vrijdag 5 augustus 2022
donderdag 14 juli 2022
Over over
Op neerlandistiek
punt nl, u weet het al, staat sinds 1 september 2021 een jaar lang elke dag een
ander citaat van of uit het werk van Willem Frederik Hermans, uitgekozen door
Hermans-kenners en -liefhebbers en andere bekende of onbekende Nederlanders. De
tekst van die citaten is – laten we het voorzichtig uitdrukken – niet altijd de
tekst die Hermans heeft laten publiceren, want diverse deelnemers plukken hun ‘citaten’
van websites met tegeltjeswijsheden en wat dies meer zij. De bronvermelding
laat ook veel te vaak ernstig te wensen over, en daar komt nog bij dat de redactie
van neerlandistiek punt nl aan de websitetechniek de opdracht heeft gegeven om
alle afzonderlijke alinea’s aan elkaar te plakken. Iemand heeft ze er op
gewezen dat dat eigenlijk allemaal niet kan, maar ze vinden dat ik zeur.
Vandaag hebben
we een primeur! De tekst die Rick de Leeuw voor vandaag heeft uitgezocht is
namelijk niet van Willem Frederik Hermans, maar van Carel Peeters. Kijk maar.
In zijn boek Hollandse pretenties (1988), p. 250, schrijft Caarel Peters
namelijk:
En dat is precies wat Rick de Leeuw ook presenteert vandaag:
Helemaal correct geciteerd.
Nou lijkt Karel Pieters op zijn beurt wel Hermans te citeren, en wel uit Onder professoren, maar dat is niet zo, want daar – Volledige Werken, deel 5 (2013), p. 497 – staat iets anders. Dit namelijk: ‘De praatjes waaien weg en de atomen blijven.’ Ongeveer hetzelfde, maar toch een beetje anders, zoals ik in dit soort omstandigheden wel vaker pleeg te zeggen.
Die Carel Peeters toch – jaren geleden betrapte ik hem al eens op een soortgelijke aanpassing van citaten, van Menno ter Braak namelijk, waar hij het zelfs al knippend en plakkend van dé website met het werk van Ter Braak niet kon laten om zinnen in stukken te hakken en aan te passen. Je moet er als schrijver toch niet aan denken dat iemand na je dood zo met je teksten zit te prutsen. Alsof iemand bij leven met opzet je naam zit te verhaspelen.
woensdag 13 juli 2022
Bij Büchner op bezoek
dinsdag 5 juli 2022
zondag 3 juli 2022
Absurd
Vanwege de overweldigende bijval voor
mijn kruistocht tegen de verminking van citaten van of uit het werk van Willem
Frederik Hermans op de website neerlandistiek punt nl besteed ik er nog maar eens
aandacht aan. Om te beginnen maar eens positief: Sasha Richman, promovenda van
Mathijs Sanders in Groningen, koos vanaf vrijdag 1 juli 2022 een paar prachtige
citaten die met het thema van haar voorgenomen dissertatie te maken hebben: de rol
van de fotografie in het werk van Hermans en anderen. De citaten zijn met zorg
gekozen en overgenomen, in tegenstelling tot de manier waarop haar directe
voorganger Yves Petry dat deed. Die knutselde ten eerste aan een van de gekozen
citaten, en de meeste vond hij op een citatenwebsite, net als zijn collega Abdelkader
Benali, over wie ik eerder berichtte, maar dan zonder zijn naam te noemen. De
herkomst van die citaten is goed herkenbaar aan de afwijkingen in vergelijking
met de originele teksten; een van zijn citaten deelt Petry zelfs met Benali, met
precies dezelfde verkeerde woordvolgorde.
Aan het eerste citaat van Sasha Richman
zit toch een smetje, maar daar kan ze zelf niets aan doen. De redactie van neerlandistiek
punt nl heeft namelijk bedacht dat je best alle zinnen die in zo’n Hermans-citaat
staan achter elkaar kunt plakken, zonder nieuwe alinea’s etc., ook bij
gedichten. Ik constateerde dat bij enkele van de door mij gekozen citaten, en in
die drie gevallen werd de schade hersteld. Maar het betekende niet dat het
regime werd veranderd. De redactie stak een dikke middelvinger naar mij (en Hermans) op en
plakte verder aan elkaar.
