donderdag 24 oktober 2019


Parasol – de korte geschiedenis van een Utrechts tijdschrift [2004]


Boeken en artikelen over Utrechtse kunst hebben de neiging te beginnen met het leggen van nadruk op de saaiheid, de bekrompenheid en de dufheid van het artistieke klimaat in de Domstad, om vervolgens te berichten over een uitzondering op die bekrompenheid: het onderwerp van het boek of het artikel. Misschien wordt het langzamerhand tijd deze negatieve insteek te laten varen en, met al die uitzonderingen op de regel, te concluderen dat het best meevalt met de kunst in Utrecht. Dat Utrecht misschien wel een heel gewone kunststad is, een stad met een rijk kunstverleden, met hoogtepunten, met personen die buiten de stads- en landsgrenzen bekend zijn, maar ook met een grote groep van in het verleden en nu hardwerkende, verdienstelijke en voor de Utrechtse gemeenschap belangrijke kunstenaars. De geschiedenis van de kunst bestaat niet alleen uit hoogtepunten, de hoogtepunten bestaan zelfs alleen maar bij de gratie van de omgeving waar ze bovenuit staken.

Oplage 300
Ook de weinige literatuur die er is over het Utrechtse studententijdschrift Parasol, waarvan in 1963 slechts twee nummers verschenen, begint met het bezweren van de ‘bekrompen en benauwde atmosfeer’ van de studentenstad Utrecht, in vergelijking met de ‘vrijmoedige hoofdstad veertig kilometer verderop’ (Fransen). Maar misschien is hier toch sprake van een wat anachronistische kijk op de zaak. Ook in Amsterdam zullen begin jaren vijftig kritische studententijdschriften door de universitaire gemeenschap niet met gejuich zijn ontvangen.
            Van de twee nummers van Parasol, oplage 300, zijn niet veel exemplaren bewaard gebleven. De digitale Nederlandse Centrale Catalogus kent twee vindplaatsen: de universiteitsbibliotheken van Leiden en, natuurlijk, Utrecht. Ook het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in Den Haag heeft de 2 Parasols. Ze zitten in een kleine collectie die een Parasol-collectie heet te zijn, maar die het in feite niet is: behalve de twee exemplaren van Parasol en het typoscript van het al geciteerde artikel van Ad Fransen bevat de Parasol-map geen documenten die betrekking hebben op de geschiedenis van het tijdschrift.
            Parasol wordt gezien als een voorloper van het legendarische, in 1957 door de uitgever Geert van Oorschot opgerichte literaire tijdschrift Tirade. De connectie tussen Parasol en Tirade is dan ook de achtergrond van het artikel dat Ad Fransen in het jubileumnummer 300 van Tirade in 1985 aan Parasol wijdde. Fransen sprak met nog levende makers en auteurs van Parasol, hij onthulde de pseudoniemen waarachter veel auteurs zich verscholen en vertelde de kortstondige geschiedenis van het blad. Veel is daar niet aan toe te voegen.
            Wie waren de makers van Parasol? Volgens de titelpagina van nummer 1 vormden J.A. Emmens, A.N.J. Koster, J.W. Smit en P.J. Vinken de redactie en waren de medewerkers Amaziah Peddemors, J. Eijkelboom, Henrick de Roover, G. van Herpen, E. Reil, H. Valentijn en P.A. Vrolick. In nummer 2 is Amaziah Peddemors verdwenen en J.G. van Bergen erbij gekomen. De vier redactieleden waren alle vier in de studentenadministratie te vinden: Jan Emmens (1924-1971) was een ouderejaars kunstgeschiedenis; hij werd later in Utrecht hoogleraar in dat vak en maakte ook naam als dichter. Nol Koster studeerde Nederlands, Wim Smit geschiedenis en Pierre Vinken medicijnen. Vinken (geboren in 1927) werd neurochirurg. Van 1975 tot 1992 was hij bijzonder hoogleraar in Leiden, van 1979 tot 1995 voorzitter van de raad van Bestuur van Uitgeversmaatschappij Elsevier (vanaf 1993 Reed Elsevier).
            De medewerkers waren niet zonder meer in het Utrechtse studentenleven te lokaliseren, want behalve de Amsterdamse student, later journalist, dichter en vertaler Jan Eijkelboom en de Utrechtse student medicijnen Gé van Herpen verborgen de resterende auteurs zich achter pseudoniemen. ‘Amaziah Peddemors’, zo onthult Fransen, was de schrijversnaam van de ouderejaars studentsociologie Karel Blom, ‘E. Reil’ was Pierre Vinken, ‘H. Valentijn’ Wim Smit, ‘Henrick de Roover’ Jan Emmens, ‘P.A. Vrolick’ Jan Eijkelboom en J.G. van Bergen de later als socioloog bekend geworden Amsterdamse student Joop Goudsblom. Van Herpen en ‘Van Bergen’ zouden overigens niet in Parasol publiceren. Dat Ernst Vijlbrief (zoon van de drukker van het tijdschrift en latere zwager van Jan Emmens) vignetten in beide nummers tekende wordt alleen maar achterin nummer 1 vermeld.

