor het traditionele tuinfeest bij havenbaron Ludo Pieters in Rhoon. Pieters was zelf ooit dichter geweest en nog steeds bevriend met Gerard Reve (want hij was ook op het tuinfeest aanwezig), en hij was zo rijk dat er tekeningen van Lucebert op de wc hingen – ik vond dat in elk geval al plassend getuigen van een absurde rijkdom.

Tijdens het tuinfeest rond het zwembad op de zondag vóór Poetry maakte ik foto’s. Het zijn beroerde kiekjes in zwart-wit, maar ik laat er toch maar een paar zien. Ik begin met deze:
Van links naar rechts zijn dit Marcia Theophilo uit Brazilië, Stanley Kunitz uit de VS en Salah Abdas Sabur uit Egypte. De haardos rechtsonder is van Judith Mok, toen nog geen schrijfster en zangeres, maar aanwezig als dochter van de wel optredende Maurits Mok. Net als enkele andere foto’s is dit een tafereel van de tafel waar Erich Arendt resideerde. Rechts achter de tafel staat, onder de hoed, Jules Deelder, die daar ook niet als optredende gast was, maar gewoon rondliep en dronk en onderwijl de vrouw van de Franse dichter André du Bouchet luidruchtig voor Judith Herzberg versleet.
André du Bouchet en zijn – helaas onzichtbare – echtgenote staan hier te praten met onze held van het festival, Erich Arendt, 74 jaar oud op dat moment.
Op de volgende foto praat Erich Arendt met Adriaan van der Staay, die samen met Martin Mooij aan de basis had gestaan van Poetry International. De Japanse dichter links is Shuntaro Tanikawa. De persoon die zich op de achtergrond houdt is Ton Naaijkens.
Weer aan de tafel met Erich Arendt zien we links de Duitse dichteres Renate Rasp. Op de achtergrond knielt uitgever Geertjan Lubberhuizen (die dat jaar als presentator optrad) naast de Rotterdamse boekhandelaar Maria Heiden; de andere personen kan ik helaas niet identificeren.
Tussen de twee heren die we al eerder hier hebben gezien zit rechts, als ik mij niet vergis, Thea Schierbeek, de vrouw van Bert. Met wie ze praat kan ik niet achterhalen. Helemaal rechts zit de Hongaar Sándor Csóori. Links loopt, bij Marcia Theophilo, in elk geval de Italiaan Maurizio Cucchi.
Stanley Kunitz en Salah Abdas Sabur zitten nog steeds bij elkaar aan tafel, bij Judith Mok op de grond zit Hannelore Teutsch, de toenmalige levensgezellin van Erich Arendt.
Wie hier helemaal links zit weet ik niet, maar achter Ton Naaijkens op het bankje zitten Wim de Vries, Renate Rasp en Mischa de Vreede.
De imposante dichter rechts in het gras is de onlangs overleden Australiër Les Murray, die in gesprek is met Maurizio Cucchi, Marcia Theophilo, Dahlia Ravikovitch uit Israël en een door Murray aan het zicht onttrokken persoon. En als iemand me nu vertelt wie die meneer met de baard rechts is, dan zal ik zeggen: verdomd ja, dat is waar ook. Maar nu weet ik het even niet.
En ik was er dus ook. Iemand anders nam de foto, want selfies bestonden nog niet. Zoals gezegd: ik was 24.

dinsdag 11 juni 2019

Letterdieverij

Een interessante kwestie, dat plagiaat van de Amsterdamse pedagogiekhoogleraar Dymph van den Boom, in de openbaarheid gebracht door een prachtig artikel van Frank van Kolfschooten in NRC Handelsblad. Hij zou veel meer van dit soort artikelen moeten schrijven. Stof genoeg. Nog interessanter dan de kwestie zelf zijn de reacties erop, en vooral die ter verdediging van Van den Boom. De allerinteressantste in die laatste categorie is die van voormalig sociologieprofessor Kees Schuyt. Die kreeg van NRC Handelsblad ruimte voor een rammelend verhaal. Dat is curieus, want hij was vanaf 2006 voorzitter van het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI) en publiceerde in 2014 het boek Tussen fout en fraude. Integriteit en oneerlijk gedrag in wetenschappelijk onderzoek. Deskundig is hij dus wel, maar onpartijdig? Het kan niet anders of Schuyt kent Van den Boom. Ze waren tegelijkertijd hoogleraar aan dezelfde UvA-faculteit: Schuyt was er van 1990 tot 2007, Van den Boom van 1995 tot 2016. Van 2007 tot 2016 was Van den Boom bovendien rector magnificus van de UvA en in die functie, lees ik, maakte ze veel werk van integriteitsbeleid voor studenten en medewerkers. En allebei, dat zeg ik er altijd graag bij, studeerden en promoveerden ze aan de Universiteit Leiden. Dat is de universiteit waar zelfs de vertrouwenspersoon wetenschappelijke integriteit geen belangstelling heeft voor vermoedelijke schendingen van die integriteit.

