vrijdag 5 augustus 2022

Over genres

De Willem Frederik Hermans-citatenleverancier op neerlandistiek punt nl van deze week, Suzanne Voets, is student Nederlands in Nijmegen en schrijfster. Ze werkt, volgens de tekst die haar bij ons introduceert als citatenleverancier, momenteel ‘aan een historische roman en enkele literaire publicaties’. Dat wordt dus een niet-literaire historische roman, begrijp ik? Is dat alleen maar onnadenkend geformuleerd of zitten er diepere gedachten achter, zoals in het geval waarover ik een jaar of zes geleden, op 2 juni 2016, op Facebook schreef onder de titel ‘Literaire romans’:

Het Historisch Nieuwsblad bestaat 25 jaar en daarom mogen we stemmen op ons favoriete geschiedenisboek. Het tijdschrift geeft een lijst van 250 titels om uit te kiezen. Op die lijst, waarop elke titel een genre-aanduiding heeft, zie ik dat ik de afgelopen jaren, zonder me daarvan bewust te zijn, een aantal interessante ‘literaire romans’ heb gelezen. Een kleine geschiedenis van bijna alles van Bill Bryson bijvoorbeeld, en In Europa, De eeuw van mijn vader en Hoe God verdween uit Jorwerd van Geert Mak, ook Tot het bittere einde van Viktor Klemperer en Romantiek van Rudiger Safranski. Allemaal ‘literaire romans’ volgens het Historisch Nieuwsblad, net als Sonny Boy en De Amerikaanse prinses van Annejet van der Zijl. Romans zonder zo’n toevoeging (niet-literaire romans zou je kunnen zeggen) staan niet op de lijst, maar vreemd genoeg is er ook geen genre ‘historische romans’. Dus geen – bijvoorbeeld – Hella Haasse. Wel een categorie ‘Pockets algemeen’, met één titel: de Historiën van Tacitus.

De lijst is opgesteld in samenwerking met een viertal gepensioneerde academici. Een van hen is Hans Blom (Leiden, NIOD). Amusant is dat twee literaire romannetjes van zijn promovenda Van der Zijl op de lijst staan, maar niet haar proefschrift, een biografie over Prins Bernhard. Curieus is dat een egodocument als de dagboeken van Klemperer wel in de Top 250 staan, maar het dagboek van Anne Frank niet. Niet literair genoeg zeker, of geen ‘pocket algemeen’.

En terwijl ik de lijst uitgebreid aan het bestuderen was kondigde Teletekst, geheel in lijn met de lijst van het Historisch Nieuwsblad, een item van Nieuwsuur aan: ‘Het succes van de streekroman’. ‘Wat verklaart het succes van boeken over (vergeten) regionale geschiedenis?’ vraagt het televisiescherm mij. Ik naar Nieuwsuur kijken: er is aandacht voor de vertoneelstukking van ‘Het pauperparadijs’ van Suzanna Jansen (‘Literaire non-fictie algemeen’ op de lijst van het Historisch Nieuwsblad), en Marcia Luyten komt aan het woord over haar Het geluk van Limburg. Dat boek staat niet op de HN-lijst, ik kan dus niet opzoeken wat dat voor soort boek is. Maar gelukkig wint Luyten een paar dagen later de Brusseprijs. De jury daarvan vindt Luytens boek ‘een verhaal dat leest als een roman’. Ik, argeloze lezer en kijker, begrijp dus dat de Brusseprijs een prijs is voor de beste streekroman.

donderdag 14 juli 2022

Over over

Op neerlandistiek punt nl, u weet het al, staat sinds 1 september 2021 een jaar lang elke dag een ander citaat van of uit het werk van Willem Frederik Hermans, uitgekozen door Hermans-kenners en -liefhebbers en andere bekende of onbekende Nederlanders. De tekst van die citaten is – laten we het voorzichtig uitdrukken – niet altijd de tekst die Hermans heeft laten publiceren, want diverse deelnemers plukken hun ‘citaten’ van websites met tegeltjeswijsheden en wat dies meer zij. De bronvermelding laat ook veel te vaak ernstig te wensen over, en daar komt nog bij dat de redactie van neerlandistiek punt nl aan de websitetechniek de opdracht heeft gegeven om alle afzonderlijke alinea’s aan elkaar te plakken. Iemand heeft ze er op gewezen dat dat eigenlijk allemaal niet kan, maar ze vinden dat ik zeur.