De inhoud
Het loont de moeite de twee verschenen nummers van het tijdschrift al bladerend eens te bekijken.
            Een beetje tijdschrift begint natuurlijk met een beginselverklaring, en dat deed Parasol in nummer 1, gedateerd maart 1953, ook. Onder het kopje ‘Fut’ – gevolgd door teksten met de titels ‘Nut’, ‘Dut’ en ‘Zût’ – legt P.J. Vinken uit waar de titel vandaan komt: ‘Tegen te felle zon gebruikt men een parasol, als afweermiddel, en soms (wanneer men niet zo overtuigd is van de Doelmatigheid van het Al), met enig protest. De redactie van dit blad […] is wat overgevoelig voor licht; een zwak zonnetje kan al een bedreiging zijn voor haar welzijn.’
            De goede verstaanders onder de weinige lezers wisten genoeg: met het ‘zwakke zonnetje’ werd de Utrechtse universiteit bedoeld, die immers als motto ‘Sol Iustitiae Illustra Nos’ voert: ‘Zon van de gerechtigheid, verlicht ons.’ De makers van Parasol zetten zich dus af tegen de aloude alma mater van de Domstad. Veel van die kritiek is voor de lezer van nu nauwelijks nog te begrijpen. Zelfs het stuk dat de meeste opschudding in academisch Utrecht veroorzaakte, ‘De vrouw. Een confrontatie’, zou eigenlijk een serie voetnoten nodig hebben om in al zijn finesses te kunnen worden begrepen. De kern van dit artikel van ‘E. Reil’ was dat de internationaal vermaarde psycholoog en fysioloog F.J.J. (Frederik) Buytendijk (1887-1974) in zijn boek De vrouw. Haar natuur, verschijning en bestaan. Een existentieel-psychologische studie (1951) wat al te veel leentjebuur had gespeeld bij een werk van de Duitser Philipp Lersch, Vom Wesen der Geschlechter (1947). Het stuk zorgde vanzelfsprekend voor opschudding, en het bestuur van de universiteit meldde zich bij de redactie en eiste excuses. In een ‘Redactioneel’ in nummer 2, waarschijnlijk geschreven door Jan Emmens, bood Parasol Buytendijk ‘verontschuldigingen [aan] voor de wijze waarop de critiek op zijn boek was geformuleerd’, maar Pierre Vinken, nog steeds als E. Reil, werd vervolgens nog duidelijker door de badinerende toon van zijn eerste stuk te vervangen door een reeks voorbeelden. Het artikel heette dan ook ‘Man en Paard’.  Wie zich achter het pseudoniem verschool kwam overigens niemand te weten. ‘Dat was maar goed ook,’ verklaarde Vinken in 2000. ‘Als was uitgekomen dat ik dat stuk had geschreven, was ik onmiddellijk van de universiteit verwijderd.’ (Geurts) De kwestie had in 1982 nog een staartje, zoals Fransen vertelt, omdat een zoon van Buytendijk Vinken alsnog voor smaad aanklaagde wegens het Parasol-artikel. Maar Vinken werd vrijgesproken nadat hij nog een reeks passages had aangedragen die plagiaat aannemelijk maakten.
            Ook andere artikelen in Parasol reageren op universitaire ontwikkelingen, zoals het amusante stuk ‘Een semantische studie over het begrip wereld in verband met de uitdrukking “in de wereld zijn” bij Heidegger en Gabriel Marcel’ van ‘H. Valentijn’ in nummer 2. Het amusante artikel van de pseudonieme Wim Smit steekt in de vorm van een voor een prijsvraag geschreven schoolse verhandeling de draak met modieuze filosofieën.
            Er staan ook niet-actuele bijdragen in de Parasols. Jan Eijkelboom droeg aan beide nummers een vertaling van een gedicht van John Donne bij, en Jan Emmens aan beide nummers gedichten. In beide nummers staan ook advertenties. Die van de repetitor G.F. Monnereau lijken echt, maar de aanmoediging in nummer 2 om het universiteitsblad Sol Iustitiae te gaan lezen (‘verschijnt nog steeds!’) valt onder de categorie humor, net als de lijst boeken die in nummer 1 als leverbaar worden aangeprezen bij De Nederlandse Boekhandel aan de Nachtegaalstraat, hoek Maliebaan. Behalve de inderdaad in de aflevering van Parasol behandelde boeken van bijvoorbeeld Buytendijk, Lersch en Aldous Huxley bevat de lijst ook titels als Down with everybody van George Mikes en de Divina Comedia van Dante. Leuke, flauwe grappen, maar Parasol was dan ook een studententijdschrift.