Het is niet moeilijk je voor te stellen dat Van den Boom, toen duidelijk werd dat ze in zwaar weer terecht zou komen, Schuyt opbelde. Dat ging, denk ik, zo: ‘Kees, met Dymph, moet je nou luisteren. Ze hebben ontdekt dat ik al jaren dingen overschrijf, doe daar iets aan, jou geloven ze wel.’ Schuyt: ‘Wat vervelend, Dymph, ik bel de krant op en begin meteen te pennen’. Zo ongeveer moet het gegaan zijn. Er zijn nog geen regels voor het in een blog weergeven van imaginaire telefoongesprekken, dus hoef ik hier geen bronvermelding te geven. Kees Schuyt zal dat kunnen bevestigen: zolang er geen bindende regels zijn, mag je doen wat je wil. Want hij schrijft dit in NRC Handelsblad: ‘[Er] bestonden […] in 1988 geen bindende voorschriften hoe in wetenschappelijke publicaties naar bronnen verwezen moest worden.’ 1988 is het jaar dat Van den Boom promoveerde, en dat proefschrift is een van de teksten waar Van Kolfschooten overschrijverij vond. Het cruciale woord is ‘bindend’. In 1988 waren er inderdaad geen bindende voorschriften op dat gebied, maar die zijn er nog steeds niet. Er zijn heel veel adequate mogelijkheden om precies je bronnen te vermelden, ze verschillen per wetenschappelijke discipline en ook nog vaak binnen disciplines. Het gaat erom dat je bevindingen controleerbaar zijn, en dat kan alleen als je eerlijk je bronnen geeft, nauwkeurig citeert, aangeeft waar je kennis en je ideeën vandaan haalt. Het staat allemaal systematisch en helder geformuleerd in de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU), een code die ook internationaal wordt gehanteerd.

Die code is een tekst die juridisch en ethische aspecten van wetenschappelijke integriteit in kaart brengt als handleiding voor de dagelijks praktijk, maar ook als kader voor de beoordeling van wetenschappelijk handelen als iemand dat handelen in twijfel trekt. De juridische argumenten zullen het, is mijn indruk, altijd winnen als puntje bij paaltje komt. Kees Schuyt, zelf behalve socioloog ook jurist, weet dat, en daarom praat hij ook zo graag over bindende regels. Hij wist, toen hij zijn stuk schreef, al dat de twee personen die de externe commissie vormen die de kwestie-van den Boom gaan onderzoeken juristen zijn, hij weet ook dat juristen altijd een belangrijke rol spelen bij integriteitscommissies aan universiteiten en een nog grotere bij het LOWI, waar de inhoud van klachten eigenlijk geen rol speelt. Het feit dat de UvA een externe commissie benoemt om onafhankelijkheid te garanderen maakt overigens duidelijk dat ook het College van Bestuur van de UvA vindt dat een interne commissie geen onafhankelijk oordeel zou hebben.

Een van de zotte argumenten van Schuyt gaat over het citeren zonder aanhalingstekens in het proefschrift van Van den Boom. Wie het proefschrift bestudeert, ziet dat bij letterlijk overgenomen tekstfragmenten, soms vóór en soms ná een fragment, wél de namen van auteurs met publicatiejaartal genoemd worden en in de literatuurlijst zijn opgenomen. Die teksten werden niet tussen aanhalingstekens of in een apart tekstblok gezet, zoals de journalist wenst en de citeer-regel uit 2012 voorschrijft. Ach, sorry, ik was de aanhalingstekens vergeten; excuses voor de verwarring die dat veroorzaakte. Dit schrijft Schuyt dus: Wie het proefschrift bestudeert, ziet dat bij letterlijk overgenomen tekstfragmenten, soms vóór en soms ná een fragment, wél de namen van auteurs met publicatiejaartal genoemd worden en in de literatuurlijst zijn opgenomen. Die teksten werden niet tussen aanhalingstekens of in een apart tekstblok gezet, zoals de journalist wenst en de citeer-regel uit 2012 voorschrijft.’ Er bestaat dus, wil Schuyt ons wijsmaken, pas sinds 2012 een ‘citeer-regel’ die bepaalt dat je citaten tussen aanhalingstekens moet zetten. Je kunt je bijna niet voorstellen dat Schuyt zich niet heeft zitten schamen bij het opschrijven van die onzin. En je vraagt je af waarom hij de moeite heeft genomen in zijn eigen Willem Nagel-J.B. Charles-biografie uit 2010 al die citaten daarin tussen aanhalingsteken te zetten, als het niet nodig was. Zes van de negentien hoofdstuktitels in dat boek zijn zelfs citaten tussen aanhalingstekens. Ik kan me niet herinneren dat in de recensies van die biografie speciaal werd gewezen op het feit dat er nu eindelijk een wetenschapper was opgestaan die structureel citaten tussen aanhalingstekens zette. Dat is namelijk al een tijdje in zwang, anderhalf millennium of zo, leer ik van het Duitse Wikipedia-lemma over het leesteken (het Nederlandse lemma heeft geen historisch besef wat dat betreft).