Vandaag hebben we een primeur! De tekst die Rick de Leeuw voor vandaag heeft uitgezocht is namelijk niet van Willem Frederik Hermans, maar van Carel Peeters. Kijk maar. In zijn boek Hollandse pretenties (1988), p. 250, schrijft Caarel Peters namelijk:

En dat is precies wat Rick de Leeuw ook presenteert vandaag:

Helemaal correct geciteerd.

Nou lijkt Karel Pieters op zijn beurt wel Hermans te citeren, en wel uit Onder professoren, maar dat is niet zo, want daar – Volledige Werken, deel 5 (2013), p. 497 – staat iets anders. Dit namelijk: ‘De praatjes waaien weg en de atomen blijven.’ Ongeveer hetzelfde, maar toch een beetje anders, zoals ik in dit soort omstandigheden wel vaker pleeg te zeggen.

Die Carel Peeters toch – jaren geleden betrapte ik hem al eens op een soortgelijke aanpassing van citaten, van Menno ter Braak namelijk, waar hij het zelfs al knippend en plakkend van dé website met het werk van Ter Braak niet kon laten om zinnen in stukken te hakken en aan te passen. Je moet er als schrijver toch niet aan denken dat iemand na je dood zo met je teksten zit te prutsen. Alsof iemand bij leven met opzet je naam zit te verhaspelen.

woensdag 13 juli 2022

Bij Büchner op bezoek

Ruim vijftig jaar geleden, tijdens mijn eerste studiejaar Duits in Utrecht, was een van de eerste literaire teksten die docent Peter Wessels met ons behandelde de novelle Lenz van de zeer jong gestorven en zeer bijzondere schrijver Georg Büchner (1813-1837). Die lectuur is blijven hangen: ik maakte, in 1981, samen met Ton Naaijkens de eerste Nederlandse vertaling van Lenz (Utrecht: Journal), ik schreef het voorwoord bij het Verzameld werk van Büchner in het Nederlands (Amsterdam: International Theatre Bookshop, 1987), ik vertaalde de brieven van en aan Büchner (Van Gruting, 2000), ik deed onderzoek naar de Nederlandse verwanten van Büchner en hield daar onder andere een lezing over op een Duits Büchner-congres in Mainz in 2012.
Mainz is niet zo ver weg van de geboorteplaats van Büchner, Goddelau, nu onderdeel van de gemeente Riedstadt, ten oosten van Darmstadt, maar toch maakte ik toen, in 2012, de korte omweg niet. Mijn bezoek aan het geboortehuis van Büchner, tegenwoordig een klein maar fijn en heel actief museum, vond pas nu, in de zomer van 2022 plaats. En omdat we toch ook weer naar huis moesten, maakten we de terugreis in de vorm van een vakantietrip die ons ook langs Zürich leidde, waar Büchner in 1837, nog geen vierentwintig jaar oud, overleed. Hij was net aan de universiteit daar gepromoveerd en wilde er gaan werken, vanwege politieke activiteiten op de vlucht voor de autoriteiten in wat we voor het gemak nu maar even ‘Duitsland’ noemen.
Büchner werd ook begraven in Zürich. Bijna veertig jaar later, in 1875, werd op de Zürichberg ten noordoosten van het centrum van de stad een grafmonument voor de schrijver opgericht. Dat grafmonument kende ik tot nu toe alleen maar van foto’s en ook van een staalgravure die werd opgenomen in de Sämmtliche Werke und handschriftlicher Nachlaß die, bezorgd door Karl Emil Franzos, in 1879 verschenen. Lang geleden kocht ik antiquarisch een eenvoudig ingebonden boekje met alleen de tekst van ‘Danton’s Tod’ uit die uitgave, en daarbij was die gravure mee ingebonden.
Maar nu ging ik het grafmonument dus in het echt bekijken. Georg ligt er al bijna 150 jaar mooi bij. Als hij even overeind komt, heeft hij een spectaculair uitzicht over de Zürichsee.



dinsdag 5 juli 2022

Abdelkader, Yves en Barber

U kent vast de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans. Ik heb het er wel eens over. Binnenkort verschijnt het vierentwintigste en laatste deel. Als u boekenplanken van 1 meter 20 bezit, zal de editie zo’n plank vullen. Het oeuvre van Hermans omvat in de uitgave ruim 15.000 pagina’s. Als u dat wat veel vindt, zijn er ook handzamere versies, zoals websites als citaten.net, die het oeuvre van Hermans samenvatten in, zoals citaten.net, 73 handzame citaten. Voor het geval je, bijvoorbeeld, door de redactie van de website neerlandistiek punt nl wordt gevraagd om je zeven favoriete citaten van Hermans uit te kiezen en die een week lang aan het volk te tonen in het kader van het Hermans-jaar 2021/2022 is zo’n citatenwebsite een uitkomst. Omdat je als Hermans-deskundige – anders zou je immers niet gevraagd worden – toch alles al gelezen hebt, is dat voorwerk van die citatenwebsites alleen maar handig.