De betekenis
Was Parasol ook echt een Utrechts tijdschrift? Het antwoord moet nee zijn. Er staan nauwelijks stukken in die niet ook in andere studentenbladen in andere steden hadden kunnen staan, de thema’s zijn ook niet typisch Utrechts, en behalve Emmens hebben er geen mensen aan meegewerkt die in de Utrechtse cultuur een belangrijke rol hebben gespeeld.
            Met nummer 2 van oktober 1953 was het afgelopen met Parasol, dat dus niet meer ‘onregelmatig’ verscheen, zoals het colofon telkens meldde, maar nooit meer. Het ‘woestijnbloempje’ (aldus Joop Goudsblom) was uitgebloeid. Misschien zat de angst voor onaangename gevolgen er bij deze en gene wel in als men op dezelfde voet doorging. Enkele redactieleden en medewerkers vonden hun weg in andere redacties, zoals van het Amsterdamse studentenblad Propria Cures of van het literaire tijdschrift Tirade van uitgeverij Van Oorschot. Anderen kozen een wetenschappelijke carrière, van weer anderen werd niets meer vernomen.

bronnen
Ad Fransen, ‘Parasol, een korte voorzomer in de ontstaansgeschiedenis van Tirade’. In: Tirade, 29 (1985), afl. 300, p. 517-546.
Twan Geurts, ‘De nihilist’. In: id. (red.), Zo, dit is de wereld. Alumniportretten. Utrechtse afgestudeerden over 50 jaar leven en werk. Utrecht 1986, p. 80-87 (over Pierre Vinken).
Arjaan van Nimwegen, ‘De stad Utrecht’. In: Willem van Toorn (red.), Querido’s letterkundige reisgids van Nederland. Amsterdam 1982, p. 207-236.
Hans van Straten, ‘Literatuur in Utrecht, 1923-1973’. In: Jaarboek Oud Utrecht 1973. Utrecht 1973, p. 97-125.
Ton Veldhuysen, Tirade 1957-1985. Leiden 1986.

Dit – op verzoek en snel geschreven – artikel verscheen eerder in Nobelmagazine. Beeldende kunst in Utrecht in de Twintigste Eeuw, 1 (2004), afl. 2, p. 29-31, en is hier licht redactioneel bewerkt. Bij het artikel stonden de twee voorkanten van de Parasols afgebeeld, ik heb er nu enkele scans uit aflevering 1 aan toegevoegd uit een exemplaar dat ik onlangs vond. Nu, vijftien jaar na het verschijnen van het artikel in een glossy maar obscuur en ongelezen tijdschrift, zal het niet moeilijk zijn op een aantal punten informatie toe te voegen: verscheidene voorkomende personen zijn overleden, biografieën en necrologieën (Wim Smit overleed in 2006, Pierre Vinken in 2011) verwijzen soms naar Parasol. Ik heb de neiging kunnen onderdrukken de literatuurlijst uit te breiden.

maandag 17 juni 2019

Niet zoveel
 
Nog zoiets uit NRC Handelsblad van afgelopen weekeinde: Michel Krielaars doet verslag van een gebeurtenis waar hij niet bij was: die van de presentatie van de Russische vertaling van ‘Herinnering van een engelbewaarder. De wolk van niet weten’ (want zo heet dat boek voluit) van Willem Frederik Hermans (want zo heet die man voluit). Krielaars meent vanaf een schip op de Wolga dat dat een bijzondere gebeurtenis is, ‘want op Multatuli, Louis Couperus, Pieter Waterdrinker en K. Schippers na zijn er niet zoveel Nederlandse schrijvers in het Russisch vertaald’. Wat jammer nou dat Krielaars de prachtige vertalingendatabase op de website van het Letterenfonds niet kent. Daar vind ik, als het ook Nederlandstalige literatuur mag zijn, gegevens over Russische vertalingen in boekvorm van Gerrit Achterberg, Louis Andriessen, A.C. Baantjer, Lode Baekelmans, Thea Beckman, Belcampo, Aster Berkhof, Paul Biegel, Maarten Biesheuvel, Jan Blokker, Stefan  Blommaert, Louis Paul Boon, Marc Braet, Stefan Brijs, Simon Carmiggelt, Hugo Claus, Herman de Coninck, Johan Daisne, Koos Dalstra, Rudi van Dantzig, Midas Dekkers, Tonke Dragt, Imme Dros, Arjen Duinker, Jessica Durlacher, Frederik van Eeden, Hanneke Eggels, Willem Elsschot, Anna Enquist, Jan Fabre, Anne Frank, Carl Friedman, Jef Geeraerts, Peter van Gestel, Gust Gils, Anna van Gogh-Kaulbach, Arnon Grunberg, Robert van Gulik, Anton Haakman, Hella Haasse, Hans Hagen, Maarten ’t Hart, Miriam Van hee, A.F.Th. van der Heijden, Kristien Hemmerechts, Jan Paul Hinrichs, Johan Huizinga, Esther Jansma, Arthur Japin, Yvonne Keuls, Kluun, Herman Koch, Rutger Kopland, Gerrit Kouwenaar, Tim Krabbé, Guus Kuijer, Sjoerd Kuyper, Hubert Lampo, Joke van Leeuwen, J.H. Leopold, Jan Ligthart, Hans Lodeizen, Tessa de Loo, Geert Mak, Mariët Meester, Marga Minco, Bart Moeyaart, Margriet de Moor, Harry Mulisch, Martinus Nijhoff, Saskia Noort, Cees Nooteboom, Connie Palmen, Filip de Pillecyn, Jean Pierre Rawie, Gerard Reve, David van Reybrouck,  Willem M. Roggeman, Henriette Roland Holst, Jan Romein, Ward Ruyslinck, Arthur Schendel, Annie M.G. Schmidt, Spinoza, Stijn Streuvels, Toon Tellegen, Bob den Uyl, Jos Vandeloo, Kamiel Vanhole, Max Velthuijs, Edward van de Vendel, Annelies Verbeke, Kees Verheul, Esther Verhoef, Simon Vestdijk, Joost van den Vondel, Theun de Vries, Janwillem van de Wetering, Leon de Winter en Jan Wolkers. Ik kan er een paar hebben overgeslagen, bewust of onbewust. Er staan ook 30 of daaromtrent bloemlezingen vermeld met nog veel meer auteurs. Nergens is overigens K. Schippers te bekennen.