Aan het eerste citaat van Sasha
Richman (uit De donkere kamer van Damokles), gepubliceerd op 1 juli
2022, is goed te zien hoe absurd dat is. Dit staat nu op neerlandistiek punt
nl:
Zijn judoclubje
was hij geregeld blijven bezoeken. Zijn voeten vergroeiden ernaar, zij werden
breed en zeer gespierd over de wreven, het leek of zij zuignappen aan het
worden waren, hij stond er onverwrikbaar op als waren zij van lood. Normale
schoenen kon hij niet meer dragen, er moesten bijzondere schoenen naar maat
voor hem gemaakt worden. Een klein monster, een rechtopstaande pad.
Maar in het origineel staat:
Zijn judoclubje
was hij geregeld blijven bezoeken. Zijn voeten vergroeiden ernaar, zij werden
breed en zeer gespierd over de wreven, het leek of zij zuignappen aan het
worden waren, hij stond er onverwrikbaar op als waren zij van lood. Normale
schoenen kon hij niet meer dragen, er moesten bijzondere schoenen naar maat
voor hem gemaakt worden.
Een klein
monster, een rechtopstaande pad.
Een nieuwe alinea dus, die laatste zin. Dat is de keuze van de schrijver, en daar kom je met je tengels niet aan op de manier waarop neerlandistiek punt nl dat doet. Als je, zoals de redactie van neerlandistiek punt nl, belangrijk vindt wat het verschil is tussen ‘turkoois’ en ‘turquoise’, tussen ‘aanmeren’ en ‘afmeren’ en tussen ‘absurd’ en ‘bizar’ (ik noem maar een paar afleveringen van de honderden van het ‘Verwarwoordenboek’ op neerlandistiek punt nl, die wél met alineas, witregels en wat dies meer zij worden gepubliceerd), dan moet je ook interessant vinden hoe een echte schrijver zijn tekst indeelt. Want dat doet hij niet zo maar.
Een nog akeliger voorbeeld van zinnenplakkerij demonstreerde neerlandistiek punt nl
bij een citaat dat Gert Brouns had uitgezocht. Ook hij deed dat met zorg en
precisie. Hij koos dit fragment uit Nooit meer slapen en citeerde het
naar de Volledige Werken, deel 3:
Als je mij vraagt
zijn er drie belangrijke stadia in de geschiedenis van de mens.
In het
eerste kende hij zijn eigen spiegelbeeld niet, evenmin als een dier dat kent.
Laat een kat in een spiegel kijken en hij denkt dat het een raam is waarachter
een andere kat staat. Blaast ertegen, loopt er omheen. Op den duur is hij niet
meer geïnteresseerd; sommige katten tonen zelfs nooit enige belangstelling voor
hun spiegelbeeld.
Zo zijn de eerste mensen ook geweest. Honderd procent subjectief. Een ‘ik’ dat zich vragen kon stellen over een ‘zelf’ bestond niet.
Tweede stadium: Narcissus ontdekt het spiegelbeeld. Niet Prometheus die het vuur ontdekte is de grootste geleerde van de Oudheid, maar Narcissus. Voor het eerst ziet ‘ik’ zich ‘zelf’. Psychologie was in dit stadium een overbodige wetenschap, want de mens was voor zichzelf wat hij was, namelijk zijn spiegelbeeld. Hij kon ervan houden of niet, maar hij werd niet door zichzelf verraden. Ik en zelf waren symmetrisch, elkaars spiegelbeeld, meer niet. Wij liegen en het spiegelbeeld liegt met ons mee. Pas in het derde stadium hebben wij de genadeslag van de waarheid gekregen.