Hoe een citaat werkt, is heel netjes en handig opgeschreven door Schuyt zelf, in zijn eerder genoemde boek. Daar staat op p. 106: ‘Een citaat is een letterlijke aanhaling van een tekstgedeelte, dat daarbij “tussen haakjes” wordt gezet.’ De volgende zin: ‘Als men goed citeert, inclusief punten, komma’s en gedachtestreepjes, is er niets aan de hand.’ Over wat er wel met citaten aan de hand kan zijn wat plagiaat betreft gaan dan de bladzijden erna, alles met nette bronvermeldingen. Een van de voorbeelden die Schuyt geeft is dat van de Duitse minister Zu Guttenberg, die in 2011 moest aftreden vanwege grootscheeps plagiaat in zijn proefschrift. Zu Guttenberg citeerde uit andermans werk en gaf ook wel ergens in de buurt een bron, maar juist niet waar geciteerd werd, waardoor de indruk werd gewekt dat weergegeven analyses door de promovendus waren bedacht. Duitse plagiaatonderzoekers noemden dat, met een schaakterm, een Bauernopfer, en Schuyt vertaalt dat – ik doe het hem niet na – met ‘pionoffer-plagiaat’. Van den Boom doet min of meer hetzelfde, en nu vindt Schuyt dat daar niks mis mee is. Iemand die dit pionoffer-plagiaat overigens ook regelmatig toepast is een bekende biograaf.

Niet netjes je bronnen vermelden om op die manier met andermans ideeën aan de haal te gaan is een vorm van diefstal waarvoor ooit het mooie woord letterdieverij werd bedacht. Op 28 mei 1880 – lang vóór het auteursrecht dus, toen intellectueel eigendom alleen nog maar met het argument van het fatsoen verdedigd kon worden – komt het voor in een toepasselijk bericht in Het Nieuws van den Dag:


donderdag 6 juni 2019

Also sprach de biograaf


Ik kom nog even terug op mijn vorige bericht. Dat was, maar dan redelijk neutraal geformuleerd, mijn zoveelste klacht over het broddelwerk van Hermans-biograaf Willem Otterspeer. Ik was bezig met het nawoord bij deel 19 van de Volledige Werken van Hermans, en dan moet je fatsoenshalve die Hermans-biografie raadplegen. Om dan telkens weer te schrikken. Mijn stuk hiervoor ging, in het kort, over de bewering van Otterspeer in zijn biografie dat Hermans in 1941, na allerlei vergeefse pogingen eigen werk geplaatst te krijgen, een ‘succesje’ boekte met een vertaling in een tijdschrift met de titel Astra. Alleen: hij laat een bibliografische voetnoot achterwege. Zo’n voetnoot zou ook een hele opgave zijn geweest, want het is hoogst onzeker of die publicatie wel bestaat. Dat had de lezer moeten lezen als de biograaf zijn werk had gedaan. Maar dat deed hij, zoals zo vaak, niet. Niks publicatie zoeken, niks uitleg, niks voetnoot, maar wel conclusies trekken uit iets dat niet bestaat.