Zo ongeveer moeten Abdelkader Benali en Yves Petry hebben gedacht, die, zoals ik de afgelopen tijd al liet weten, hun Hermans-citaten van citaten.net etc. haalden, inclusief alle fouten, bewerkingen etc. die daarin voortkomen. En nu heb ik nog iemand gevonden: Barber van de Pol, die van 29 september tot en met 5 oktober 2021 haar gang mocht gaan op neerlandistiek punt nl. Al haar gekozen citaten staan op citaten.net. Een ervan was ook al door Benali en Petry gekozen, in precies dezelfde corrupte weergave.

Hoe ziet dat er nu uit, dat citatenrapen? Dit is wat er op 5 oktober 2021 in naam van Barber van de Pol op neerlandistiek punt nl staat:


En dit is dezelfde tekst op citaten.net:


Dezelfde tekst, spitting image, inclusief de bron, ook spitting image, namelijk zonder die leestekens en met die verdwaalde hoofdletter. Die hoofdletter suggereert dat de titel van het geciteerde stuk ‘Verhaal: waarom schrijven?’ is, maar de bedoelde titel is ‘Waarom schrijven?’ en dat is geen verhaal. De tekst is verder correct weergegeven, maar die mazzel heb je natuurlijk ook wel eens als citatenraper.

Dan dit favoriete citaat van Barber van de Pol, op 4 oktober 2021 op neerlandistiek punt nl:


Uiterst nauwkeurig geknipt en geplakt van citaten.net:


Het probleem is alleen dat het verhaal ‘Lotti Fuehrscheim’ heet, met een driepoot op het eind. En er moet geen komma na ‘geloof’.

Nog eentje dan, van 1 oktober 2021:

Dat lijkt heel veel op wat er op citaten.net staat:


Maar weer niet in de oorspronkelijke tekst op p. 357 van deel 3 van de Volledige Werken (2010):


Toch een beetje anders, hè.

Nu is het wel genoeg. Ik stel voor dat andere Hermans-kenners die hun lievelingscitaten van een citatenwebsite hebben gehaald, dat zelf even melden bij neerlandistiek punt nl.

zondag 3 juli 2022

Absurd

Vanwege de overweldigende bijval voor mijn kruistocht tegen de verminking van citaten van of uit het werk van Willem Frederik Hermans op de website neerlandistiek punt nl besteed ik er nog maar eens aandacht aan. Om te beginnen maar eens positief: Sasha Richman, promovenda van Mathijs Sanders in Groningen, koos vanaf vrijdag 1 juli 2022 een paar prachtige citaten die met het thema van haar voorgenomen dissertatie te maken hebben: de rol van de fotografie in het werk van Hermans en anderen. De citaten zijn met zorg gekozen en overgenomen, in tegenstelling tot de manier waarop haar directe voorganger Yves Petry dat deed. Die knutselde ten eerste aan een van de gekozen citaten, en de meeste vond hij op een citatenwebsite, net als zijn collega Abdelkader Benali, over wie ik eerder berichtte, maar dan zonder zijn naam te noemen. De herkomst van die citaten is goed herkenbaar aan de afwijkingen in vergelijking met de originele teksten; een van zijn citaten deelt Petry zelfs met Benali, met precies dezelfde verkeerde woordvolgorde.

Aan het eerste citaat van Sasha Richman zit toch een smetje, maar daar kan ze zelf niets aan doen. De redactie van neerlandistiek punt nl heeft namelijk bedacht dat je best alle zinnen die in zo’n Hermans-citaat staan achter elkaar kunt plakken, zonder nieuwe alinea’s etc., ook bij gedichten. Ik constateerde dat bij enkele van de door mij gekozen citaten, en in die drie gevallen werd de schade hersteld. Maar het betekende niet dat het regime werd veranderd. De redactie stak een dikke middelvinger naar mij (en Hermans) op en plakte verder aan elkaar.

Aan het eerste citaat van Sasha Richman (uit De donkere kamer van Damokles), gepubliceerd op 1 juli 2022, is goed te zien hoe absurd dat is. Dit staat nu op neerlandistiek punt nl:

Zijn judoclubje was hij geregeld blijven bezoeken. Zijn voeten vergroeiden ernaar, zij werden breed en zeer gespierd over de wreven, het leek of zij zuignappen aan het worden waren, hij stond er onverwrikbaar op als waren zij van lood. Normale schoenen kon hij niet meer dragen, er moesten bijzondere schoenen naar maat voor hem gemaakt worden. Een klein monster, een rechtopstaande pad.