Doorzichtig


De Wetenschap-bijlage van NRC Handelsblad van afgelopen weekeinde besteedt drie pagina’s aan wat de indruk moet wekken van een sensationele ontdekking: die van de oudste röntgenfoto’s namelijk. Ik heb verder geen verstand van röntgenfoto’s, maar ik kan wel lezen, en al lezende kan ik constateren dat drie pagina’s kostbare krant misschien wat veel is voor de aankondiging van een tentoonstellinkje in Teylers Museum.

Je krijgt, na een intro met een ‘bijna’ huppelende conservator en een ‘snerpende’ grasmaaier, anderhalve kolom lang de indruk dat we hier te maken hebben met een wereldwijde primeur, maar dan komt de zin: ‘voor zover bekend heeft enkel de beroemde Wellcome Collection in Londen nog zo’n complete set’ met afdrukken die Wilhelm Röntgen in 1895 aan collega’s stuurde meteen nadat hij zelf zijn ontdekking had gedaan. De foto’s, hoe mooi en interessant ook, waren dus al lang bekend.

Deze drie bladzijden zijn dus heel leuk voor Teylers Museum, ze maken er dan ook al reclame mee op hun website. Het had ook anders kunnen aflopen als de wetenschapsjournaliste haar werk had gedaan en aan de bijna huppelende conservator had gevraagd waarom de foto’s nu pas zijn gevonden. Ze liggen in het archief van Nobelprijswinnaar Hendrik Lorentz, die in 1928 overleed. Ze zijn dus negentig jaar lang niet ontdekt. Hoe kan dat, zou mijn vraag zijn. Een artikel met die vraag als uitgangspunt had een mooie bijdrage aan de wetenschapsgeschiedenis kunnen opleveren.

Volgens de website van Teylers Museum kunnen we de foto’s maar heel even (nog tot 14 juli) zien vanwege hun kwetsbaarheid, maar ze negentig jaar onopgemerkt in een foldertje van ongetwijfeld niet zuurvrij papier laten zitten, dat was geen probleem. Wie alle negen foto’s na 14 juli (en daarvoor) wil bekijken kan terecht op de websitevan de Wellcome Collection (even zoeken bij Collections met de zoektermen Röntgen, x-ray en 1895). Daar hadden ze ze al lang geleden ontdekt.

(c) Wellcome Collection, London


woensdag 12 juni 2019

We schrijven 1977, en ik was 24

Poetry International, het Rotterdamse poëziefestival, vindt dit jaar voor de vijftigste keer plaats. In 1970 begon het, in 1976 was ik er voor het eerst als bezoeker. Student was ik nog, 24 jaar oud, ik had net voor het eerst een gedicht in een erkend tijdschrift gepubliceerd. Jaren later, in 1998, probeerde ik in een stukje op de achterpagina van NRC Handelsblad de sensatie van zo’n festival in een paar zinnen te vatten: ‘Ik hoorde er het Russische orgel Andrej Voznesenski en het Amerikaanse drankorgel Gregory Corso, de stille Roemeense geweldenaar Marin Sorescu en het Turkse nijlpaard Fazıl Hüsnü Dağlarca.’ Want dat was de sensatie: elke avond stonden zes, zeven, acht dichters uit allerlei landen op het toneel, ze lazen voor, hun vertalers lazen met hun eigen stem hun versies voor, in de pauze, vooraf en achteraf kon je de dichters aanraken, hun boeken kopen en laten signeren. Daar wilde ik, vanaf dat bezoek in 1976, ook bij horen.