Er zijn wel meer van dat soort gevallen. Voetnoot 354 van deel 1 van de biografie hoort bij een passage over Hermans die in 1941 voor medestudenten een lezing over Friedrich Nietzsche’s Also sprach Zarathustra houdt. Een van die medestudenten had de enige bestaande vertaling uit de bieb gehaald, maar die vond Hermans maar niks. De vertaler had bijvoorbeeld ‘Übermensch’ met ‘bovenmens’ vertaald. In de voetnoot staat dit: ‘Het betreft hier de vertaling van Lucien von Römer.’ We verwachten nu de bibliografische verwijzing, maar die ontbreekt. En dan komt dit: ‘Hermans wist waarover hij sprak, want hij had zelf in januari 1939 een vertaling gemaakt van het Eerste Deel van Also sprach Zarathustra’. Je verwacht nu weer iets, namelijk de informatie over de herkomst van die kennis, en die staat er ook: een Nietzsche- en Hermansdeskundige heeft hem op die vertaling gewezen. Dat is mooi, maar wat ontbreekt is de informatie dat het manuscript van die vertaling zich in het archief-Hermans bevindt. Dat manuscript heeft Otterspeer nooit gezien, dat bewijst de rest van de zin: ‘met daarin de belangrijke hoofdstukken “Vom Lesen und Schreiben” (“Von allem Geschriebenen liebe ich nur Das, was Einer mit seinem Blute schreibt.”) en “Vom Freunde” (“Immer Einmal Eins – das giebt auf die Dauer Zwei.” En “In seinem Freunde soll man seinen besten Feind haben.”).’

Dat zijn lekkere citaten. Maar wat is er aan de hand? De vertaling van Hermans beslaat niet het hele ‘Eerste Deel’ van Also etc., maar slechts 8 van de 23 onderdelen. ‘Vom Lesen und Schreiben’ zit daar niet bij, en de door Otterspeer aangehaalde zin dus ook niet. Gewoon niet bekeken dat manuscript, niks gecontroleerd, gewoon maar wat opgeschreven en een paar citaten uitgekozen die passen bij het beeld dat je met alle geweld van Hermans wil verkopen. Ergens anders in het boek (p. 360-361) meer over de Duitse filosoof. Daar staat: ‘Van Nietzsche zou hij in de oorlog vrijwel alles lezen. Er bleef jammer genoeg maar één deeltje bewaard van zijn oude Nietzsche-uitgaven.’ Gevolgd door een aantal passages die Hermans volgens Otterspeer aanstreepte. Er is nu wel een bibliografische voetnoot, en die luidt aldus: ‘Friedrich Wilhelm Nietzsche, Nietzsches Werke i, Die Geburt der Tragödie. Aus dem Nachlass 1869-1873. Leipzig 1924.’ Dit is geen titelbeschrijving op grond van de autopsie van het boek uit Hermans’ bezit, maar een uit een digitaal beschikbare universiteitsbibliotheekbeschrijving gekopieerde titelbeschrijving. Controleer het maar aan het exemplaar van Hermans – als je het kunt vinden. Want:: waar het boek uit het bezit van Hermans zich bevindt, vermeldt hij niet. Ik weet het, maar de biograaf wil niet dat u het weet, dus ik laat u lekker raden.

Per Facebook ad Astra

Op pagina 234 van deel 1 van zijn biografie van Willem Frederik Hermans, De mislukkingskunstenaar, beschrijft Willem Otterspeer een aantal pogingen van Hermans om eigen werk in tijdschriften en elders gepubliceerd te krijgen. Ze mislukken allemaal. Op één na, meent de biograaf: ‘Het enige succesje dat hij boekte was met de vertaling van het verhaal “Zwei Welten” van Jens Peter Jacobsen, een auteur met wie hij dweepte en met wiens Niels Lyhne hij zich diep vereenzelvigde. Hij stuurde het op 31 juli op naar Astra en het werd aangenomen.’ Ha! zou de lezer kunnen denken, leuk, dat wil ik lezen. Maar de lezer zoekt tevergeefs een voetnoot, en ook in de bibliografie van de biografie vinden we niets. En dat heeft een reden: niemand weet of de publicatie bestaat. Het was leuk als de lezer dat ook in de biografie te weten was gekomen.
Astra, ondertitel ‘Geïllustreerd maandschrift’, is een zeer interessant en indertijd veel gelezen tijdschrift, en toch is er geen complete serie van bewaard. Het blad werd van 1923 tot 1942 uitgegeven door Holdert & Co. (van De Telegraaf). Het laatste bekende nummer in een openbare instelling is van september 1941, in een particuliere collectie zitten nog een paar afleveringen uit 1942, waarvan 229 van juni de laatste is. In april 1949 werd het blad heropgericht, maar hoeveel afleveringen nog verschenen is niet bekend; het laatst bekende nummer is 235, van augustus 1949. In het archief-Hermans is nummer 219 van augustus 1941 bewaard met een bijdrage van Hermans’ vriend Hidde Heringa, en ook een uit de Astra van mei 1942 overgeschreven prozatekst ‘Het Klaaglied’ van de Chinese schrijver Po-Chü-I.
Het is dus nog maar de vraag of Hermans, zoals de biograaf stelt, in de zomer van 1941 een succesje boekte. Zolang we geen complete reeks hebben, weten we niets. Ik heb twee verzamelaars met grote Astra-collecties benaderd, maar die hebben samen ook niet alles en niet wat ik zoek. Dus: zoekt u mee? Wie Hermans’ vertaling vindt, boekt een geheid succesje, want zo vaak worden er geen onbekende publicaties van Hermans gevonden.