Maar in het origineel staat:

Zijn judoclubje was hij geregeld blijven bezoeken. Zijn voeten vergroeiden ernaar, zij werden breed en zeer gespierd over de wreven, het leek of zij zuignappen aan het worden waren, hij stond er onverwrikbaar op als waren zij van lood. Normale schoenen kon hij niet meer dragen, er moesten bijzondere schoenen naar maat voor hem gemaakt worden.

Een klein monster, een rechtopstaande pad.

Een nieuwe alinea dus, die laatste zin. Dat is de keuze van de schrijver, en daar kom je met je tengels niet aan op de manier waarop neerlandistiek punt nl dat doet. Als je, zoals de redactie van neerlandistiek punt nl, belangrijk vindt wat het verschil is tussen ‘turkoois’ en ‘turquoise’, tussen ‘aanmeren’ en ‘afmeren’ en tussen ‘absurd’ en ‘bizar’ (ik noem maar een paar afleveringen van de honderden van het ‘Verwarwoordenboek’ op neerlandistiek punt nl, die wél met alineas, witregels en wat dies meer zij worden gepubliceerd), dan moet je ook interessant vinden hoe een echte schrijver zijn tekst indeelt. Want dat doet hij niet zo maar.

         Een nog akeliger voorbeeld van zinnenplakkerij demonstreerde neerlandistiek punt nl bij een citaat dat Gert Brouns had uitgezocht. Ook hij deed dat met zorg en precisie. Hij koos dit fragment uit Nooit meer slapen en citeerde het naar de Volledige Werken, deel 3:

Als je mij vraagt zijn er drie belangrijke stadia in de geschiedenis van de mens.

In het eerste kende hij zijn eigen spiegelbeeld niet, evenmin als een dier dat kent. Laat een kat in een spiegel kijken en hij denkt dat het een raam is waarachter een andere kat staat. Blaast ertegen, loopt er omheen. Op den duur is hij niet meer geïnteresseerd; sommige katten tonen zelfs nooit enige belangstelling voor hun spiegelbeeld.

Zo zijn de eerste mensen ook geweest. Honderd procent subjectief. Een ‘ik dat zich vragen kon stellen over een zelf bestond niet.

Tweede stadium: Narcissus ontdekt het spiegelbeeld. Niet Prometheus die het vuur ontdekte is de grootste geleerde van de Oudheid, maar Narcissus. Voor het eerst ziet ‘ik zich ‘zelf. Psychologie was in dit stadium een overbodige wetenschap, want de mens was voor zichzelf wat hij was, namelijk zijn spiegelbeeld. Hij kon ervan houden of niet, maar hij werd niet door zichzelf verraden. Ik en zelf waren symmetrisch, elkaars spiegelbeeld, meer niet. Wij liegen en het spiegelbeeld liegt met ons mee. Pas in het derde stadium hebben wij de genadeslag van de waarheid gekregen.

Het derde stadium begint met de uitvinding van de fotografie. Hoe dikwijls gebeurt het dat er een pasfoto van ons gemaakt wordt waarvan wij evenveel houden als van ons spiegelbeeld? Hoogst zelden! Voordien, als iemand zijn portret liet schilderen en het beviel hem niet, kon hij de schuld aan de schilder geven. Maar de camera, weten wij, kan niet liegen. En zo kom je in de loop van de jaren, via talloze foto’s, erachter dat je meestal niet jezelf bent, niet symmetrisch met jezelf, maar dat je het grootste deel van je leven in een aantal vreemde incarnaties bestaat voor welke je alle verantwoordelijkheid van de hand zou wijzen als je kon.

De angst dat andere mensen hem zien zoals hij is op die foto’s die hij niet kan endosseren, dat ze hem misschien nooit zien zoals het spiegelbeeld waarvan hij houdt, heeft de menselijke individu versplinterd tot een groep die uit een generaal plus een bende muitende soldaten bestaat. Een Ik dat iets wil zijn - en een aantal schijngestalten die het Ik onophoudelijk afvallen. Dat is het derde stadium: het voordien vrij zeldzame twijfelen aan zichzelf, laait op tot radeloosheid.

De psychologie komt tot bloei.