En het jaar daarna was dat al het geval. Over dat jaar ging mijn stukje in NRC Handelsblad eigenlijk. Gast op het festival van dat jaar was de Oost-Duitse dichter en vertaler Erich Arendt, die sommige Utrechtse studenten germanistiek al kenden via hun docent Gregor Laschen. Hij had Arendt voorgesteld bij Poetry-organisator Martin Mooij, en Ton Naaijkens en ik waren bij die deal inbegrepen. En dus werden we, zo ging dat in die dagen, uitgenodigd voor het traditionele tuinfeest bij havenbaron Ludo Pieters in Rhoon. Pieters was zelf ooit dichter geweest en nog steeds bevriend met Gerard Reve (want hij was ook op het tuinfeest aanwezig), en hij was zo rijk dat er tekeningen van Lucebert op de wc hingen – ik vond dat in elk geval al plassend getuigen van een absurde rijkdom.

Tijdens het tuinfeest rond het zwembad op de zondag vóór Poetry maakte ik foto’s. Het zijn beroerde kiekjes in zwart-wit, maar ik laat er toch maar een paar zien. Ik begin met deze:
Van links naar rechts zijn dit Marcia Theophilo uit Brazilië, Stanley Kunitz uit de VS en Salah Abdas Sabur uit Egypte. De haardos rechtsonder is van Judith Mok, toen nog geen schrijfster en zangeres, maar aanwezig als dochter van de wel optredende Maurits Mok. Net als enkele andere foto’s is dit een tafereel van de tafel waar Erich Arendt resideerde. Rechts achter de tafel staat, onder de hoed, Jules Deelder, die daar ook niet als optredende gast was, maar gewoon rondliep en dronk en onderwijl de vrouw van de Franse dichter André du Bouchet luidruchtig voor Judith Herzberg versleet.
André du Bouchet en zijn – helaas onzichtbare – echtgenote staan hier te praten met onze held van het festival, Erich Arendt, 74 jaar oud op dat moment.
Op de volgende foto praat Erich Arendt met Adriaan van der Staay, die samen met Martin Mooij aan de basis had gestaan van Poetry International. De Japanse dichter links is Shuntaro Tanikawa. De persoon die zich op de achtergrond houdt is Ton Naaijkens.
Weer aan de tafel met Erich Arendt zien we links de Duitse dichteres Renate Rasp. Op de achtergrond knielt uitgever Geertjan Lubberhuizen (die dat jaar als presentator optrad) naast de Rotterdamse boekhandelaar Maria Heiden; de andere personen kan ik helaas niet identificeren.
Tussen de twee heren die we al eerder hier hebben gezien zit rechts, als ik mij niet vergis, Thea Schierbeek, de vrouw van Bert. Met wie ze praat kan ik niet achterhalen. Helemaal rechts zit de Hongaar Sándor Csóori. Links loopt, bij Marcia Theophilo, in elk geval de Italiaan Maurizio Cucchi.
Stanley Kunitz en Salah Abdas Sabur zitten nog steeds bij elkaar aan tafel, bij Judith Mok op de grond zit Hannelore Teutsch, de toenmalige levensgezellin van Erich Arendt.
Wie hier helemaal links zit weet ik niet, maar achter Ton Naaijkens op het bankje zitten Wim de Vries, Renate Rasp en Mischa de Vreede.
De imposante dichter rechts in het gras is de onlangs overleden Australiër Les Murray, die in gesprek is met Maurizio Cucchi, Marcia Theophilo, Dahlia Ravikovitch uit Israël en een door Murray aan het zicht onttrokken persoon. En als iemand me nu vertelt wie die meneer met de baard rechts is, dan zal ik zeggen: verdomd ja, dat is waar ook. Maar nu weet ik het even niet.
En ik was er dus ook. Iemand anders nam de foto, want selfies bestonden nog niet. Zoals gezegd: ik was 24.

dinsdag 11 juni 2019

Letterdieverij

Een interessante kwestie, dat plagiaat van de Amsterdamse pedagogiekhoogleraar Dymph van den Boom, in de openbaarheid gebracht door een prachtig artikel van Frank van Kolfschooten in NRC Handelsblad. Hij zou veel meer van dit soort artikelen moeten schrijven. Stof genoeg. Nog interessanter dan de kwestie zelf zijn de reacties erop, en vooral die ter verdediging van Van den Boom. De allerinteressantste in die laatste categorie is die van voormalig sociologieprofessor Kees Schuyt. Die kreeg van NRC Handelsblad ruimte voor een rammelend verhaal. Dat is curieus, want hij was vanaf 2006 voorzitter van het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI) en publiceerde in 2014 het boek Tussen fout en fraude. Integriteit en oneerlijk gedrag in wetenschappelijk onderzoek. Deskundig is hij dus wel, maar onpartijdig? Het kan niet anders of Schuyt kent Van den Boom. Ze waren tegelijkertijd hoogleraar aan dezelfde UvA-faculteit: Schuyt was er van 1990 tot 2007, Van den Boom van 1995 tot 2016. Van 2007 tot 2016 was Van den Boom bovendien rector magnificus van de UvA en in die functie, lees ik, maakte ze veel werk van integriteitsbeleid voor studenten en medewerkers. En allebei, dat zeg ik er altijd graag bij, studeerden en promoveerden ze aan de Universiteit Leiden. Dat is de universiteit waar zelfs de vertrouwenspersoon wetenschappelijke integriteit geen belangstelling heeft voor vermoedelijke schendingen van die integriteit.