Eerder, op 24 mei 2019, gepubliceerd op Facebook, vandaar de titel.

dinsdag 26 maart 2019


Over smaak [2010]

Over smaak valt heel goed te twisten. Dat denk ik wel vaker, maar zeker toen ik de foto zag die Vincent Mentzel in 2003 van Jan Siebelink maakte. In het weekeinde van 21 en 22 augustus 2010 wijdde NRC Handelsblad een ‘uitneembare fotospread’ van acht pagina’s aan de fotograaf, die ook commentaar leverde bij zijn foto’s. Mentzel portretteerde de schrijver met, volgens het bijschrift, ‘alles wat hem dierbaar was: zijn honden, zijn auto, de schoenen van Jan Jansen. Zijn vrouw was niet thuis.’ Een exemplaar van Siebelinks boek Margaretha uit 2002 staat op de motorkap van de auto, die, net als de honden en de schoenen, op besneeuwd plaveisel staat.

Siebelink vindt dus whippets mooi, want dat zijn de honden op de foto. Ik vind whippets niks, met die amechtige ribbenkasten, die kromme ruggen en die kleine koppen. Maar het gaat me eigenlijk om de auto. Het is een Mazda. Schrijvers moeten niet in Mazda’s rijden, en als ze dat wel doen, dan moet het zijn omdat schrijvers ook af en toe een betrouwbare auto nodig hebben, niet omdat ze hem mooi vinden.

Siebelink vindt dus deze Mazda mooi. Het Japanse merk Mazda maakt betrouwbare suffe auto’s. Een deel van de modellen, in het kleinere segment, valt na het dienstbare leven ten prooi aan jongens met petjes die een spoiler achterop zetten, luidruchtige uitlaten monteren, stickers met tribal motieven op de ramen plakken en bekeuringen verzamelen. De Mazda waarmee Siebelink op de foto staat is weer van een andere categorie: het is een MX-5 roadster uit 1996, een vriendelijk geprijsde cabriolet op de basis van een kleine middenklasser, en het is een auto die bij mijn automobiele geestverwanten van het BBC-autoprogramma Top Gear in de categorie hairdresser’s cars valt.

Ik moet aan dit verhaal nog een draai geven die iets met ons vakgebied te maken heeft. Die draai vind ik in de voorlaatste roman van Siebelink, Suezkade uit 2008. De leraar Marc Cordesius is de held uit dit boek. Hij is zeer belezen in de wereldliteratuur en in de filosofie, hij is zeer begaan met een al te magere allochtone leerlinge – en hij rijdt in een Mazda MX-5 roadster. Daar stapt hij af en toe in om door Den Haag te rijden: ‘Dat zou een aangenaam ritje worden.’ Ook gaat hij op het einde van het boek levensmoe scheuren op de Duitse Autobahn met de ‘maximumsnelheid van tweehonderdveertig’.

Mocht Siebelinks bestseller een klassieker worden en iemand zou die klassieker over honderd jaar mogen annoteren, dan zou zij of hij bij deze passage kunnen aantekenen dat een MX-5 de genoemde maximumsnelheid in het echte leven nimmer heeft gehaald. Siebelink verwart de topsnelheid met het hoogste cijfer op de snelheidsmeter. Hij wil dat we, net als hij, zijn held sympathiek vinden vanwege diens verfijnde smaak op het gebied van literatuur, filosofie en auto’s. Maar die auto verpest het allemaal. Siebelinks held is een Ivanhoe met een plastic zwaard, een Ben Hur in een zeepkist achter een quadriga van ezels.