Het derde
stadium begint met de uitvinding van de fotografie. Hoe dikwijls gebeurt het
dat er een pasfoto van ons gemaakt wordt waarvan wij evenveel houden als van
ons spiegelbeeld? Hoogst zelden! Voordien, als iemand zijn portret liet
schilderen en het beviel hem niet, kon hij de schuld aan de schilder geven.
Maar de camera, weten wij, kan niet liegen. En zo kom je in de loop van de
jaren, via talloze foto’s, erachter dat je meestal niet jezelf bent, niet
symmetrisch met jezelf, maar dat je het grootste deel van je leven in een
aantal vreemde incarnaties bestaat voor welke je alle verantwoordelijkheid van
de hand zou wijzen als je kon.
De angst
dat andere mensen hem zien zoals hij is op die foto’s die hij niet kan
endosseren, dat ze hem misschien nooit zien zoals het spiegelbeeld waarvan hij
houdt, heeft de menselijke individu versplinterd tot een groep die uit een
generaal plus een bende muitende soldaten bestaat. Een Ik dat iets wil zijn -
en een aantal schijngestalten die het Ik onophoudelijk afvallen. Dat is het
derde stadium: het voordien vrij zeldzame twijfelen aan zichzelf, laait op tot
radeloosheid.
De psychologie
komt tot bloei.
En wat staat er op neerlandistiek punt nl? Dit:
Als je mij vraagt
zijn er drie belangrijke stadia in de geschiedenis van de mens. In het eerste
kende hij zijn eigen spiegelbeeld niet, evenmin als een dier dat kent. Laat een
kat in een spiegel kijken en hij denkt dat het een raam is waarachter een
andere kat staat. Blaast ertegen, loopt er omheen. Op den duur is hij niet meer
geïnteresseerd; sommige katten tonen zelfs nooit enige belangstelling voor hun
spiegelbeeld. Zo zijn de eerste mensen ook geweest. Honderd procent subjectief.
Een ‘ik’ dat zich vragen kon stellen over een ‘zelf’ bestond niet. Tweede
stadium: Narcissus ontdekt het spiegelbeeld. Niet Prometheus die het vuur
ontdekte is de grootste geleerde van de Oudheid, maar Narcissus. Voor het eerst
ziet ‘ik’ zich ‘zelf’. Psychologie was in dit stadium een overbodige
wetenschap, want de mens was voor zichzelf wat hij was, namelijk zijn
spiegelbeeld. Hij kon ervan houden of niet, maar hij werd niet door zichzelf
verraden. Ik en zelf waren symmetrisch, elkaars spiegelbeeld, meer niet. Wij
liegen en het spiegelbeeld liegt met ons mee. Pas in het derde stadium hebben
wij de genadeslag van de waarheid gekregen. Het derde stadium begint met de
uitvinding van de fotografie. Hoe dikwijls gebeurt het dat er een pasfoto van
ons gemaakt wordt waarvan wij evenveel houden als van ons spiegelbeeld? Hoogst
zelden! Voordien, als iemand zijn portret liet schilderen en het beviel hem
niet, kon hij de schuld aan de schilder geven. Maar de camera, weten wij, kan
niet liegen. En zo kom je in de loop van de jaren, via talloze foto’s, erachter
dat je meestal niet jezelf bent, niet symmetrisch met jezelf, maar dat je het
grootste deel van je leven in een aantal vreemde incarnaties bestaat voor welke
je alle verantwoordelijkheid van de hand zou wijzen als je kon. De angst dat
andere mensen hem zien zoals hij is op die foto’s die hij niet kan endosseren,
dat ze hem misschien nooit zien zoals het spiegelbeeld waarvan hij houdt, heeft
de menselijke individu versplinterd tot een groep die uit een generaal plus een
bende muitende soldaten bestaat. Een Ik dat iets wil zijn - en een aantal
schijngestalten die het Ik onophoudelijk afvallen. Dat is het derde stadium:
het voordien vrij zeldzame twijfelen aan zichzelf, laait op tot radeloosheid.
De psychologie komt tot bloei.