Het is niet moeilijk je voor te stellen dat Van den Boom, toen duidelijk werd dat ze in zwaar weer terecht zou komen, Schuyt opbelde. Dat ging, denk ik, zo: ‘Kees, met Dymph, moet je nou luisteren. Ze hebben ontdekt dat ik al jaren dingen overschrijf, doe daar iets aan, jou geloven ze wel.’ Schuyt: ‘Wat vervelend, Dymph, ik bel de krant op en begin meteen te pennen’. Zo ongeveer moet het gegaan zijn. Er zijn nog geen regels voor het in een blog weergeven van imaginaire telefoongesprekken, dus hoef ik hier geen bronvermelding te geven. Kees Schuyt zal dat kunnen bevestigen: zolang er geen bindende regels zijn, mag je doen wat je wil. Want hij schrijft dit in NRC Handelsblad: ‘[Er] bestonden […] in 1988 geen bindende voorschriften hoe in wetenschappelijke publicaties naar bronnen verwezen moest worden.’ 1988 is het jaar dat Van den Boom promoveerde, en dat proefschrift is een van de teksten waar Van Kolfschooten overschrijverij vond. Het cruciale woord is ‘bindend’. In 1988 waren er inderdaad geen bindende voorschriften op dat gebied, maar die zijn er nog steeds niet. Er zijn heel veel adequate mogelijkheden om precies je bronnen te vermelden, ze verschillen per wetenschappelijke discipline en ook nog vaak binnen disciplines. Het gaat erom dat je bevindingen controleerbaar zijn, en dat kan alleen als je eerlijk je bronnen geeft, nauwkeurig citeert, aangeeft waar je kennis en je ideeën vandaan haalt. Het staat allemaal systematisch en helder geformuleerd in de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU), een code die ook internationaal wordt gehanteerd.

Die code is een tekst die juridisch en ethische aspecten van wetenschappelijke integriteit in kaart brengt als handleiding voor de dagelijks praktijk, maar ook als kader voor de beoordeling van wetenschappelijk handelen als iemand dat handelen in twijfel trekt. De juridische argumenten zullen het, is mijn indruk, altijd winnen als puntje bij paaltje komt. Kees Schuyt, zelf behalve socioloog ook jurist, weet dat, en daarom praat hij ook zo graag over bindende regels. Hij wist, toen hij zijn stuk schreef, al dat de twee personen die de externe commissie vormen die de kwestie-van den Boom gaan onderzoeken juristen zijn, hij weet ook dat juristen altijd een belangrijke rol spelen bij integriteitscommissies aan universiteiten en een nog grotere bij het LOWI, waar de inhoud van klachten eigenlijk geen rol speelt. Het feit dat de UvA een externe commissie benoemt om onafhankelijkheid te garanderen maakt overigens duidelijk dat ook het College van Bestuur van de UvA vindt dat een interne commissie geen onafhankelijk oordeel zou hebben.

Een van de zotte argumenten van Schuyt gaat over het citeren zonder aanhalingstekens in het proefschrift van Van den Boom. Wie het proefschrift bestudeert, ziet dat bij letterlijk overgenomen tekstfragmenten, soms vóór en soms ná een fragment, wél de namen van auteurs met publicatiejaartal genoemd worden en in de literatuurlijst zijn opgenomen. Die teksten werden niet tussen aanhalingstekens of in een apart tekstblok gezet, zoals de journalist wenst en de citeer-regel uit 2012 voorschrijft. Ach, sorry, ik was de aanhalingstekens vergeten; excuses voor de verwarring die dat veroorzaakte. Dit schrijft Schuyt dus: Wie het proefschrift bestudeert, ziet dat bij letterlijk overgenomen tekstfragmenten, soms vóór en soms ná een fragment, wél de namen van auteurs met publicatiejaartal genoemd worden en in de literatuurlijst zijn opgenomen. Die teksten werden niet tussen aanhalingstekens of in een apart tekstblok gezet, zoals de journalist wenst en de citeer-regel uit 2012 voorschrijft.’ Er bestaat dus, wil Schuyt ons wijsmaken, pas sinds 2012 een ‘citeer-regel’ die bepaalt dat je citaten tussen aanhalingstekens moet zetten. Je kunt je bijna niet voorstellen dat Schuyt zich niet heeft zitten schamen bij het opschrijven van die onzin. En je vraagt je af waarom hij de moeite heeft genomen in zijn eigen Willem Nagel-J.B. Charles-biografie uit 2010 al die citaten daarin tussen aanhalingsteken te zetten, als het niet nodig was. Zes van de negentien hoofdstuktitels in dat boek zijn zelfs citaten tussen aanhalingstekens. Ik kan me niet herinneren dat in de recensies van die biografie speciaal werd gewezen op het feit dat er nu eindelijk een wetenschapper was opgestaan die structureel citaten tussen aanhalingstekens zette. Dat is namelijk al een tijdje in zwang, anderhalf millennium of zo, leer ik van het Duitse Wikipedia-lemma over het leesteken (het Nederlandse lemma heeft geen historisch besef wat dat betreft).