Eerder, op 17 september 2010, gepubliceerd op www.textualscholarship.nl. Daar staat ook de foto van Mentzel, die ik hier weglaat maar die te vinden is op https://vincentmentzel.nl/werk/jan_siebelink/. Ook heb ik een zin weggehaald die alleen nut heeft met de url die daarin werd vermeld, maar die link loopt nu dood.
Het stuk had nog een interessant gevolg, want ruim een jaar later, eind 2011, werd ik gebeld door Anton de Goede van het VPRO-programma De Avonden. Ik veronderstelde dat het over Willem Frederik Hermans zou gaan, want er was net weer een deel verschenen. Maar nee: de vraag was op ik in het programma wilde optreden om een discussie aan te gaan met een autojournalist een boek had gepubliceerd over de psychologie achter de keuze van mensen voor een bepaald merk of model auto. Titel: Wat je rijdt ben je zelf. De autojournalist, Erwin Wijman, was het niet eens met mijn opmerkingen over het door mij genoemde Mazda-model en had daar een passage in het boek aan gewijd. Hij veronderstelde dat ik, ‘Gielink’ (want hij beheerst alle trucs van het vak, die Wiemans), ‘stikjaloers’ op Siebelink was. Ik kon De Goede duidelijk maken dat die meneer mijn opmerkingen te serieus nam door aan te nemen dat ze over auto’s gaan en niet over een schrijver, en dat ik daarom niet zou meewerken aan het programma. Ik ben maar niet begonnen over Hermans, hoewel het toch wel vreemd was en blijft dat zo’n programma wel aandacht wilde besteden aan een flutboek over auto’s maar niet aan alweer een deel van de mooiste en beste Volledige Werken-editie van een Nederlandse auteur ooit.


vrijdag 22 maart 2019

Weer een boek uit


‘They spelled my name wrong again’ zingt mijn muzikale held Loudon Wainwright iii. Mijn naam, van voren en van achteren, is een stuk gemakkelijker te spellen dan de zijne, maar toch gaat het ook bij mij vaak fout. Een tijd geleden heb ik alle fout gespelde naamkaartjes weggegooid die ik ooit op binnen- en buitenlandse congressen kreeg – het was een aardig doosje vol. Als ik mezelf googel in allerlei varianten kom ik van alles tegen: Gilkens, Gielkens, Gieskes, Gielkes. Ik lig er niet echt wakker van.

Maar soms is het wel vreemd. Ik vond mezelf nu weer in een literatuurlijst in een zojuist verschenen biografie. Daar kom ik als ‘Gielkes’ voor. Gelukkig ontdekte ik, toen ik de literatuurlijst wat beter bestudeerde, waar die kwijtgeraakte ‘n’ gebleven was. Twee pagina’s eerder vond ik namelijk de naam ‘Bokhoven’. Ik weet toevallig wie dat is, want Niels Bokhove kom ik wel eens tegen, die woont hier een halfuurtje fietsen verderop. Niels heeft dan wel in dit boek een iets te lange naam gekregen, maar hij kan zich troosten met het feit dat zijn naam vijf literatuurverwijzingen hoger wél correct gespeld wordt. Hij zal het wel met mij eens zijn dat het vreemd is dat tussen zijn echte en zijn ten onrechte uitgebreide naam nog een paar auteurs worden genoemd met namen als Borgers, Boyens, Braches en De Boer, in die volgorde. Maar er zit systeem in: Bakx komt in deze literatuurlijst na Bartels, met een Baumgarth ertussen, en Braas komt na Brinkgreve, met een Brinkman, een Den Boef, een Bool, een Boot en een Bosch ertussen, weer in die volgorde. Tussen Huig en Huizinga staan Huussen en Huygen. Enz.

Nu we het toch over het nawerk van een wetenschappelijke publicatie hebben: hoe noemt u eigenlijk zo’n alfabetische lijst van personen die in een biografie voorkomen? Personenregister – dat is het. In de pakweg vijfentwintig Nederlandstalige boeken die ik uit mijn biografieënkast trok staat dat woord ook, soms ook alleen ‘register’. Namenregister komt ook voor, ook prima. In een van die boeken staat ‘Persoonsregister’, maar dat komt omdat de biograaf, toen dat register in de maak was, net even in een tuin stond over te geven vanwege het oorlogsverleden van zijn onderwerp. Ik heb de indruk dat dat wel vaker gebeurt, die afwezigheid van de auteur wanneer er een literatuurlijst of een register gemaakt moet worden. Dan komen opeens familieleden of stagiairs in beeld, liefst een dag voordat het boek naar de drukker moet.