En wat staat er op neerlandistiek punt nl? Dit:

Als je mij vraagt zijn er drie belangrijke stadia in de geschiedenis van de mens. In het eerste kende hij zijn eigen spiegelbeeld niet, evenmin als een dier dat kent. Laat een kat in een spiegel kijken en hij denkt dat het een raam is waarachter een andere kat staat. Blaast ertegen, loopt er omheen. Op den duur is hij niet meer geïnteresseerd; sommige katten tonen zelfs nooit enige belangstelling voor hun spiegelbeeld. Zo zijn de eerste mensen ook geweest. Honderd procent subjectief. Een ‘ik’ dat zich vragen kon stellen over een ‘zelf’ bestond niet. Tweede stadium: Narcissus ontdekt het spiegelbeeld. Niet Prometheus die het vuur ontdekte is de grootste geleerde van de Oudheid, maar Narcissus. Voor het eerst ziet ‘ik’ zich ‘zelf’. Psychologie was in dit stadium een overbodige wetenschap, want de mens was voor zichzelf wat hij was, namelijk zijn spiegelbeeld. Hij kon ervan houden of niet, maar hij werd niet door zichzelf verraden. Ik en zelf waren symmetrisch, elkaars spiegelbeeld, meer niet. Wij liegen en het spiegelbeeld liegt met ons mee. Pas in het derde stadium hebben wij de genadeslag van de waarheid gekregen. Het derde stadium begint met de uitvinding van de fotografie. Hoe dikwijls gebeurt het dat er een pasfoto van ons gemaakt wordt waarvan wij evenveel houden als van ons spiegelbeeld? Hoogst zelden! Voordien, als iemand zijn portret liet schilderen en het beviel hem niet, kon hij de schuld aan de schilder geven. Maar de camera, weten wij, kan niet liegen. En zo kom je in de loop van de jaren, via talloze foto’s, erachter dat je meestal niet jezelf bent, niet symmetrisch met jezelf, maar dat je het grootste deel van je leven in een aantal vreemde incarnaties bestaat voor welke je alle verantwoordelijkheid van de hand zou wijzen als je kon. De angst dat andere mensen hem zien zoals hij is op die foto’s die hij niet kan endosseren, dat ze hem misschien nooit zien zoals het spiegelbeeld waarvan hij houdt, heeft de menselijke individu versplinterd tot een groep die uit een generaal plus een bende muitende soldaten bestaat. Een Ik dat iets wil zijn - en een aantal schijngestalten die het Ik onophoudelijk afvallen. Dat is het derde stadium: het voordien vrij zeldzame twijfelen aan zichzelf, laait op tot radeloosheid. De psychologie komt tot bloei.

Eén alinea, een vette, onhermansiaanse lap in plaats van de zorgvuldig en welbewust in zeven alineas ingedeelde tekst. Wat zegt Jan Renkema, de bedenker van het ‘Verwarwoordenboek’, ook weer in zijn SchrijfwijzerDe alinea is de belangrijkste bouwsteen van een tekst.

Bizar.




woensdag 22 juni 2022

De non en de doos

Ik ben weer eens in Innsbruck. Voor het laatst was ik hier in maart 2004, vanwege de tweejaarlijkse conferentie van de Arbeitsgemeinschaft für germanistische Edition, de club van wetenschappelijke editeurs voor het Duitse taalgebied. Mijn instituut, dat zoveel namen heeft gehad dat ik niet meer weet welke toen geldig was, iets met Huygens ongetwijfeld, deed daar in die tijd ook altijd aan mee. Die ambitie is met de vele naamsveranderingen verdwenen.

Maar goed: er was een behoorlijke instituutsdelegatie, het besneeuwde Innsbruck lag er mooi bij en wij deden onze plicht. Ik merk, nu ik weer in Innsbruck rondloop, dat ik niet meer weet waar de bijeenkomst plaatsvond, waar ons hotel lag, dat soort dingen, en van het congres zelf weer ik ook nog maar weinig. Het conferentiethema was ‘Was ist Textkritik? Zur Geschichte und Relevanz eines Zentralbegriffs der Editionswissenschaft’ – en daar kon je alle kanten mee op. Mijn bijdrage ging over de briefwisseling tussen Herman Gorter en Vladimir Il’ić Lenin; op de een of andere manier slaagde ik erin die aan het congresthema te verbinden.

Een bijzondere bijdrage aan de conferentie was die van een bibliothecaresse van een Oostenrijks klooster. Veel concreter kan ik niet worden, want ik heb de congrespapieren niet bewaard, en als ik ze bewaard had, had ik ze niet meegenomen op vakantie. Ik kan ook online helemaal niets vinden over wat ik nu ga vertellen, wat voor de lezer misschien een reden is om aan het verhaal te twijfelen, maar wat mij betreft mijn verhaal ondersteunt.