Eén alinea, een vette, onhermansiaanse lap in plaats van de zorgvuldig en welbewust in zeven alinea’s ingedeelde tekst. Wat zegt Jan Renkema, de bedenker van het ‘Verwarwoordenboek’, ook weer in zijn Schrijfwijzer: ‘De alinea is de belangrijkste bouwsteen van een tekst.’
Bizar.
woensdag 22 juni 2022
De non en de doos
Ik ben weer eens in Innsbruck. Voor het laatst was ik hier in maart 2004, vanwege de tweejaarlijkse conferentie van de Arbeitsgemeinschaft für germanistische Edition, de club van
wetenschappelijke editeurs voor het Duitse taalgebied. Mijn instituut, dat
zoveel namen heeft gehad dat ik niet meer weet welke toen geldig was, iets met
Huygens ongetwijfeld, deed daar in die tijd ook altijd aan mee. Die ambitie is
met de vele naamsveranderingen verdwenen.
Maar goed: er was een behoorlijke
instituutsdelegatie, het besneeuwde Innsbruck lag er mooi bij en wij deden onze
plicht. Ik merk, nu ik weer in Innsbruck rondloop, dat ik niet meer weet waar de bijeenkomst plaatsvond, waar ons hotel lag, dat soort dingen, en van het
congres zelf weer ik ook nog maar weinig. Het conferentiethema was ‘Was ist
Textkritik? Zur Geschichte und Relevanz eines Zentralbegriffs der
Editionswissenschaft’ – en daar kon je alle kanten mee op. Mijn bijdrage ging
over de briefwisseling tussen Herman Gorter en Vladimir Il’ić Lenin; op de een
of andere manier slaagde ik erin die aan het congresthema te verbinden.
Een bijzondere bijdrage aan de conferentie was die van een bibliothecaresse van een Oostenrijks klooster. Veel
concreter kan ik niet worden, want ik heb de congrespapieren niet bewaard, en
als ik ze bewaard had, had ik ze niet meegenomen op vakantie. Ik kan ook online
helemaal niets vinden over wat ik nu ga vertellen, wat voor de lezer misschien
een reden is om aan het verhaal te twijfelen, maar wat mij betreft mijn verhaal
ondersteunt.
Opvallend was dat de lezing werd
aangekondigd met de mededeling dat er na afloop geen vragen mochten worden
gesteld. De dame die de lezing hield was een non, de instelling waarvan ze de
bibliotheek beheerde was een mannenklooster. Ze vertelde dat ze op zekere
ochtend, bij het begin van haar werkdag, een doos op haar bureau vond met
allerlei stukken papier. Er zat verder geen informatie in of bij de doos. Ze bleek
middeleeuwse papierfragmenten te bevatten, ‘Makulatur’, afvalpapier dat veelal
gebruikt werd bij het binden van boeken.
De bibliothecaresse had de
fragmenten geïnventariseerd en was tot de conclusie gekomen dat het onbekende
fragmenten waren van een bekend middeleeuws manuscript, en wel fragmenten die
onomstotelijk bewezen dat dat manuscript ‘Oostenrijks’ was. Welk manuscript dat
was? Ik weet het echt niet meer. Het bijzondere van de manuscriptfragmenten was
bovendien, vertelde de bibliothecaresse, dat ze geïllustreerd waren, en dat
betekende dat het hier om de eerste strip ter wereld ging. De gefronste
wenkbrauwen van menige toeschouwer bij het horen van het verhaal van de
verrassingsdoos werden nu, bij de mededeling over de stripprimeur, alarmbellen.
Een bijkomende sirene was dat de plaatjes die een assistente via een
overheadprojector liet zien – PowerPoint bestond pas een jaar of vijftien – erg
vaag waren en bovendien ondersteboven leken te worden getoond.