In dit boek is vermoedelijk een stagelopende student van een universiteit waar veel Engels wordt gesproken aan het werk gezet, want het personenregister heet hier ‘Index’. Aan deze ‘index’ gaat de volgende opmerking vooraf: ‘Levensdata voor zover beschikbaar’. Het is dan wel jammer dat de voornaam en de levensdata van Johann Peter Eckermann even niet beschikbaar waren op de dag dat dit register werd gemaakt, of die van Carl Gustav Jung en Joan Collette. Zij, en misschien nog wel meer personen, moeten het met alleen een achternaam doen. Maar gelukkig weet de auteur van de ‘index’ wel dingen die mij niet bekend waren, zoals het geboortejaar van Olivier B. Bommel. Dat was 1941, lees ik. De naam van diens geestelijke vader, Marten Toonder, ontbreekt vreemd genoeg. Maar niet die van zijn collega-tekenaar Felix Hess, en ook die is volgens de ‘index’ in 1941 geboren. Op de pagina waar deze naam naar verwijst blijkt dat deze Felix Hess veertien jaar vóór het genoemde geboortejaar al aan een speelfilm meewerkte. Respect! Jammer is dan weer, als we het toch over stripfiguren en aanverwante zaken hebben, dat er in de ‘index’ geen levensdata worden vermeld van de volgende personen: de airedaleterriër Cleo en de boxer Bobby. En ook die van Lucas Bols en Wynand Fockink mis ik, die samen in één drankkegel worden genoemd op p. 99. Er staat overigens Wynand met een lange IJ, en in de ‘index’ krijgt hij nog een extra C vóór de tweede K. Het zou dus kunnen dat iemand anders bedoeld is, want de verwijzing hier brengt ons op p. 255. Gelukkig staat er nog een Wijnand Fockink onder de W in de ‘index’, die ons weer bij Lucas Bols op p. 99 laat uitkomen.
Wat kost een fles jenever eigenlijk tegenwoordig? Het boek waar ik het hier over heb kostte me € 37. Ik koop al jaren meer biografieën dan flessen Bols, maar misschien moet ik daar maar eens iets aan doen.

Er staat wel, moet ik toegeven, een mooi citaat op het achterplat van dit boek, en het is van het onderwerp van deze biografie, de Utrechtse beeldend kunstenaar en politiek activist Erich Wichman: ‘Kunst mag zijn al wat gij wilt, maar het kunstwerk komt uit de werkplaats!’ Zou dat niet ook voor de wetenschap moeten gelden?

vrijdag 8 maart 2019


Malloot [2009]

Ik zeg altijd: ik verzamel niets, ik bewaar alleen het een en ander. Maar goed: er is een boek verschenen dat over mijn soort, dat van de bewaarder en verzamelaar, lijkt te gaan. Ik zeg ‘lijkt te gaan’, zodat u meteen weet welke tendens dit stukje heeft. Het boek heet Hebben en houden. Wat iedere verzamelaar en boekenliefhebber over zichzelf moet weten, het is geschreven door de socioloog Jaco Berveling en verschenen bij uitgeverij Aspekt in Soesterberg.
Zou ik dit boek hebben gekocht als ik het niet cadeau had gekregen? (Dankjewel, Joep!) Tijdens de Verzamelaarsjaarbeurs in Utrecht nog wel, waar de auteur zijn boeken zat te verkopen. Op het voor- en het achterplat van het boek staat dezelfde foto van een stapel boeken. En dat is natuurlijk niet zo gek bij een boek dat onder andere over het verzamelen van boeken gaat. Maar wat staan er voor boeken op Hebben en houden? Het zijn gloednieuwe boeken in elk geval, en ik kan een paar ruggen lezen: ‘Tyskland’ kan ik ontcijferen en een deel van een titel: ‘Jord och’. Het zijn dus Zweedse boeken. Heeft iemand dan bij de Ikea een Billy mét boeken gekocht? Nee: een korte zoektocht op Google-afbeeldingen met de zoekterm ‘pile of books’ heeft een verbijsterend resultaat: het allereerste plaatje dat verschijnt is de afbeelding op Hebben en houden. De vormgeefster van het boek heeft dus tien seconden geïnvesteerd in het zoeken naar een omslagillustratie voor een boek over, onder andere, bibliofilie. Als dat geen boekenliefde is.