Hoe een citaat werkt, is heel netjes en handig opgeschreven door Schuyt zelf, in zijn eerder genoemde boek. Daar staat op p. 106: ‘Een citaat is een letterlijke aanhaling van een tekstgedeelte, dat daarbij “tussen haakjes” wordt gezet.’ De volgende zin: ‘Als men goed citeert, inclusief punten, komma’s en gedachtestreepjes, is er niets aan de hand.’ Over wat er wel met citaten aan de hand kan zijn wat plagiaat betreft gaan dan de bladzijden erna, alles met nette bronvermeldingen. Een van de voorbeelden die Schuyt geeft is dat van de Duitse minister Zu Guttenberg, die in 2011 moest aftreden vanwege grootscheeps plagiaat in zijn proefschrift. Zu Guttenberg citeerde uit andermans werk en gaf ook wel ergens in de buurt een bron, maar juist niet waar geciteerd werd, waardoor de indruk werd gewekt dat weergegeven analyses door de promovendus waren bedacht. Duitse plagiaatonderzoekers noemden dat, met een schaakterm, een Bauernopfer, en Schuyt vertaalt dat – ik doe het hem niet na – met ‘pionoffer-plagiaat’. Van den Boom doet min of meer hetzelfde, en nu vindt Schuyt dat daar niks mis mee is. Iemand die dit pionoffer-plagiaat overigens ook regelmatig toepast is een bekende biograaf.

Niet netjes je bronnen vermelden om op die manier met andermans ideeën aan de haal te gaan is een vorm van diefstal waarvoor ooit het mooie woord letterdieverij werd bedacht. Op 28 mei 1880 – lang vóór het auteursrecht dus, toen intellectueel eigendom alleen nog maar met het argument van het fatsoen verdedigd kon worden – komt het voor in een toepasselijk bericht in Het Nieuws van den Dag:


donderdag 6 juni 2019

Also sprach de biograaf


Ik kom nog even terug op mijn vorige bericht. Dat was, maar dan redelijk neutraal geformuleerd, mijn zoveelste klacht over het broddelwerk van Hermans-biograaf Willem Otterspeer. Ik was bezig met het nawoord bij deel 19 van de Volledige Werken van Hermans, en dan moet je fatsoenshalve die Hermans-biografie raadplegen. Om dan telkens weer te schrikken. Mijn stuk hiervoor ging, in het kort, over de bewering van Otterspeer in zijn biografie dat Hermans in 1941, na allerlei vergeefse pogingen eigen werk geplaatst te krijgen, een ‘succesje’ boekte met een vertaling in een tijdschrift met de titel Astra. Alleen: hij laat een bibliografische voetnoot achterwege. Zo’n voetnoot zou ook een hele opgave zijn geweest, want het is hoogst onzeker of die publicatie wel bestaat. Dat had de lezer moeten lezen als de biograaf zijn werk had gedaan. Maar dat deed hij, zoals zo vaak, niet. Niks publicatie zoeken, niks uitleg, niks voetnoot, maar wel conclusies trekken uit iets dat niet bestaat.

Er zijn wel meer van dat soort gevallen. Voetnoot 354 van deel 1 van de biografie hoort bij een passage over Hermans die in 1941 voor medestudenten een lezing over Friedrich Nietzsche’s Also sprach Zarathustra houdt. Een van die medestudenten had de enige bestaande vertaling uit de bieb gehaald, maar die vond Hermans maar niks. De vertaler had bijvoorbeeld ‘Übermensch’ met ‘bovenmens’ vertaald. In de voetnoot staat dit: ‘Het betreft hier de vertaling van Lucien von Römer.’ We verwachten nu de bibliografische verwijzing, maar die ontbreekt. En dan komt dit: ‘Hermans wist waarover hij sprak, want hij had zelf in januari 1939 een vertaling gemaakt van het Eerste Deel van Also sprach Zarathustra’. Je verwacht nu weer iets, namelijk de informatie over de herkomst van die kennis, en die staat er ook: een Nietzsche- en Hermansdeskundige heeft hem op die vertaling gewezen. Dat is mooi, maar wat ontbreekt is de informatie dat het manuscript van die vertaling zich in het archief-Hermans bevindt. Dat manuscript heeft Otterspeer nooit gezien, dat bewijst de rest van de zin: ‘met daarin de belangrijke hoofdstukken “Vom Lesen und Schreiben” (“Von allem Geschriebenen liebe ich nur Das, was Einer mit seinem Blute schreibt.”) en “Vom Freunde” (“Immer Einmal Eins – das giebt auf die Dauer Zwei.” En “In seinem Freunde soll man seinen besten Feind haben.”).’