Met de twijfel – en ik mag denk ik wel voor de hele Nederlandse delegatie spreken – of deze lezing nu serieus bedoeld was of Oostenrijkse humor gingen we naar het aansluitende congresdiner. Dat werd geopend met een welkomstwoord van de congresvoorzitter, die de naast hem aan de bobotafel zittende bibliothecaresse nog eens aan het publiek voorstelde. Ze kreeg een staande ovatie. Geen humor dus. Toen we tijdens het eten met enkele, vooral jongere Oostenrijkse tafelgenoten onze verbazing over de lezing deelden, bleek dat zij de presentatie min of meer als een mijlpaal in de literaire geschiedschrijving van Oostenrijk beschouwden. Ik vermoed dat we daarna over andere onderwerpen hebben gepraat.
Dit speelt zich af in 2004. Ik heb
al eerder geprobeerd dit verhaal op te schrijven en toen ook gezocht naar gegevens
over deze merkwaardige lezing, maar nooit iets gevonden. Je zou verwachten dat
zo’n belangrijk verhaal wereldwijde germanistieke aandacht kreeg en op zijn
minst dat het in de congresbundel werd opgenomen, maar dat is niet zo. Daar
staat mijn bijdrage in, net als die van andere leden van de Nederlandse
delegatie, maar de lezing over de anonieme doos niet. Nu verscheen die
congresbundel pas vijf jaar na het congres, in 2009, naar verluidt vanwege gezondheidsproblemen
en problematische persoonlijke verhoudingen bij de verantwoordelijken, maar
misschien vond de een of ander uiteindelijk het verhaal van de doos en de non met haar
stripfiguren uit de middeleeuwen toch niet zo overtuigend als eerst werd
gedacht en moesten ze daar lang over praten. Op de een of andere manier zou ik het graag weten, misschien ook wel
om te kijken hoe mijn geheugen werkt.
Innsbruck, 21 juni
2022
zondag 12 juni 2022
Leidse puinhoop (10) of: een episode uit de geschiedenis van de hisotriografie
In het kader van mijn werk aan de
ongeautoriseerde biografie van Willem Otterspeer moet ik natuurlijk ook een
publicatielijst maken van de emeritus hoogleraar universiteitsgeschiedenis aan de
Universiteit Leiden, Hermans-biograaf en nog van alles. Je zou kunnen aannemen
dat het publicatieoverzicht op zijn nog actieve medewerkerspagina van de Leidse
universiteit daar een goed startpunt voor is. Maar dat is niet zo. Dat
overzicht begint in 1996 met drie publicaties, geeft dan voor de jaren 2000,
2001 en 2004 telkens één item, dan een paar jaar niets, en dan van 2007 tot
2011 aansluitend een hele hoop (een stuk of vijftig), in 2015 één en in 2016
twee. In totaal een stuk of zestig. Dat zou, als een het min of meer complete
lijst was, veel meer moeten zijn, want Otterspeer begon al midden jaren 1970 te
publiceren.
Er ontbreken opvallende publicaties in deze lijst: de tweedelige biografie van Willem Frederik Hermans bijvoorbeeld, en de nog meerdeligere geschiedenis van de Universiteit Leiden. Dat is vreemd, en je zou dan ook kunnen wegklikken en zelf aan de gang gaan, maar het loont de moeite eens beter naar de lijst te kijken, die toch - door Otterspeer zelf of door iemand onder verantwoordelijkheid van Otterspeer en de Universiteit Leiden - online is gezet en dus verantwoording aflegt over wat de hoogleraar met onze belastingcenten heeft gedaan.
De publicatielijst is chronologisch
te bekijken, maar ook naar categorieën. Die categorieën zijn, in de volgorde
waarin ze worden gepresenteerd: ‘Wetenschappelijke publicaties’, ‘Boekbesprekingen’,
‘Vakpublicaties’, ‘Populariserend’ en ‘Overig’. Bij de volgorde zou je een vraagteken kunnen zetten, en een hele doos vraagtekens bij de categorie ‘Overig’. Daar zitten dus publicaties in die niet wetenschappelijk zijn,
niet over het vak gaan, geen boek bespreken en niet populariseren. Deze categorie bevat alleen - ik kan het ook niet helpen - Otterspeers rede bij zijn afscheid van de
universiteit.