Opvallend was dat de lezing werd aangekondigd met de mededeling dat er na afloop geen vragen mochten worden gesteld. De dame die de lezing hield was een non, de instelling waarvan ze de bibliotheek beheerde was een mannenklooster. Ze vertelde dat ze op zekere ochtend, bij het begin van haar werkdag, een doos op haar bureau vond met allerlei stukken papier. Er zat verder geen informatie in of bij de doos. Ze bleek middeleeuwse papierfragmenten te bevatten, ‘Makulatur’, afvalpapier dat veelal gebruikt werd bij het binden van boeken.

De bibliothecaresse had de fragmenten geïnventariseerd en was tot de conclusie gekomen dat het onbekende fragmenten waren van een bekend middeleeuws manuscript, en wel fragmenten die onomstotelijk bewezen dat dat manuscript ‘Oostenrijks’ was. Welk manuscript dat was? Ik weet het echt niet meer. Het bijzondere van de manuscriptfragmenten was bovendien, vertelde de bibliothecaresse, dat ze geïllustreerd waren, en dat betekende dat het hier om de eerste strip ter wereld ging. De gefronste wenkbrauwen van menige toeschouwer bij het horen van het verhaal van de verrassingsdoos werden nu, bij de mededeling over de stripprimeur, alarmbellen. Een bijkomende sirene was dat de plaatjes die een assistente via een overheadprojector liet zien – PowerPoint bestond pas een jaar of vijftien – erg vaag waren en bovendien ondersteboven leken te worden getoond.

Met de twijfel – en ik mag denk ik wel voor de hele Nederlandse delegatie spreken – of deze lezing nu serieus bedoeld was of Oostenrijkse humor gingen we naar het aansluitende congresdiner. Dat werd geopend met een welkomstwoord van de congresvoorzitter, die de naast hem aan de bobotafel zittende bibliothecaresse nog eens aan het publiek voorstelde. Ze kreeg een staande ovatie. Geen humor dus. Toen we tijdens het eten met enkele, vooral jongere Oostenrijkse tafelgenoten onze verbazing over de lezing deelden, bleek dat zij de presentatie min of meer als een mijlpaal in de literaire geschiedschrijving van Oostenrijk beschouwden. Ik vermoed dat we daarna over andere onderwerpen hebben gepraat.

Dit speelt zich af in 2004. Ik heb al eerder geprobeerd dit verhaal op te schrijven en toen ook gezocht naar gegevens over deze merkwaardige lezing, maar nooit iets gevonden. Je zou verwachten dat zo’n belangrijk verhaal wereldwijde germanistieke aandacht kreeg en op zijn minst dat het in de congresbundel werd opgenomen, maar dat is niet zo. Daar staat mijn bijdrage in, net als die van andere leden van de Nederlandse delegatie, maar de lezing over de anonieme doos niet. Nu verscheen die congresbundel pas vijf jaar na het congres, in 2009, naar verluidt vanwege gezondheidsproblemen en problematische persoonlijke verhoudingen bij de verantwoordelijken, maar misschien vond de een of ander uiteindelijk het verhaal van de doos en de non met haar stripfiguren uit de middeleeuwen toch niet zo overtuigend als eerst werd gedacht en moesten ze daar lang over praten. Op de een of andere manier zou ik het graag weten, misschien ook wel om te kijken hoe mijn geheugen werkt.

Innsbruck, 21 juni 2022


zondag 12 juni 2022

Leidse puinhoop (10) of: een episode uit de geschiedenis van de hisotriografie

In het kader van mijn werk aan de ongeautoriseerde biografie van Willem Otterspeer moet ik natuurlijk ook een publicatielijst maken van de emeritus hoogleraar universiteitsgeschiedenis aan de Universiteit Leiden, Hermans-biograaf en nog van alles. Je zou kunnen aannemen dat het publicatieoverzicht op zijn nog actieve medewerkerspagina van de Leidse universiteit daar een goed startpunt voor is. Maar dat is niet zo. Dat overzicht begint in 1996 met drie publicaties, geeft dan voor de jaren 2000, 2001 en 2004 telkens één item, dan een paar jaar niets, en dan van 2007 tot 2011 aansluitend een hele hoop (een stuk of vijftig), in 2015 één en in 2016 twee. In totaal een stuk of zestig. Dat zou, als een het min of meer complete lijst was, veel meer moeten zijn, want Otterspeer begon al midden jaren 1970 te publiceren.