De blurb van het boek zegt dit: ‘Honderdduizend suikerzakjes, dertigduizend boeken, twintigduizend T-shirts, ruim tienduizend bierblikjes, zesduizend uilen en bijna negentig paar sneakers. Er wordt wat verzameld in Nederland.’ En we weten meteen wat voor soort verzamelaars Berveling op het oog heeft. De ‘dertigduizend boeken’ zijn die van Martin Ros, die natuurlijk ook even voorbijkomt, net als, uiteraard, Boudewijn Büch, ‘de bekendste Nederlandse bibliofiel en verzamelaar van de 20ste eeuw’. Maar is Ros, was Büch een verzamelaar? Büch leek mij toch, net als in alles wat hij deed, een poseur, en zijn boeken waren het peperdure decor van de zoveelste pose. En Martin Ros kan ik sinds een televisieportret lang geleden niet anders meer zien dan met een plastic tasje met boeken voor een garagebox met duizenden van dat soort tasjes ruw en willekeurig opgestapeld. En dan lijkt hij meer op de geciteerde vergaarder van de tienduizend bierblikjes, die daar ongetwijfeld net zo lang – en misschien wel minder chaotisch – over kan vertellen als Ros over boeken. Of op de verzamelaar van xtc-pillen die onlangs in het nieuws was omdat zijn collectie (2400 verschillende) werd gestolen. Als dat eerder was gebeurd, had hij ongetwijfeld in Hebben en houden gestaan.

Bervelings profiel van de verzamelaar is dit: een malloot, een seksueel gefrustreerde gek met een slecht huwelijk en een nog slechtere vaderbinding, die daarnaast lijdt aan een genetisch bepaalde Hollandse schraapkoorts en bovendien aan een neurologische afwijking die hem obsessief allerlei spullen zijn huis in laat slepen totdat hij geen poot meer kan verzetten. Berveling is socioloog, en de lezer moet dan ook de indruk krijgen dat dit een wetenschappelijk boek is. Een lange bibliografie en interessanterige bronvermeldingen als ‘Hendrikse, 1995:17’ (Berveling, 2009:129) moeten ons laten denken dat hier gedegen onderzoek is gedaan. Maar ik geloof er niets van: er is vooral verzameld, krantenknipsels namelijk, over mensen die aan Bervelings profiel voldoen. Echte verzamelaars, mensen met een wetenschappelijke insteek bijvoorbeeld die met hun verzamelingen bijdragen aan onze kennis van boeken, kunst en geschiedenis, komen in het boek nauwelijks aan bod. En natuurlijk worden weer de verzamelevergreens gedraaid: Gerard Reve, de Klondykes van Hermans, en ook de pop-upboeken-verzamelaar duikt op, die elk en elk jaar weer door elke journalist geïnterviewd wordt tijdens de boekenmarkt in Deventer.

In een kadertje (Berveling 2009:146) geeft de auteur antwoord op de vraag: ‘Hoe wordt dit boek wat waard?’ ‘Wat’ het boek eventueel waard wordt komen we overigens niet te weten, maar dat zal wel komen omdat er ‘iets’ had moeten staan: ‘Hoe wordt dit boek iets waard?’ dus. Het eerste advies van Berveling is: ‘Zorg dat u de eerste druk bemachtigt’. Dat is een vreemde raad in deze eerste druk, want die heb ik dus al. Het tweede advies luidt: ‘Laat de auteur het boek signeren (geen probleem, ik doe dat voor u)’. Afgezien van het praktische probleem van dit aanbod als de koper in Steenoven woont en de auteur in Gaarkeuken: Berveling weet niet dat een gesigneerd boek maar heel zelden een meerwaarde heeft. Tenzij het, bijvoorbeeld, door de auteur is opgedragen aan iemand die een vervelend stukje over het boek in kwestie heeft geschreven. Ten derde: ‘Let op dat het boek in prima staat blijft’. Dat is het gemakkelijkst te bereiken, voeg ik daar aan toe, door het boek nooit meer te lezen, maar dat lijkt mij in dit geval geen probleem. En tenslotte adviseert Berveling: houd trends en modes in de gaten en heb geduld, en ooit zal dat boek van die Berveling veel geld waard zijn. Zou het humor zijn?
Ergens in het boek (Berveling 2009:?) noemt de auteur een verzamelaar met een speciale collectie: vervelende boeken. Die heeft vast nog wel een plekje in zijn kast.

Voor het eerst op 15 december 2009 gepubliceerd op www.textualscholarship.nl en hier met enkele redactionele aanpassingen herplaatst. - Aanvulling van vandaag, 8 maart 2019, over dat signeren van boeken: op Boekwinkeltjes zijn twee exemplaren van dit boek te koop: het een is gesigneerd en het andere niet. Het gesigneerde is het goedkoopste.