Laten we eens naar de afdeling ‘Vakpublicaties’ kijken, die negentien bijdragen aan tijdschriften en boeken en één boekje uit de jaren 1996 tot 2011 bevat. Het merendeel van deze negentien items, elf namelijk, is volgens deze publicatielijst verschenen in het tijdschrift Arabian Humanities. ‘Respect!’ zou de nietsvermoedende lezer kunnen denken, zo veel bijdragen aan zo’n respectabel wetenschappelijk tijdschrift, maar de vermoedende lezer die een beetje beter kijkt ziet dat die bijdragen wel erg vreemde titels in het kader van zo’n tijdschrift hebben: ‘Lof der zotheid’, ‘De speelse mens’, ‘Een elektrische stroom die geen andere stroom induceert. Over Hermans en Slauerhoff’, ‘Notuul’, ‘Het Canda-dossier’, en nog een paar. Die eerste titel staat volgens de publicatielijst in 2007 op pagina 173 van jaargang 170 van Arabian Humanities. Als we de website van dat tijdschrift bekijken, een in Parijs uitgegeven tijdschrift met de Franse ondertitel ‘Revue internationale d’archeologie et de science sociale sur la péninsule Arabique’ en de Engelse ‘International Journal of Archeology and Social Sciences in the Arabian Peninsula’, dan zien we dat dit wetenschappelijke periodiek in 1993 werd opgericht en een jaargang 170 dus nog ver weg is. In alle jaargangen die tot nu toe zijn verschenen komt geen auteur Otterspeer voor.
Wat is het dan wel, dat ‘Lof der
Zotheid’? In feite heet de tekst ‘Bij dit nummer’ en het is de redactionele
inleiding bij een aan Lof der zotheid van Erasmus gewijde aflevering van
De Gids, jaargang 170, aflevering 3/4. Ook de volgende titel, ‘De wijde
blik’, is zo’n redactionele inleiding met de titel ‘Bij dit nummer’ in aflevering
12 van dezelfde jaargang 170. De paginacijfers die bij deze titel in het
publicatieoverzicht worden genoemd horen bij een andere bijdrage van Otterspeer
aan De Gids, en wel in de driedubbele, aan Montaigne gewijde aflevering
7/8/9. Titel: ‘Over dronkenschap’ – en ik zal daar verder geen grappen over
maken. Dan ‘De speelse mens’, een stuk dat echt zo heet en ook op de aangegeven
pagina’s staat, maar dus niet Arabian Humanities, maar in De Gids,
weer in aflevering 3/4, die we al een keer hadden. Ook de bijdrage ‘Orlers en
ik’ staat in De Gids op de aangegeven pagina’s, maar waarom een
literaire tekst tussen de vakpublicaties thuishoort is onduidelijk. ‘Dit is een
hoofdstuk van Het Tetragram, te verschijnen in 2009’ staat bij de
tekst, en dat is een boek uit de rubriek ‘Nooit verschenen’. Ook ‘‘Een
leven in tweeën’; Madelon Székely-Lulofs tussen roman en biografie’ komt, maar
dan zonder die aanhalingstekens bij de eerste vier woorden en die puntkomma, uit De Gids. Het is
een boekbespreking – verkeerde rubriek dus.
Blijven er nog acht over, waaronder een recensie, twee columns, een stuk proza, een voorpublicatie uit een
boek over Willem Frederik Hermans en een artikel over de laatste, en alleen die
laatste twee horen wat mij betreft – kwaliteit en wetenschappelijkheid even
buiten beschouwing latend – thuis in een rubriek met ‘Vakpublicaties’. Dat
geldt niet voor de twee stukken die nog overblijven: het zijn weer redactionele
introducties bij speciale afleveringen van De Gids, die opnieuw niet
getiteld zijn zoals Otterspeer aangeeft. In de titel van die voorpublicatie
ontbreekt overigens een letter, en in die van een van de columns een woord. Een
van de inleidingen op speciale nummers van De Gids noemt Otterspeer
‘Herman Franke’, en dat komt omdat die speciale aflevering aan de kort daarvoor
overleden schrijver is gewijd. In de publicatielijst wordt dit ‘artikel’
gevolgd door een andere stuk over Franke, dat volgens Otterspeer in de
Volkskrant is verschenen. Maar dat is niet zo, het staat, u raadt het
al, niet in Arabian Humanities, ook niet in De Gids, maar wel in Vrij
Nederland.