Er ontbreken opvallende publicaties in deze lijst: de tweedelige biografie van Willem Frederik Hermans bijvoorbeeld, en de nog meerdeligere geschiedenis van de Universiteit Leiden. Dat is vreemd, en je zou dan ook kunnen wegklikken en zelf aan de gang gaan, maar het loont de moeite eens beter naar de lijst te kijken, die toch - door Otterspeer zelf of door iemand onder verantwoordelijkheid van Otterspeer en de Universiteit Leiden - online is gezet en dus verantwoording aflegt over wat de hoogleraar met onze belastingcenten heeft gedaan.

De publicatielijst is chronologisch te bekijken, maar ook naar categorieën. Die categorieën zijn, in de volgorde waarin ze worden gepresenteerd: ‘Wetenschappelijke publicaties’, ‘Boekbesprekingen’, ‘Vakpublicaties’, ‘Populariserend’ en ‘Overig’. Bij de volgorde zou je een vraagteken kunnen zetten, en een hele doos vraagtekens bij de categorie ‘Overig’. Daar zitten dus publicaties in die niet wetenschappelijk zijn, niet over het vak gaan, geen boek bespreken en niet populariseren. Deze categorie bevat alleen - ik kan het ook niet helpen - Otterspeers rede bij zijn afscheid van de universiteit.

Laten we eens naar de afdeling ‘Vakpublicaties’ kijken, die negentien bijdragen aan tijdschriften en boeken en één boekje uit de jaren 1996 tot 2011 bevat. Het merendeel van deze negentien items, elf namelijk, is volgens deze publicatielijst verschenen in het tijdschrift Arabian Humanities. ‘Respect!’ zou de nietsvermoedende lezer kunnen denken, zo veel bijdragen aan zo’n respectabel wetenschappelijk tijdschrift, maar de vermoedende lezer die een beetje beter kijkt ziet dat die bijdragen wel erg vreemde titels in het kader van zon tijdschrift hebben: ‘Lof der zotheid’, ‘De speelse mens’, ‘Een elektrische stroom die geen andere stroom induceert. Over Hermans en Slauerhoff’, ‘Notuul’, ‘Het Canda-dossier’, en nog een paar. Die eerste titel staat volgens de publicatielijst in 2007 op pagina 173 van jaargang 170 van Arabian Humanities. Als we de website van dat tijdschrift bekijken, een in Parijs uitgegeven tijdschrift met de Franse ondertitel ‘Revue internationale d’archeologie et de science sociale sur la péninsule Arabique’ en de Engelse ‘International Journal of Archeology and Social Sciences in the Arabian Peninsula’, dan zien we dat dit wetenschappelijke periodiek in 1993 werd opgericht en een jaargang 170 dus nog ver weg is. In alle jaargangen die tot nu toe zijn verschenen komt geen auteur Otterspeer voor.

Wat is het dan wel, dat ‘Lof der Zotheid’? In feite heet de tekst ‘Bij dit nummer’ en het is de redactionele inleiding bij een aan Lof der zotheid van Erasmus gewijde aflevering van De Gids, jaargang 170, aflevering 3/4. Ook de volgende titel, ‘De wijde blik’, is zo’n redactionele inleiding met de titel ‘Bij dit nummer’ in aflevering 12 van dezelfde jaargang 170. De paginacijfers die bij deze titel in het publicatieoverzicht worden genoemd horen bij een andere bijdrage van Otterspeer aan De Gids, en wel in de driedubbele, aan Montaigne gewijde aflevering 7/8/9. Titel: ‘Over dronkenschap’ – en ik zal daar verder geen grappen over maken. Dan ‘De speelse mens’, een stuk dat echt zo heet en ook op de aangegeven pagina’s staat, maar dus niet Arabian Humanities, maar in De Gids, weer in aflevering 3/4, die we al een keer hadden. Ook de bijdrage ‘Orlers en ik’ staat in De Gids op de aangegeven pagina’s, maar waarom een literaire tekst tussen de vakpublicaties thuishoort is onduidelijk. ‘Dit is een hoofdstuk van Het Tetragram, te verschijnen in 2009’ staat bij de tekst, en dat is een boek uit de rubriek ‘Nooit verschenen’. Ook ‘‘Een leven in tweeën’; Madelon Székely-Lulofs tussen roman en biografie’ komt, maar dan zonder die aanhalingstekens bij de eerste vier woorden en die puntkomma, uit De Gids. Het is een boekbespreking – verkeerde rubriek dus.