Dat zijn lekkere citaten. Maar wat is er aan de hand? De vertaling van Hermans beslaat niet het hele ‘Eerste Deel’ van Also etc., maar slechts 8 van de 23 onderdelen. ‘Vom Lesen und Schreiben’ zit daar niet bij, en de door Otterspeer aangehaalde zin dus ook niet. Gewoon niet bekeken dat manuscript, niks gecontroleerd, gewoon maar wat opgeschreven en een paar citaten uitgekozen die passen bij het beeld dat je met alle geweld van Hermans wil verkopen. Ergens anders in het boek (p. 360-361) meer over de Duitse filosoof. Daar staat: ‘Van Nietzsche zou hij in de oorlog vrijwel alles lezen. Er bleef jammer genoeg maar één deeltje bewaard van zijn oude Nietzsche-uitgaven.’ Gevolgd door een aantal passages die Hermans volgens Otterspeer aanstreepte. Er is nu wel een bibliografische voetnoot, en die luidt aldus: ‘Friedrich Wilhelm Nietzsche, Nietzsches Werke i, Die Geburt der Tragödie. Aus dem Nachlass 1869-1873. Leipzig 1924.’ Dit is geen titelbeschrijving op grond van de autopsie van het boek uit Hermans’ bezit, maar een uit een digitaal beschikbare universiteitsbibliotheekbeschrijving gekopieerde titelbeschrijving. Controleer het maar aan het exemplaar van Hermans – als je het kunt vinden. Want:: waar het boek uit het bezit van Hermans zich bevindt, vermeldt hij niet. Ik weet het, maar de biograaf wil niet dat u het weet, dus ik laat u lekker raden.

Per Facebook ad Astra

Op pagina 234 van deel 1 van zijn biografie van Willem Frederik Hermans, De mislukkingskunstenaar, beschrijft Willem Otterspeer een aantal pogingen van Hermans om eigen werk in tijdschriften en elders gepubliceerd te krijgen. Ze mislukken allemaal. Op één na, meent de biograaf: ‘Het enige succesje dat hij boekte was met de vertaling van het verhaal “Zwei Welten” van Jens Peter Jacobsen, een auteur met wie hij dweepte en met wiens Niels Lyhne hij zich diep vereenzelvigde. Hij stuurde het op 31 juli op naar Astra en het werd aangenomen.’ Ha! zou de lezer kunnen denken, leuk, dat wil ik lezen. Maar de lezer zoekt tevergeefs een voetnoot, en ook in de bibliografie van de biografie vinden we niets. En dat heeft een reden: niemand weet of de publicatie bestaat. Het was leuk als de lezer dat ook in de biografie te weten was gekomen.
Astra, ondertitel ‘Geïllustreerd maandschrift’, is een zeer interessant en indertijd veel gelezen tijdschrift, en toch is er geen complete serie van bewaard. Het blad werd van 1923 tot 1942 uitgegeven door Holdert & Co. (van De Telegraaf). Het laatste bekende nummer in een openbare instelling is van september 1941, in een particuliere collectie zitten nog een paar afleveringen uit 1942, waarvan 229 van juni de laatste is. In april 1949 werd het blad heropgericht, maar hoeveel afleveringen nog verschenen is niet bekend; het laatst bekende nummer is 235, van augustus 1949. In het archief-Hermans is nummer 219 van augustus 1941 bewaard met een bijdrage van Hermans’ vriend Hidde Heringa, en ook een uit de Astra van mei 1942 overgeschreven prozatekst ‘Het Klaaglied’ van de Chinese schrijver Po-Chü-I.
Het is dus nog maar de vraag of Hermans, zoals de biograaf stelt, in de zomer van 1941 een succesje boekte. Zolang we geen complete reeks hebben, weten we niets. Ik heb twee verzamelaars met grote Astra-collecties benaderd, maar die hebben samen ook niet alles en niet wat ik zoek. Dus: zoekt u mee? Wie Hermans’ vertaling vindt, boekt een geheid succesje, want zo vaak worden er geen onbekende publicaties van Hermans gevonden.

Eerder, op 24 mei 2019, gepubliceerd op Facebook, vandaar de titel.