Nu zou ik dit allemaal kunnen
melden aan de Universiteit Leiden, idealiter als integriteitsklacht, want het
gaat hier tenslotte om ernstige misleiding: doen alsof je regelmatig in een
wetenschappelijk tijdschrift van aanzien publiceert, terwijl het allemaal
stukjes zijn, flutstukjes ook nog vaak, die je publiceert in het tijdschrift
waar je het bestuur zit, waar dus geen peer review aan te
pas komt. Zo’n integriteitsklacht zou niet in behandeling worden genomen, en
als hij dat wel werd, zou hij ongegrond worden verklaard. Ik weet een beetje
hoe dat daar werkt. De uitleg van Leiden zou zijn: ach, domme vergissing,
secretaresse, weet u wel, of iemand van de PR-afdeling, die hebben allemaal een
opleiding publieksgeschiedenis gevolgd, en dan weet je het wel, en bovendien:
die Otterspeer is al met pensioen, die houdt zijn medewerkerspagina niet meer bij, en toen hij nog niet met pensioen was deed hij het ook al niet.
Maar, zou ik dan weer kunnen zeggen: bijna alles dat wél in deze
publicatielijst staat is van vóór het afscheid van de professor, dus toen hij
zijn pagina nog wel moest bijhouden, en alles wat weggelaten is ook. Bovendien dragen
de onnauwkeurigheden alle sporen van het de gebruikelijke manier van werken van
Otterspeer, die in mijn ongeautoriseerde biografie vanzelfsprekend uitvoerig
gedocumenteerd zal worden.
Leg het maar eens uit allemaal,
Universiteit Leiden.
De titel van dit stuk moet ík nog
even uitleggen. De eerdere afleveringen van het feuilleton, met Otterspeer als
vaste speler, staan op dit blog, en nog een paar stukken meer (zie de links
hieronder). Het tweede deel verwijst naar een titel in de publicatielijst van
Otterspeer: ‘De geschiedenis van de hisotriografie’. Ik weet niet wat dat laatste woord betekent,
maar de professor zal het wel hebben uitgelegd in een artikel in Arabian Humanities dat hij vergeten is op te nemen in zijn publicatielijst.
https://jangielkens.blogspot.com/2017/11/leidsepuinhoop-leiden-12-november-2017.html
https://jangielkens.blogspot.com/2017/11/leidse-puinhoop-2-verleden-week-haalde.html
https://jangielkens.blogspot.com/2017/12/leidsepuinhoop-vervolg-de-aandacht-voor.html
https://jangielkens.blogspot.com/2018/01/leidsepuinhoop-nog-een-vervolg-i-know.html
https://jangielkens.blogspot.com/2018/02/leidsepuinhoop-9-het-vullen-van-dit.html
https://jangielkens.blogspot.com/2018/06/en-het-aquaduct.html
https://jangielkens.blogspot.com/2016/05/anders2-even-iets-tussendoor-maar-meer.html
https://jangielkens.blogspot.com/2016/05/denoot-2010-er-stond-weer-eens.html
https://jangielkens.blogspot.com/2016/05/anders-4-inmijn-artikel-het-staat-er.html
https://jangielkens.blogspot.com/2016/11/degeheime-relatie-van-willem-frederik.html
https://jangielkens.blogspot.com/2017/03/het-staat-er-echt.html
https://jangielkens.blogspot.com/2017/05/danheb-ik-zelfs-deze-woorden-niet.html
https://jangielkens.blogspot.com/2019/06/alsosprach-de-biograaf-ik-kom-nog-even.html










.png)