Blijven er nog acht over, waaronder een recensie, twee columns, een stuk proza, een voorpublicatie uit een boek over Willem Frederik Hermans en een artikel over de laatste, en alleen die laatste twee horen wat mij betreft – kwaliteit en wetenschappelijkheid even buiten beschouwing latend – thuis in een rubriek met ‘Vakpublicaties’. Dat geldt niet voor de twee stukken die nog overblijven: het zijn weer redactionele introducties bij speciale afleveringen van De Gids, die opnieuw niet getiteld zijn zoals Otterspeer aangeeft. In de titel van die voorpublicatie ontbreekt overigens een letter, en in die van een van de columns een woord. Een van de inleidingen op speciale nummers van De Gids noemt Otterspeer ‘Herman Franke’, en dat komt omdat die speciale aflevering aan de kort daarvoor overleden schrijver is gewijd. In de publicatielijst wordt dit ‘artikel’ gevolgd door een andere stuk over Franke, dat volgens Otterspeer in de Volkskrant is verschenen. Maar dat is niet zo, het staat, u raadt het al, niet in Arabian Humanities, ook niet in De Gids, maar wel in Vrij Nederland.

Nu zou ik dit allemaal kunnen melden aan de Universiteit Leiden, idealiter als integriteitsklacht, want het gaat hier tenslotte om ernstige misleiding: doen alsof je regelmatig in een wetenschappelijk tijdschrift van aanzien publiceert, terwijl het allemaal stukjes zijn, flutstukjes ook nog vaak, die je publiceert in het tijdschrift waar je het bestuur zit, waar dus geen peer review aan te pas komt. Zo’n integriteitsklacht zou niet in behandeling worden genomen, en als hij dat wel werd, zou hij ongegrond worden verklaard. Ik weet een beetje hoe dat daar werkt. De uitleg van Leiden zou zijn: ach, domme vergissing, secretaresse, weet u wel, of iemand van de PR-afdeling, die hebben allemaal een opleiding publieksgeschiedenis gevolgd, en dan weet je het wel, en bovendien: die Otterspeer is al met pensioen, die houdt zijn medewerkerspagina niet meer bij, en toen hij nog niet met pensioen was deed hij het ook al niet. Maar, zou ik dan weer kunnen zeggen: bijna alles dat wél in deze publicatielijst staat is van vóór het afscheid van de professor, dus toen hij zijn pagina nog wel moest bijhouden, en alles wat weggelaten is ook. Bovendien dragen de onnauwkeurigheden alle sporen van het de gebruikelijke manier van werken van Otterspeer, die in mijn ongeautoriseerde biografie vanzelfsprekend uitvoerig gedocumenteerd zal worden.

Leg het maar eens uit allemaal, Universiteit Leiden.

De titel van dit stuk moet ík nog even uitleggen. De eerdere afleveringen van het feuilleton, met Otterspeer als vaste speler, staan op dit blog, en nog een paar stukken meer (zie de links hieronder). Het tweede deel verwijst naar een titel in de publicatielijst van Otterspeer: ‘De geschiedenis van de hisotriografie’. Ik weet niet wat dat laatste woord betekent, maar de professor zal het wel hebben uitgelegd in een artikel in Arabian Humanities dat hij vergeten is op te nemen in zijn publicatielijst.

https://jangielkens.blogspot.com/2017/11/leidsepuinhoop-leiden-12-november-2017.html

https://jangielkens.blogspot.com/2017/11/leidse-puinhoop-2-verleden-week-haalde.html

https://jangielkens.blogspot.com/2017/12/leidsepuinhoop-vervolg-de-aandacht-voor.html

https://jangielkens.blogspot.com/2018/01/leidsepuinhoop-nog-een-vervolg-i-know.html

https://jangielkens.blogspot.com/2018/02/leidsepuinhoop-9-het-vullen-van-dit.html

https://jangielkens.blogspot.com/2018/06/en-het-aquaduct.html

https://jangielkens.blogspot.com/2016/05/anders2-even-iets-tussendoor-maar-meer.html

https://jangielkens.blogspot.com/2016/05/denoot-2010-er-stond-weer-eens.html

https://jangielkens.blogspot.com/2016/05/anders-4-inmijn-artikel-het-staat-er.html

https://jangielkens.blogspot.com/2016/11/degeheime-relatie-van-willem-frederik.html

https://jangielkens.blogspot.com/2017/03/het-staat-er-echt.html

https://jangielkens.blogspot.com/2017/05/danheb-ik-zelfs-deze-woorden-niet.html

https://jangielkens.blogspot.com/2019/06/alsosprach-de-biograaf-ik-kom-nog-even.html